|
Uitspraak
95/7980
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
in werking getreden. Krachtens de Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 26 januari 1994 heeft appellant de aan gedaagde
krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
met ingang van 16 februari 1994 herzien en nader vastgesteld naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van
2 oktober 1995 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd.
Namens appellant is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 mei
1997, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.F.
Pardaan, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is verschenen met bijstand
van mr. W.A.H. Breedijk-Loffeld, advocaat te Eindhoven, als zijn
gemachtigde.
Na de behandeling van het geding ter zitting is de Raad gebleken dat het
onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmede de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18
november 1997, waar namens appellant zijn verschenen mr. I. Smal en drs
H.P.G. Mulders, beiden werkzaam bij Gak Nederland B.V., alsmede mr. drs. P.H.M. Wouters, werkzaam bij appellant. Gedaagde is in persoon
verschenen met bijstand van mr. W.G.J. van Gils, advocaat te Eindhoven, als zijn gemachtigde.
II. MOTIVERING
A. Van belang zijnde feiten en omstandigheden; het oordeel van de
rechtbank
Gedaagde, die laatstelijk werkzaam was als monteur, viel op 17 augustus
1992 uit voor dat werk in verband met klachten aan de rechter knie.
Nadat gedaagde gedurende de maximale termijn ziekengeld had ontvangen,
zijn hem bij besluit van 6 augustus 1993 per 3 augustus 1993 uitkeringen
krachtens de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Het in het geding zijnde besluit, strekkende tot herziening van die
uitkeringen met ingang van 16 februari 1994, berust op de grond dat
gedaagde, ofschoon ongeschikt voor eerdergenoemd eigen werk, met het
verrichten van arbeid waartoe hij gezien zijn krachten en bekwaamheden
in staat is te achten, een zodanig inkomen zou kunnen verwerven, dat er
sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Blijkens een arbeidskundig rapport van de voormalige Gemeenschappelijke
Medische Dienst (GMD) d.d. 9 december 1993 zijn bij de schatting van
gedaagdes arbeidsongeschiktheid zes in het Functie Informatie Systeem
(FIS) voorkomende functies in aanmerking genomen. Het betreft:
- de onder eenzelfde functiebestandscode opgenomen functies van
fotoprinter, medewerker ordercentrale en filmontwikkelaar, die volgens
de opgave in het FIS onderscheidenlijk 5, 4 en 7 arbeidsplaatsen tellen,
- de onder eenzelfde functiebestandscode opgenomen functies van
instrumentoperator en montagemedewerker, die onderscheidenlijk 10 en 5
arbeidsplaatsen tellen, alsmede
- de functie van dienstindeler, welke 10 arbeidsplaatsen telt.
Ter vaststelling van het resterende verdienvermogen van gedaagde is van
ieder van de twee hiervoor vermelde groepen van functies die tot
eenzelfde functiebestandscode behoren, de zogenoemde mediane loonwaarde
vastgesteld. Vervolgens is het resterend verdienvermogen bepaald op de
mediaan van evengenoemde loonwaarden èn het loon dat is verbonden aan
de functie van dienstindeler.
Appellant heeft zich, zoals gesteld in een aan de rechtbank toegezonden
verzekeringsgeneeskundig rapport van de GMD d.d. 18 mei 1994, bij nader
inzien op het standpunt gesteld dat de functie van filmontwikkelaar in
verband met de daaraan verbonden belasting niet geschikt voor gedaagde
is te achten.
De rechtbank heeft onder verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 2,
3 en 4 van het Schattingsbesluit, zoals die luidden na de
inwerkingtreding van dat besluit op 10 augustus 1994, geoordeeld dat ten onrechte de loonwaarde in
aanmerking is genomen van de functies welke minder dan 7 arbeidsplaatsen
tellen. Hieruit volgt dat de onderhavige schatting slechts kan worden
gebaseerd op twee functies, namelijk die van instrumentoperator en van
dienstindeler, hetgeen - aldus de rechtbank - betekent dat het in het
geding zijnde besluit berust op een onvoldoende arbeidskundige
grondslag.
Daarbij heeft de rechtbank het standpunt van appellant, dat de functies
die zijn vermeld onder één functiebestandscode, voor de bepaling van
de resterende arbeidsmogelijkheden en het verdienvermogen als één
functie dienen te worden aangemerkt, van de hand gewezen op de grond
dat, gelet op de inhoud en de strekking van de artikelen 2 en 3 van het
Schattingsbesluit, een berekening van het mediaanloon op basis van
functiebestandscodes niet kan worden geaccepteerd, aangezien deze
functies onderling verschillende loonwaarden kennen en evenmin gelijk
zijn wat de inhoud en de arbeidsbelasting betreft.
B. De opvatting van appellant
In het aanvullend beroepschrift is het volgende naar voren gebracht.
Het in het geding zijnde besluit is genomen op grond van artikel 5 van
de AAW en artikel 18 van de WAO, zoals die voorschriften sedert 1
augustus 1993 luiden krachtens de Wet van 7 juli 1993, Stb. 412 (Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen; hierna de
Wet TBA).
Bij evenvermeld besluit zijn in acht genomen de regels van het
zogenoemde concept-Schattingsbesluit, een ontwerp voor een algemene
maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 5, negende lid, van de AAW
en artikel 18, achtste lid, van de WAO, Stcrt. 1993, 210. Een dergelijke
algemene maatregel van bestuur, te weten het Schattingsbesluit (Stb.
1994, 596) is op 10 augustus 1994 in werking getreden.
Het gestelde in het concept-Schattingsbesluit betekende:
- het in aanmerking nemen van algemeen geaccepteerde arbeid waarmee
betrokkene het meest zou kunnen verdienen,
- het buiten beschouwing laten van functies die niet of nauwelijks
arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, alsmede
- het hanteren van de regel dat een schatting in beginsel dient te zijn
gebaseerd op tenminste drie functies welke tezamen tenminste 30
arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.
Bij de duiding van een functie wordt als uitgangspunt gehanteerd, dat
een functie minimaal 7 arbeidsplaatsen moet vertegenwoordigen, met dien
verstande dat een functie ook voldoende arbeidsplaatsen
vertegenwoordigt, indien zij zelf minder dan 7 arbeidsplaatsen telt,
doch samen met soortgelijke functies tenminste 7 arbeidsplaatsen
vertegenwoordigt.
Functies kunnen als gelijksoortig worden aangemerkt, als zij voorkomen
in dezelfde functiebestandscode. Een dergelijke code bevat functies die
als gemeenschappelijk kenmerk hebben, dat minimaal 65% van de tijd wordt
besteed aan taken die onder de doelstelling van de functiebestandscode
vallen. Aangezien de in het FIS opgenomen functies zijn beschreven op
vele werkplekken bij allerlei bedrijven waarvan het overgrote deel een
zodanige omvang heeft dat het aantal arbeidsplaatsen per concrete
functie tamelijk gering is, zouden, wanneer bij de bepaling van het
aantal arbeidsplaatsen het begrip functie als een bepaald soort arbeid
in een specifieke werkkring wordt opgevat, vele functies uit het FIS
niet kunnen worden gebruikt in de schattingspraktijk, hetgeen de
representativiteit van het FIS niet ten goede komt en strijdig is met de
gedachte van een ruime functieduiding.
Ter toelichting op vorenomschreven standpunt is ter zitting van de Raad
het volgende betoogd.
In het Schattingsbesluit, noch in de daarbij gegeven toelichting is een
ondergrens gesteld dan wel een aanduiding gegeven met betrekking tot het
aantal arbeidsplaatsen per functie. Artikel 2, aanhef en onder b, van
het Schattingsbesluit stelt slechts dat een functie die niet of
nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigt, bij de toepassing van
artikel 2, aanhef en onder a, buiten beschouwing blijft. Slechts in
artikel 3 van het Schattingsbesluit is een harde getalsmatige grens
gesteld, inhoudende dat de arbeid, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder
a, nader dient te worden omschreven in de vorm van tenminste drie
verschillende in Nederland uitgeoefende functies waarmee het hoogste
inkomen kan worden verworven, welke functies tezamen tenminste 30
arbeidsplaatsen dienen te vertegenwoordigen.
Reeds bij de invoering van de zogeheten stelselherziening hanteerde de
GMD een uitvoeringspraktijk die inhield dat een
arbeidsongeschiktheidsschatting wat het aantal in aanmerking te nemen
functies en het aantal daarbij behorende arbeidsplaatsen betreft, een
zekere onderbouwing diende te hebben om te kunnen spreken van een reële
verdiencapaciteit.
Bij de parlementaire behandeling van de wetgeving betreffende de
stelselherziening, is de eis geformuleerd dat een schatting niet te
theoretisch van aard mag zijn en dat derhalve een functie welke niet of
nauwelijks voorkomt, niet in aanmerking mag worden genomen.
Bij de opbouw van het FIS in 1990 is in aansluiting op de bestaande
uitvoeringspraktijk van de GMD besloten om een minimum van 7
arbeidsplaatsen per functie aan te houden. Sedert de invoering van het
FIS in 1992 bevat het systeem een zogenoemd stopcriterium, hetgeen
betekent dat bij het zoeken naar functies automatisch wordt geselecteerd
op functies met een minimum van 7 arbeidsplaatsen, in welk verband onder
functie wordt verstaan functiebestandscode.
Bij de aanpassing van het FIS in verband met de inwerkingtreding van de
Wet TBA is de gedragslijn met betrekking tot het aantal arbeidsplaatsen
wederom in beschouwing genomen. In het kader van de Herzieningsoperatie
Linschoten I en II is medio 1995 besloten de gedragslijn van tenminste 7
arbeidsplaatsen per functiebestandscode onveranderd voort te zetten.
In verband met de vraag welke waarde in de loop der tijd aan genoemde
gedragsregel moet worden gehecht, met andere woorden hoe hard die regel
was, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de volgende
periodes:
- het tijdvak van 1 januari 1992 tot 1 augustus 1993,
- het tijdvak van 1 augustus 1993 tot medio 1995,
- de periode vanaf medio 1995.
In eerstgenoemde periode gold het uitgangspunt van 7 arbeidsplaatsen per functiebestandscode met de mogelijkheid daarvan in
uitzonderlijke situaties af te wijken.
In de tweede periode werd in verband met de Wet TBA en het
concept-Schattingsbesluit de vraag actueel of genoemde gedragsregel
gehandhaafd diende te blijven. In verband met de toenmalige onduidelijke
situatie is het meermalen voorgekomen dat van die regel is afgeweken. Zo
kon het voorkomen dat een arbeidsdeskundige bij het zoeken naar een
functie met de hoogste loonwaarde, van een bepaalde functiebestandscode
de functie met de hoogste loonwaarde in aanmerking nam, ook indien
daaraan volgens het FIS minder dan 7 arbeidsplaatsen waren verbonden.
In het kader van eerdergenoemde herzieningsoperatie is uitdrukkelijk
gekozen voor het handhaven van de gedragsregel zoals die vóór 1
augustus 1993 gold, hetgeen betekent dat er tenminste 7 arbeidsplaatsen
per functiebestandscode aanwijsbaar dienen te zijn, met slechts de
mogelijkheid tot afwijking in uitzonderlijke gevallen.
Voor de hantering van het FIS betekent zulks het volgende.
In de uitvoeringspraktijk wordt onder het begrip functie verstaan
functiebestandscode. Een functiebestandscode bevat, zoals hiervoor reeds
is opgemerkt, functies die als gemeenschappelijk kenmerk hebben, dat
minimaal 65% van de tijd wordt besteed aan taken die onder de
doelstelling van de functiebestandscode vallen. Het FIS bevat thans 9500
functiebeschrijvingen die zijn ondergebracht in circa 400
functiebestandscodes. Genoemde beschrijvingen hebben betrekking op
specifieke functies die in concrete bedrijven en instellingen voorkomen.
Bij de selectie van functies wordt er naar gestreefd, dat van een
bepaald soort functie er bij voorkeur twee doch tenminste één per
regio in het FIS wordt opgenomen. Deze gedragslijn geldt sinds de 16
landelijke regio's zijn samengevoegd tot vijf regio's. Voorheen werd
ernaar gestreefd dat een bepaald soort functie in alle 16 regio’s voorkwam.
Evengenoemd streven komt voort uit de doelstelling om met het FIS
functies te kunnen selecteren, waarvan aantoonbaar is dat zij voldoende
voorkomen op de Nederlandse arbeidsmarkt.
In verband met de omstandigheid dat een specifieke functie in de regel
betrekkelijk weinig in een bepaalde onderneming of instelling voorkomt,
is een schatting op basis van meer soortgelijke, binnen één
functiebestandscode vallende, functies uit een oogpunt van verschaffing
van informatie omtrent de mogelijkheden op de arbeidsmarkt meer
gefundeerd te achten dan een schatting waarbij één functie met 7
arbeidsplaatsen in aanmerking is genomen. Derhalve zou, zoals reeds is
gesteld, het buiten beschouwing laten van functies die minder dan 7
arbeidsplaatsen tellen, afbreuk doen aan de representativiteit van het
FIS en het uitgangspunt van een ruime functieduiding.
Voor de wijze van functieduiding betekent het voorafgaande dat, indien
van een functiebestandscode één of meer functies zijn geselecteerd,
die minder dan 7 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, uit die functiebestandscode andere
functies in aanmerking worden genomen totdat het aantal van 7
arbeidsplaatsen is bereikt. Indien op evenvermelde wijze op basis van
drie functiebestandscodes het vereiste aantal van 30 arbeidsplaatsen
niet wordt bereikt, wordt hetzij binnen de reeds bij de selectie
betrokken functiebestandscodes verder gezocht, hetzij een andere
functiebestandscode in aanmerking genomen.
Doet zich de situatie voor dat de arbeidskundige grondslag van een
besluit ter discussie komt te staan, bijvoorbeeld omdat een voorgehouden
functie voor de betrokkene ongeschikt blijkt te zijn, dan wordt ertoe
overgegaan om andere functies uit reeds in aanmerking genomen
functiebestandscodes "bij te duiden" mits die functies wat de
belasting, het arbeidspatroon en andere relevante eisen en kenmerken
betreft, voor de betrokkene geschikt zijn.
Het op een dergelijke wijze in aanmerking nemen van andere functies uit
dezelfde functiebestandscode is, ook als het gaat om de herziening of
intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, uit een oogpunt van
zorgvuldigheid gerechtvaardigd te achten, daar het voor de betrokkene
redelijkerwijs voldoende duidelijk kan zijn dat hij tevens geschikt
wordt geacht voor eerderbedoelde andere functies.
De zogeheten resterende verdiencapaciteit wordt vervolgens bepaald op
de mediane loonwaarde van de tot verschillende functiebestandscodes
behorende functies welke tenminste 7 arbeidsplaatsen tellen, en - eventueel - de groepen van functies welke per
functiebestandscode in
aanmerking zijn genomen om het aantal van 7 arbeidsplaatsen te
bereiken. In dat verband wordt, indien meer functies uit één
functiebestandscode in beschouwing zijn genomen, bij de vaststelling van
de resterende verdiencapaciteit de mediane loonwaarde van die functies
in aanmerking genomen.
Bij genoemde vaststelling dient in verband met de in artikel 3, eerste
lid, van het Schattingsbesluit geformuleerde eis van tenminste drie
verschillende functies te worden uitgegaan van tenminste drie functies
of groepen van functies welke tot verschillende functiebestandscodes
behoren.
C. Het oordeel van de Raad
In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat ingevolge artikel II van
het op 9 februari 1996 in werking getreden Besluit van 31 januari 1996,
Stb. 75, houdende wijziging van het Schattingsbesluit, de artikelen 2 en
3, alsmede het bij eerstgenoemd besluit gewijzigde artikel 4 van het
Schattingsbesluit terug werken tot 1 augustus 1993. Dat betekent dat het
in het geding zijnde besluit, waarbij gedaagdes uitkeringen zijn herzien
per 16 februari 1994, dient te worden getoetst aan voormelde bepalingen
van het Schattingsbesluit.
Daarbij is met name aan de orde het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder
b, en in artikel 3, eerste lid, van het
Schattingsbesluit, welke voorschriften, zoals reeds is vermeld, inhouden
dat bij een schatting een functie die niet of nauwelijks arbeidsplaatsen
vertegenwoordigt, buiten beschouwing dient te blijven, alsmede dat een
schatting dient te worden gebaseerd op tenminste drie verschillende
functies welke tenminste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.
Van de zijde van appellant is er terecht op gewezen, dat noch in de
tekst van het Schattingsbesluit noch in de bij dat besluit behorende
toelichting een aanknopingspunt is te vinden voor het stellen van een
getalsnorm, die kan worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag
of een functie - zoals genoemd artikel 2, aanhef en onder b, stelt -
nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigt.
Het zojuist genoemde, als vaag te bestempelen, criterium waaraan de
besluitvorming betreffende de schatting van arbeidsongeschiktheid is
gebonden, is zoals uit het voorafgaande blijkt, onder meer door de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid (namens het bestuur waarvan
het in het geding zijnde herzieningsbesluit is gegeven) in die zin
geconcretiseerd dat er, uitzonderlijke gevallen daargelaten, sprake
dient te zijn van tenminste 7 arbeidsplaatsen. Deze interpretatie van
voormeld algemeen verbindend voorschrift, is door het Lisv
gecontinueerd.
De Raad is van oordeel dat een zodanige uitleg van eerdergenoemd artikel
2, aanhef en onder b, als rechtens juist kan worden aanvaard en
overweegt daartoe het volgende.
Voornoemd aantal van 7 arbeidsplaatsen moet worden bezien bij het licht
van de wijze van totstandkoming, de structuur, de systematiek en de
werking van het FIS. In dat verband is, zoals van de zijde van appellant
is vermeld, de functiebestandscode van wezenlijke betekenis. Zo wordt
een functie bezien in samenhang met de functiebestandscode waartoe zij
behoort, hetgeen betekent dat de vaststelling van de resterende
verdiencapaciteit geschiedt aan de hand van functies of groepen van
functies die behoren tot verschillende functiebestandscodes, alsmede dat
voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van voldoende, te
weten 7, arbeidsplaatsen meer functies uit eenzelfde functiebestandscode
in aanmerking worden genomen. Aldus geldt in de systematiek van het FIS
een functiebestandscode in zekere zin als één functie.
Deze benadering doet geen afbreuk aan het vereiste dat een schatting
moet plaatsvinden aan de hand van concrete functies in de hiervoor
weergegeven betekenis. In dat verband kan tevens worden verwezen naar 's
Raads uitspraak, gepubliceerd in RSV 1995/258. Ofschoon in tegenstelling
tot het bij die uitspraak berechte geval, in casu de regelgeving inzake
arbeidsongeschiktheid aan de orde is, zoals deze vanaf 1 augustus 1993
van kracht is, geldt ook voor gevallen als het onderhavige, de in die
uitspraak gehanteerde overweging dat het systeem van
functiebestandscodes niet afdoet aan de eis dat aan een belanghebbende
afzonderlijke, reëel op de arbeidsmarkt voorkomende, functies worden
voorgehouden, en dat per functie wordt beoordeeld of de belanghebbende,
gegeven diens belastbaarheid, in staat kan worden geacht die functies te
vervullen.
De Raad overweegt voorts dat, nu appellant op eerdergenoemde wijze
invulling heeft gegeven aan het criterium betreffende het
vertegenwoordigen van voldoende arbeidsplaatsen, niet kan worden staande
gehouden dat appellant uit hoofde van die gedragslijn slechts
afzonderlijke functies die 7 arbeidsplaatsen tellen, aan een schatting
ten grondslag zou mogen leggen.
De namens gedaagde naar voren gebrachte opvatting, dat om arbeidskundige
redenen slechts afzonderlijke functies aan een schatting ten grondslag
mogen worden gelegd, dient eveneens van de hand te worden gewezen, nu
deze opvatting geen recht doet aan de hiervoor beschreven wijze waarop
functies ten behoeve van het FIS worden geselecteerd en in
functiebestandscodes worden ondergebracht. Gezien de daarmee beoogde
representativiteit voor de situatie op de arbeidsmarkt, is het alleszins
verantwoord te achten dat tamelijk nauw verwante, binnen eenzelfde
functiebestandscode vallende, functies tezamen in ogenschouw worden
genomen voor het bereiken van voldoende, te weten 7, arbeidsplaatsen in
een situatie waarin de hoogstbeloonde geschikt bevonden functie uit een
functiebestandscode een dergelijk aantal niet kent. In dat verband
ontmoet het geen bezwaar wanneer bij een cluster van functies uit
eenzelfde functiebestandscode, een afzonderlijke functie die slechts een
enkele arbeidsplaats telt, in aanmerking wordt genomen.
De Raad kan zich tevens verenigen met de namens appellant omschreven
wijze van bepaling van de resterende verdiencapaciteit in gevallen
waarin daartoe (mede) gebruik wordt gemaakt van één of meer
functiebestandscodes, hetgeen geschiedt door de loonwaarde per
gehanteerde functiebestandscode vast te stellen op de mediane loonwaarde
van de daarvan in aanmerking genomen functies.
De Raad wijst er voorts op, dat ook onder vigeur van het
Schattingsbesluit bij een schatting die leidt tot intrekking of
herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, slechts de
loonwaarde mag worden betrokken van functies welke tevoren aan de
verzekerde zijn voorgehouden.
Daarbij moet echter tevens in aanmerking worden genomen hetgeen de Raad
onder meer in zijn uitspraak, gepubliceerd in RSV 1993/316, te kennen
heeft gegeven omtrent de mogelijkheid om naderhand nog functies aan een
schatting ten grondslag te leggen. Die mogelijkheid bestaat, mits het de
verzekerde op grond van de voorgehouden functies voldoende duidelijk kon
zijn dat hij ook voor het vervullen van de later genoemde functies
geschikt zou kunnen worden geacht.
Gelet op het criterium dat geldt voor het opnemen van functies in één
functiebestandscode, zal aan voormeld vereiste doorgaans zijn voldaan,
indien een functie wordt toegevoegd, die valt onder dezelfde
functiebestandscode als de voorgehouden functie welke bij nader inzien
ongeschikt wordt geacht.
Wel zal in zo'n geval moeten vaststaan dat de belanghebbende voor die
functie in medisch opzicht geschikt is. Een dergelijke geschiktheid kan
niet zonder meer worden ontleend aan het gegeven dat de desbetreffende
functies binnen eenzelfde functiebestandscode zijn ondergebracht, nu een
volledig identieke functiebelasting daarbij geen criterium vormt.
Naar 's Raads oordeel kan, gelet op al hetgeen hiervoor is uiteengezet
omtrent de structuur, de systematiek en de werking van het FIS, alsmede
gezien de toelichting bij het Schattingsbesluit, niet worden staande
gehouden dat, wanneer meergenoemde norm van 7 arbeidsplaatsen op
vorenomschreven wijze wordt gehanteerd, zich een situatie kan voordoen,
waarvan moet worden geoordeeld dat er sprake is van het
vertegenwoordigen van onvoldoende arbeidsplaatsen, als bedoeld in
artikel 2, aanhef en onder b, van het Schattingsbesluit.
Evenmin bestaat er grond voor het oordeel dat genoemde norm een
onjuiste, in de betekenis van een onredelijk strenge, maatstaf in het
kader van de uitleg van dat voorschrift impliceert.
Naar aanleiding van hetgeen - voorts - van de zijde van gedaagde naar
voren is gebracht, oordeelt de Raad, evenals de rechtbank, dat gelet op
de beschikbare medische en arbeidskundige gegevens, niet kan worden
staande gehouden dat bij het bestreden besluit is uitgegaan van onjuiste
beperkingen bij gedaagde voor het verrichten van arbeid, dan wel dat de
belasting die is verbonden aan de functies welke bij de in het geding
zijnde schatting in aanmerking zijn genomen, gedaagdes belastbaarheid te
boven gaat.
In verband met het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat appellant
terecht de (reeds eerder genoemde) onder eenzelfde functiebestandscode
vallende functies van fotoprinter en medewerker ordercentrale, die
tezamen 9 arbeidsplaatsen tellen, alsmede de eveneens onder eenzelfde
functiebestandscode vallende functies van instrumentoperator en
montagemedewerker, die tezamen 15 arbeidsplaatsen tellen, heeft betrokken bij de berekening van
gedaagdes verlies aan verdienvermogen, die tot het bestreden besluit
heeft geleid. De schatting voldoet aldus aan de normen, gesteld bij
artikel 2, aanhef en onder b, en artikel 3, eerste lid, van het
Schattingsbesluit.
Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit de
rechterlijke toetsing niet kan doorstaan, moet worden geoordeeld dat de
rechtbank ten onrechte heeft beslist tot vernietiging van het bestreden
besluit. Derhalve kan die uitspraak niet in stand blijven en dient het
inleidend beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.
Ten slotte worden geen termen aanwezig geacht voor toepassing van
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.C. Cusell, als voorzitter en door mr. J.W.
Schuttel en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10
februari 1998.
(get.) H.C. Cusell.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|