|
Uitspraak
95/8697
AAW/WAO en 97/1011 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv),
en
A, wonende te B (verder: verzekerde).
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije
Beroepen. In deze uitspraak wordt onder het Lisv tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 2 februari 1995 heeft het Lisv aan verzekerde met
ingang van 20 februari 1995 uitkeringen ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
De arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 27
oktober 1995 het door verzekerde tegen dat besluit ingestelde beroep
gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het
Lisv een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in de uitspraak
gestelde.
Het Lisv heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Op de
gronden, uiteengezet in een aanvullend beroepschrift d.d. 26 januari
1996, is de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het
inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren. Tevens is hierbij een
besluit d.d. 12 december 1995 overgelegd, waarbij aan verzekerde met
ingang van 20 februari 1995 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO
worden toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
35 tot 45%.
Namens verzekerde is een verweerschrift ingediend, gedateerd 29 maart
1996.
Nadat de Raad aan partijen en de rechtbank had medegedeeld dat genoemd
besluit van 12 december 1995 met toepassing van artikel 6:24 in
samenhang met artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede
in de beoordeling zou worden betrokken, heeft het Lisv bij brief van 18
februari 1997 nadere stukken overgelegd, die aan dat besluit ten
grondslag hebben gelegen.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 juni
1997, waar het Lisv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.B.
Borreman, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar namens verzekerde is
verschenen mr. T.T.M.L. Boersma, advocaat te Vlaardingen.
Daar de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig is geweest,
is het onderzoek heropend.
De arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft zich naar aanleiding van
het namens gedaagde tegen genoemd besluit van 12 december 1995
ingestelde beroep bij uitspraak van 16 juni 1997 onbevoegd verklaard
kennis te nemen van het geschil tussen partijen.
De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 10 december 1997, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Verzekerde heeft zijn werkzaamheden als administratief medewerker
gestaakt op 21 februari 1994 wegens rug- en beenklachten (trombose).
Nadat hij gedurende de maximale termijn een uitkering ingevolge de
Ziektewet had ontvangen, zijn aan hem bij het in geding zijnde besluit
d.d. 2 februari 1995 met ingang van 20 februari 1995 uitkeringen
ingevolge de AAW en de WAO verstrekt, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij het in rubriek I genoemde besluit
d.d. 12 december 1995 is de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde per 20 februari 1995
alsnog bepaald op 35 tot 45%.
Allereerst overweegt de Raad dat, nu het Lisv het in het besluit van 2
februari 1995 neergelegde standpunt met betrekking tot de mate van
arbeidsongeschiktheid van verzekerde niet langer handhaaft, het hoger
beroep niet kan leiden tot het alsnog ongegrond verklaren van het
inleidende beroep.
Nu met het besluit d.d. 12 december 1995 niet geheel is tegemoetgekomen
aan de bezwaren van verzekerde, zal de Raad dit besluit met toepassing
van artikel 6:19 van de Awb mede in het beroep betrekken.
De rechtbank heeft het besluit van d.d. 2 februari 1995 vernietigd
wegens strijd met artikel 2, aanhef en sub c van het Schattingsbesluit
d.d. 5 augustus 1994, Stb. 1994, 596. Naar het oordeel van de rechtbank kan van een werkgever
redelijkerwijs niet worden gevergd een voorziening voor woon-werkverkeer
te treffen.
Van de zijde van het Lisv is in hoger beroep, kort samengevat,
aangevoerd dat een voorziening voor woon-werkverkeer los staat van de
mate van arbeidsongeschiktheid, dat de werknemer in principe zelf het
vervoer moet regelen en dat dit niet een voorziening betreft die valt
onder het bereik van artikel 2 sub c van het Schattingsbesluit. Voorts
is aangevoerd dat voor woon-werkverkeer eventueel een vergoeding of
voorziening op grond van de AAW kan worden verstrekt, mits aan alle
voorwaarden daartoe is voldaan.
Dit standpunt is onverkort gehandhaafd bij het besluit d.d. 12 december
1995.
Van de zijde van verzekerde is in verweer naar voren gebracht dat een
vervoersvoorziening niet in de risicosfeer van de werknemer ligt en dat
dit aspect bij een schatting niet buiten beschouwing kan worden gelaten,
nu deze voldoende realiteitswaarde dient te hebben. Tevens is betoogd
dat ten onrechte door de rechtbank is geoordeeld dat de beperkingen
voor het verrichten van arbeid door appellant juist zijn vastgesteld.
De Raad overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat verzekerde een
vervoersvoorziening nodig zal hebben om zijn werkplek te bereiken. Wel
in geschil is of hiermee reeds bij schattingsbesluiten als het
onderhavige rekening dient te worden gehouden. De Raad kan het Lisv
volgen in het hierboven omschreven standpunt, inhoudende dat een
voorziening voor woon-werkverkeer door de werknemer zelf dient te worden
getroffen en niet in de risicosfeer van de werkgever valt. Derhalve
betreft dit niet een voorziening die onder het bereik van artikel 2,
sub c van het Schattingsbesluit valt. Hierbij wordt opgemerkt dat de
werknemer eventueel, indien de kosten voor woon-werkverkeer uitstijgen
boven hetgeen gezien het inkomen als algemeen gebruikelijk dient te
worden beschouwd, voor een vergoeding c.q. een voorziening in het kader
van de AAW
in aanmerking kan komen. De Raad ziet, gezien het vorenstaande, geen
aanleiding verzekerde te volgen in zijn mening dat met die kosten reeds
bij de theoretische schatting rekening dient te worden gehouden.
Met betrekking tot de medische grondslag van de onderhavige schatting
overweegt de Raad dat hij evenmin als de rechtbank aanleiding ziet de
bij het besluit d.d. 12 december 1995 aangenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid
van verzekerde (die niet afwijken van de bij het besluit d.d. 2 februari
1995 aangenomen beperkingen) onderschat te achten, nu daarvoor in de
voorhanden zijnde gegevens van medische aard geen aanknopingspunten
zijn te vinden.
Nu de Raad ook overigens geen aanleiding heeft gevonden het onderhavige
besluit in rechte aan te tasten, dient het beroep, voorzover dit geacht
moet worden te zijn gericht tegen het besluit van het Lisv d.d. 12
december 1995, ongegrond te worden verklaard. De aangevallen uitspraak
komt, gezien het eerder door de Raad overwogene, voor bevestiging in
aanmerking, zij het op andere gronden.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig tot toepassing van artikel
8:75 van de Awb.
Derhalve dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep, voorzover dit wordt geacht mede te zijn gericht
tegen het besluit van het Lisv d.d. 12 december 1995, ongegrond;
Bepaalt dat van het Lisv een recht van f 630,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. C.G.L. Plomp als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr.
G. van der Wiel als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.W.A. van Geloven als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 21 januari 1998.
(get.) C.G.L. Plomp.
(get.) P.W.A. van Geloven.
|
|