|
Uitspraak
95/7669
AAWAO en 96/265 ZW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen Groothandel en Vrije
Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen
Groothandel en Vrije Beroepen.
Bij brief van 6 augustus 1994 is appellante door gedaagde in kennis
gesteld van het besluit haar uitkeringen op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke waren berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, met ingang van 1 november
1994 in te trekken, op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid met
ingang van die datum op minder dan 25 respectievelijk 15% diende te
worden gesteld. (Besluit I).
Bij brief van 30 augustus 1995 heeft gedaagde appellante in kennis
gesteld van het besluit haar terzake van het ziektegeval van 17 mei 1995
op en na 13 september 1995 verdere uitkering van ziekengeld te weigeren,
aangezien zij niet langer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van
haar arbeid. (Besluit II).
De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraken van 17
oktober 1995 respectievelijk 4 januari 1996 het beroep tegen beide
besluiten ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein,
tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld, waarbij hij de Raad heeft
verzocht de aangevallen uitspraken te vernietigen en te bepalen dat
appellante op en na 1 november 1994 recht heeft op een uitkering
ingevolge de AAW/WAO c.q. dat zij recht heeft op een uitkering krachtens
de Ziektewet (ZW) op en na 13 september 1995.
Bij verweerschrift (met bijlage) van 10 april 1996 heeft gedaagde de
Raad verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen.
Bij een aanvullend beroepschrift (met bijlagen), gedateerd 18 juni 1996,
heeft mr. Bogaers de bezwaren van appellante toegelicht en daarbij de
Raad tevens nadere medische informatie doen toekomen, waaronder een op
verzoek van appellante uitgebracht rapport van dr. J.W.A. Swen, neuroloog te Delft.
Op 14 augustus 1996 heeft hij de Raad vervolgens een aantal stukken doen
toekomen.
Op 's Raads verzoek heeft gedaagde op 19 augustus 1996 nog nadere
medische gegevens overgelegd, op 22 augustus 1996 gevolgd door het
commentaar van zijn verzekeringsgeneeskundige O.H.C.M. Dittrich ter
zake van het bovenvermelde rapport van de neuroloog Swen.
Op de informatie die mr. Bogaers de Raad bij brief van 4 september 1996
heeft doen toekomen, heeft gedaagde gereageerd door inzending van het
commentaar van zijn verzekeringsgeneeskundige O.H.C.M. Dittrich en zijn
stafverzekeringsgeneeskundige H. Schellekens.
Namens appellante heeft mr. Bogaers hierop bij brief van 2 oktober 1996
(met bijlagen) zijn reactie gegeven.
Nadien heeft mr. Bogaers de Raad nogmaals verschillende malen informatie
doen toekomen.
Beide zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
29 november 1996, waar appellante is verschenen in persoon, bijgestaan
door mr. Bogaers, voornoemd, als haar raadsman.
Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door M.J.H.
Steeghs, werkzaam bij GAK Nederland BV.
Nadat het ter zitting van 29 november 1996 ex artikel 8:16 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedane verzoek om wraking van de
fungerend voorzitter van de Raad bij uitspraak van de Raad van 6
december 1996 was afgewezen, is de behandeling van beide zaken hervat
ter zitting van de meervoudige kamer van de Raad, gehouden op 12 maart
1997. Appellante is daar wederom verschenen in persoon, bijgestaan door
mr. Bogaers als haar raadsman en vergezeld van haar moeder, G.
Hendrickx-van Zeeland en haar partner N.J.G. Peters.
Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid laten vertegenwoordigen door mr.
J.G.M. Huijs, werkzaam bij GAK Nederland BV.
II. MOTIVERING
I. Het AAW/WAO-besluit
Appellante was laatstelijk sedert november 1990 werkzaam als
secretaresse bij X te Y. Met ingang van 22 maart 1991 heeft zij die
werkzaamheden gestaakt, aanvankelijk wegens griep-, spier- en
hoofdpijnklachten, later gevolgd door vermoeidheidsklachten,
lusteloosheid en psychische klachten. In verband daarmee zijn haar met
ingang 24 maart 1992 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de WAO
en de AAW toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 80-100%.
Bij het bestreden besluit zijn de uitkeringen met ingang van 1 november
1994 ingetrokken, aangezien appellante in staat werd geacht passende
werkzaamheden te verrichten.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond
verklaard.
De Raad heeft dienaangaande het volgende overwogen.
Appellante is ten tijde van haar uitval onderzocht door haar huisarts J.J.
Hoying te Venlo. Bij zijn onderzoek en bij aanvullend
laboratoriumonderzoek heeft hij geen afwijkingen kunnen vaststellen.
Aangezien de klachten in de loop van de tijd niet afnamen, heeft
appellante zich in verband met een mogelijk psychische oorzaak van de
klachten in juli 1992 gewend tot de psychiater J.W.L. Schreuder te Arcen.
Na gedurende circa een jaar door hem te zijn behandeld, is de
behandeling van appellante in mei 1993 in onderling overleg beëindigd,
aangezien naar beider oordeel de doelstelling van de behandeling was
gerealiseerd.
In verband met het persisteren van de vermoeidheidsklachten is
appellante in februari 1994 door haar huisarts verwezen naar prof. dr. P.
Pop, internist te Maastricht. Bij zijn onderzoek van appellante op 22
februari 1994 en bij aanvullend laboratoriumonderzoek heeft hij geen
lichamelijke afwijkingen kunnen vinden en is hij tot de conclusie
gekomen dat, voor zover hij kon beoordelen, de klachten van appellante
niet op organische pathologie van betekenis berustten. Zijns inziens
konden die klachten gekwalificeerd worden als een chronisch
moeheidssyndroom of een fybromyalgie.
In het kader van de per 1 augustus 1993 in werking getreden Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) is
appellante op 24 mei 1994 onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige
van de toenmalige Gemeenschappelijk Medische Dienst (GMD) O.H.C.M.
Dittrich. Nadat deze bij oriënterend lichamelijk onderzoek geen
afwijkingen had gevonden en informatie had ingewonnen bij de behandeld
sector, is hij tot de conclusie gekomen dat appellante in staat geacht
moest worden om passende werkzaamheden te verrichten. Hierna heeft
gedaagde het bestreden besluit genomen.
De Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om het
bestreden besluit voor onjuist te houden. Hij wijst er op dat ondanks
herhaald en uitvoerig onderzoek in casu geen - traceerbare - objectieve
beperkingen zijn vastgesteld en dat er geen toereikende verklaring is
gevonden voor de extreme vermoeidheidsklachten van appellante. Met name
wijst de Raad hierbij naar de bevindingen van prof. Pop, die bij zijn
onderzoek geen duidelijke argumenten heeft gevonden die pleiten voor het
bestaan van organische pathologie van betekenis, waarbij hij nog heeft
opgemerkt dat verder diagnostisch onderzoek naar het eventuele bestaan
daarvan, hem weinig zinvol leek. Ook wijst de Raad op het rapport van de
op verzoek van appellante geraadpleegde neuroloog J.W.A. Swen, waaruit
evenmin is gebleken van het bestaan van objectieve afwijkingen ten tijde
in geding. Ook overigens is de Raad noch uit de gedingstukken, noch uit
het verhandelde te zijner zitting gebleken van relevante nadere medische
gegevens welke in essentie een ander licht werpen op de afweging en
uitkomst van dit geding.
Op grond van het vorenoverwogene dient de Raad tot de conclusie te komen
dat gedaagde appellante terecht en op goede gronden met ingang van 1
november 1994 geschikt heeft geacht tot het verrichten van passende
functies.
Met betrekking tot de gestelde diagnose ME/CVS merkt de Raad nog op dat,
zoals reeds eerder in vaste rechtspraak is uitgesproken, het stellen van
die diagnose op zich zelf genomen nog niet medebrengt dat er sprake is
van arbeidsongeschiktheid.
Aangezien appellante voorts ter zitting van de Raad d.d. 12 maart 1997
uitdrukkelijk heeft herhaald zich voornamelijk op somatische gronden
arbeidsongeschikt te achten en tevens heeft aangegeven nog steeds achter
het oordeel te staan van haar behandelend psychiater Schreuder, die in
juni 1993 verdere behandeling van de psychische problematiek niet
noodzakelijk achtte en in september 1994 de heropening van de
behandeling zelfs ongewenst achtte, ziet de Raad geen goede
aanknopingspunten om appellante op psychische gronden op de datum in
geding arbeidsongeschikt te achten.
Hetgeen verder nog namens appellante is aangevoerd, heeft de Raad niet
tot een andere opvatting kunnen brengen.
Met betrekking tot het namens appellante gestelde inzake de
TICA-richtlijn "Medische arbeidsongeschiktheidscriterium"
wijst de Raad nog op het feit dat hij zich, in nadere uitwerking van
hetgeen hij in essentie reeds eerder heeft uitgesproken, gelet zowel op
de huidige niet-materieelwettelijke status van de richtlijn als op het
doel daarvan, te weten het formuleren van uitgangspunten voor de
verzekeringsgeneeskundige beoordeling, voor de eigen beoordeling van de
aan hem voorgelegde individuele gevallen van al dan niet toekenning door
gedaagde van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet zonder meer aan die
richtlijn rechtstreeks gebonden kan achten. Zulks is hier te minder het
geval, aangezien het bestreden besluit ruimschoots vóór de publicatie
van die richtlijn is genomen, weshalve gedaagde daarmede bij zijn
besluitvorming destijds ook geen rekening heeft kunnen houden.
Gelet op al het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak van 17
oktober 1995 dan ook worden bevestigd.
De Raad overweegt tenslotte - alles overziende - dat naar zijn oordeel
gedaagde bij het nemen van het onderhavige besluit noch in strijd met
het geschreven recht, noch onzorgvuldig, en evenmin in strijd met enig
ander beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.
II. Het ZW-besluit
Appellante heeft zich op 17 mei 1995 vanuit de Werkloosheidswet wederom
arbeidsongeschikt gemeld, nadat zij tijdens een verblijf in Malawi een
malaria-infectie had opgelopen. Gedaagde heeft appellante terzake
ziekengeld toegekend. Nadat gebleken was dat de behandelend internist J.J.
Mattousch appellante uit de behandeling en controle had ontslagen en
gedaagdes verzekeringsgeneeskundige Dittrich van mening was dat haar
gezondheidstoestand weer gelijk was aan die van voor de ziekmelding van
17 mei 1995, heeft hij haar met ingang van 13 september 1995 weer
arbeidsgeschikt geacht.
In de aangevallen uitspraak van 4 januari 1996 heeft de rechtbank het
beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
De Raad heeft ook hier onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om
dit standpunt voor onjuist te houden en heeft in dit verband het
volgende overwogen.
Krachtens artikel 19 ZW bestaat - voor zover hier van belang - recht op
ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is
tot het verrichten van zijn arbeid. Onder "ongeschiktheid tot
werken" wordt ingevolge vaste rechtspraak van de Raad verstaan het
op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of
mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid. In de voorhanden
zijnde medische gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten
kunnen vinden voor het standpunt dat appellante met ingang van 13
september 1995 ongeschikt was voor haar werk, gemeten naar voormelde
maatstaf. De Raad constateert dat uit de beschikbare medische gegevens
niet is gebleken van het bestaan van - traceerbare - objectieve
beperkingen, in welk verband hij verwijst naar het hiervoor overwogene.
De Raad dient mitsdien ook hier tot de conclusie te komen dat appellante
terecht en op goede gronden met ingang van 13 september 1995 niet langer
ongeschikt is geacht tot het verrichten van haar arbeid.
De aangevallen uitspraak van 4 januari 1996 komt dan ook eveneens voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
De Raad beslist derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. Chr. van
Voorst en mr. H.M.J.I. Steenbergen als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 1997.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|