|
Uitspraak
95/6994
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze
uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 20 oktober 1993 heeft appellant de aan gedaagde
krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
met ingang van 1 november 1993 herzien en nader vastgesteld naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij uitspraak van 1 september 1995 heeft de Arrondissementsrechtbank te
Groningen het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het
bestreden besluit vernietigd, bepaald dat appellant het door gedaagde
betaalde griffierecht vergoedt, appellant veroordeeld in de
proceskosten, en bepaald dat appellant aan gedaagde een schadevergoeding
dient te betalen ter hoogte van de wettelijke rente over de na te
betalen uitkering.
Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde heeft mr. R.G.A. Luinstra, advocaat te Winschoten, een
verweerschrift ingediend.
In reactie op het verweerschrift heeft appellant een commentaar van de
verzekeringsarts A. van Bruggen, gedateerd 21 juni 1996, en een
commentaar van de arbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema, gedateerd 24 juni
1996, ingezonden.
Bij schrijven van 25 mei 1998 heeft dr. T.W. van Weerden, neuroloog te
Groningen, die door de rechtbank als deskundige was benoemd en in die
hoedanigheid aan de rechtbank rapport had uitgebracht, geantwoord op een
door de Raad gestelde vraag.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 juli
1998. Appellant heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr. F.A.M.
Delfgaauw, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. Voor gedaagde
is verschenen zijn gemachtigde mr. G.W. van der Zee, advocaat te
Winschoten.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1948, was laatstelijk werkzaam als bedrijfsleider
in een schoenenzaak. Op 19 maart 1991 is hij als gevolg van psychische klachten na een
ontslagaanzegging arbeidsongeschikt geworden. Appellant heeft gedaagde
met ingang van 19 maart 1992 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO
toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij
het bestreden besluit heeft appellant deze uitkeringen met ingang van 1
november 1993 herzien op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid
van gedaagde moet worden gesteld op 25 tot 35%. Aan dit besluit lag ten
grondslag een rapport van de verzekeringsgeneeskundige W.K.H. Reezigt van 24 februari 1993, met bijbehorend
belastbaarheidspatroon, en een rapport d.d. 27 mei 1993 van de
arbeidsdeskundige Stiekema.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd op de grond dat
appellant bij het bestreden besluit is uitgegaan van verouderde, niet
geactualiseerde medische gegevens. De rechtbank heeft voorts geoordeeld
dat de beperkingen van gedaagde door de verzekeringsgeneeskundige niet
juist zijn vastgesteld.
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank en
heeft hiertegen het volgende aangevoerd:
"De Rechtbank is in casu voorbij gegaan aan het feit dat de
verzekeringsgeneeskundige gedaagde na 24 februari 1993 nog heeft gezien en wel op
15 november 1993. Dit naar aanleiding van een melding van gedaagde d.d.
22 september 1993; gedaagde gaf aan dat hij met hernia op bed lag. De
verzekeringsgeneeskundige heeft na deze melding informatie van de
behandelend revalidatiearts d.d. 2 december 1993 verkregen. Deze
informatie betreft in feite het vervolg op de informatie d.d. 25
augustus 1993, welke de Rechtbank aanhaalt.
Tevens is de Rechtbank eraan voorbij gegaan dat de door gedaagde in mei
1993 aan de arbeidsdeskundige geventileerde klachten besproken zijn met
de verzekeringsgeneeskundige. De toen door eiser geuite klachten kwamen
overeen met het geuite klachtenpatroon bij eerdere
verzekeringsgeneeskundige onderzoeken en gaven derhalve geen aanleiding
tot heroverweging van de aangegeven beperkingen.
Eiser wijst er voorts op dat het oordeel van de Rechtbank dat in casu uitgegaan is van verouderde niet geactualiseerde
medische gegevens, impliceert dat in geval er een verslechtering van de
gezondheid wordt geclaimd na het verzekeringsgeneeskundig (en
arbeidskundig) onderzoek en vóór de datum van afschatting, de
afschatting geen doorgang kan vinden. Eiser verwijst in dit verband naar
het schrijven van het Arbeidsgeschiktheidsteam d.d. 12 september 1995,
waarvan bijgaand een afschrift."
Evenbedoeld schrijven van het Arbeidsgeschiktheidsteam luidt als volgt:
"Onder verwijzing naar bovengenoemde brief delen wij u mede dat
naar ons oordeel de Rechtbank ten onrechte de Bedrijfsvereniging verwijt
geen kennis te hebben genomen van de meest actuele medische informatie.
Uit de dossiers blijkt immers dat wel degelijk een oordeel is gegeven
over de medische situatie direct voorafgaande aan de datum van verlaging
van de uitkering.
Tenzij de conclusie zou zijn dat, wanneer een belanghebbende aangeeft
dat er sprake is van een verslechtering, de verlaging casu quo de beëindiging
van een uitkering geen doorgang kan vinden lijkt ons dat de gang van
zaken kan voldoen aan de toets der redelijkheid.
Op basis van de beschikbare gegevens heeft een verlaging plaats gevonden
met inachtneming van a) de normale beoordelingsstappen en b) een
uitlooptermijn.
Kort voor de beëindigingsdatum meldt betrokkene een verandering in zijn
situatie.
Enerzijds wordt vervolgens de aangekondigde verlaging gerealiseerd en
anderzijds wordt onderzoek ingesteld met betrekking tot de vraag of er
aanleiding bestaat tot een gewijzigd oordeel.
In casus wordt deze vraag met nee beantwoord.
Er is ons inziens geen sprake van onzorgvuldig handelen en er is zeker
geen grond voor een vaststelling als in onderhavige uitspraak."
Naar aanleiding van het rapport van de deskundige Van Weerden heeft appellant opgemerkt dat hij de functies van
meteropnemer, junior vertegenwoordiger en vertegenwoordiger
koekbakkerij, die door de deskundige wegens de psychische belastbaarheid
van gedaagde minder geschikt werden geacht, handhaaft, gelet op de
psychische belastbaarheid die door de psychiater J.C.A. Weijmar Schultz
in diens expertiserapport d.d. 19 februari 1993 is aangegeven. De
functie van chauffeur klein groepsvervoer en chauffeur groepsvervoer,
die door de deskundige Van Weerden voor gedaagde ongeschikt werden
geacht, heeft appellant laten vallen.
Bij verweerschrift heeft gedaagde doen aanvoeren dat het bezoek aan de
verzekeringsgeneeskundige van 15 november 1993 en de informatie van de
behandelend revalidatiearts van 2 december 1993 niet relevant kan zijn,
nu het bestreden besluit dateert van 20 oktober 1993 en de datum van
herziening 1 november 1993 betreft. Medische informatie, die naderhand
is verkregen, kan nooit een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming.
Derhalve heeft de rechtbank naar gedaagdes mening terecht geoordeeld dat
appellant van verouderde informatie is uitgegaan bij de besluitvorming.
Gedaagde blijft voorts van mening dat bij het opstellen van het
belastbaarheidspatroon onvoldoende rekening is gehouden met zijn nek- en
rugklachten en zijn psychische belastbaarheid.
Gedaagde is voorts van mening dat de functies van meteropnemer, junior
vertegenwoordiger en vertegenwoordiger koekbakkerij, alsmede chauffeur
personenvervoer buiten beschouwing moeten blijven.
Met betrekking tot het in aanmerking te nemen maatmaninkomen ten slotte
heeft gedaagde opgemerkt dat naar zijn mening niet moet worden uitgegaan
van het feitelijk door gedaagde genoten inkomen, maar van het bij de
schriftelijke arbeidsovereenkomst per 1 maart 1983 vastgelegde salaris
van f 4.340,80 exclusief vakantietoeslag, welk salaris in verband met de
financiële problemen van het bedrijf krachtens afspraak tussen
werkgever en werknemer slechts ten dele werd uitbetaald in afwachting
van betere tijden, die echter nooit zijn aangebroken.
De Raad is van oordeel dat de door appellant tegen de aangevallen
uitspraak aangevoerde grief doel treft.
De Raad overweegt daartoe dat het enkele feit dat er ongeveer 8 maanden
liggen tussen het laatste verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de datum
van het bestreden besluit onvoldoende is om te stellen dat het bestreden
besluit berust op verouderde, niet geactualiseerde gegevens. De Raad
wijst er in dit verband op dat de door gedaagde eind mei 1993 tegenover
de arbeidsdeskundige geuite medische klachten door de arbeidsdeskundige
zijn voorgelegd aan de verzekeringsgeneeskundige, die vervolgens heeft
geconcludeerd dat die klachten geen aanleiding geven tot bijstelling van
het belastbaarheidspatroon. De door gedaagde op 22 september 1993 gedane
melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft tot een adequate
reactie geleid. Een dergelijke, tijdens de zogeheten uitlooptermijn
gedane melding, noopt immers op zichzelf niet tot het opschuiven van de
effectueringsdatum van de afschatting, doch behoort wel aanleiding te geven tot
onderzoek met betrekking tot de vraag of de effectuering van de
afschatting gehandhaafd kan blijven. Een zodanig onderzoek is, op
verzoek van appellant, door de GMD verricht. In dit kader is gedaagde op
15 november 1993 door de verzekeringsgeneeskundige onderzocht. De
verzekeringsgeneeskundige heeft vervolgens recente informatie uit de
behandelende sector gevraagd en verkregen, waarna hij heeft
geconcludeerd dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende
advies geen wijziging behoefde.
Met betrekking tot het medische aspect van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling acht de Raad in het rapport d.d. 5
januari 1995 van de deskundige Van Weerden en diens brief d.d. 25 mei
1998 voldoende grondslag gelegen om de door de arbeidsdeskundige
geselecteerde functies, voor zover deze blijkens de desbetreffende
verwoordingen functiebelasting nekbelastend zijn, buiten aanmerking te
laten.
De Raad ziet geen aanleiding om de door de deskundige Van Weerden - op
psychische gronden - minder geschikt geachte functies buiten beschouwing
te laten, zulks gelet op de inhoud van het rapport van de psychiater
Weijmar Schultz.
Aldus vervallen de volgende functies:
FB- functie- functie- loonwaarde
code benaming nummer
4826 bezorger leesportefeuill 9548-0059-001 2.541,-
4722 verkooptelefonist 8451-0617-001 2.621,-
9858 chauffeur groepsvervoer 7221-0018-004 2.335,-
chauff klein groepsverv 8323-0054-001 2.409,-
en resteren de volgende functies:
FB- functie- functie- loonwaarde
code benaming nummer
3399 meteropnemer 4012-0093-001 3.073,-
4620 vertegenwoordiger jr. 2136-0009-003 4.040,-
vertegenwoordiger koekb. 2084-0160-001 2.337,-
4826 bezorger leesportefeuill 9548-0022-001 2.877,-
4816 bediende tankstation 6621-0996-001 2.674,-
4910 winkelbediende textielr 9832-0011-001 2.335,-
4722 tel. sales vertegenwoord 2729-0016-006 2.659,-
advertentie-acquisiteur 2729-0445-001 3.150,-
De mediane loonwaarde van de in aanmerking te nemen functies wordt aldus
bepaald uit de reeks 2.335,- / 2.674,- / 2.877,- / (2.659,- + 3.150,-) :
2 = 2.904,- / 3.073,- / (4.040,- + 2.337,-) : 2 = 3.188,-. De mediane
loonwaarde bedraagt derhalve (2.877,- + 2.904,-) : 2 = f 2.890,-.
Met betrekking tot het maatmaninkomen overweegt de Raad dat niet dient
te worden uitgegaan van het indertijd met (de rechtsvoorganger van)
gedaagdes laatste werkgever overeengekomen loon, nu gedaagde jarenlang
genoegen heeft genomen met een lager loon. Uitgangspunt bij de
vaststelling van het maatmaninkomen moet zijn het feitelijk genoten
loon. Blijkens het -door gedaagde voor akkoord ondertekende- 'rapport
inkomensonderzoek AAW/WAO' is dit loon op de eerste WAO-dag te stellen
op f 3.700,- bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag. Uit het
arbeidskundig rapport van 27 mei 1993 blijkt dat het maatmaninkomen op
onjuiste wijze is vastgesteld, namelijk op basis van "het huidige
dagloon". Op deze wijze is de arbeidsdeskundige gekomen tot een
maatmaninkomen van f 3.721,-. Het maatmaninkomen had echter, conform 's
Raads jurisprudentie, moeten worden vastgesteld door het loon per de
eerste WAO-dag te actualiseren naar de datum in geding. Actualisering
met behulp van de CBS-indexcijfers voor de regelingslonen van volwassen
werknemers per week en per maand in de relevante branche (in casu de
detailhandel) leidt tot een maatmaninkomen per datum in geding van f
3.700,- x 113.1 (indexcijfer november 1993) : 107.1 (indexcijfer maart
1992) = (afgerond) f 3.908,-.
Vergelijking van voormelde mediane loonwaarde met voormeld
maatmaninkomen leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van (3.908,-
- 2.890,-) : 3.908,- x 100% = 26%.
Gedaagdes uitkering is mitsdien bij het bestreden besluit terecht
herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr.
H.M.J.I. Steenbergen als leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E.
Scheepers-van Die als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11
september 1998.
(get.) J. Janssen.
(get.) H.E. Scheepers-van Die.
|
|