|
Uitspraak
98/7013
AAW en 98/7012 AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 27 maart 1998 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van het besluit waarbij is geweigerd haar bij wijze van
voorziening in het kader van artikel 57 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) een aangepaste bruikleenauto te
verstrekken.
Gedaagde heeft dit besluit, na bezwaar daartegen van appellante, bij
besluit van 20 juli 1998 gehandhaafd.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 14
september 1998 (onder meer) het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld en de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en
te bepalen dat aan appellante alsnog de gevraagde voorziening, te weten
een auto in bruikleen, moet worden toegekend met veroordeling van
gedaagde in de kosten van het geding dan wel een andere beslissing die
de Raad in goede justitie wil nemen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 17 november 1998 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 februari
1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Vermaat, voornoemd, als haar raadsman en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz, werkzaam bij Gak Nederland
BV.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid
en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"Eiseres is bekend met een progressieve spierziekte. Zij is met
ingang van 1 september 1994 de opleiding Agogie van de Hogeschool
West-Brabant in Breda gaan volgen, nu dit voor eiseres - bezien vanuit
haar woonplaats C. - de dichtstbijzijnde school was.
Naar aanleiding van een door eiseres gedane aanvraag voor vergoeding van
het schoolvervoer is door verweerder besloten over te gaan tot
vergoeding van rolstoeltaxivervoer voor het schooljaar 1994/1995.
Daarnaast is door de toenmalige zogeheten kleine commissie aan
verweerder verzocht tevens te onderzoeken of op grond van een
kosten-batenanalyse
verstrekking van een bruikleenauto aan eiseres niet voordeliger zou
zijn, terwijl ook een kostenraming diende te worden opgemaakt voor het
rijgeschikt maken van eiseres.
Na ontvangst van de arbeidskundige rapportage van 21 maart 1995 concludeert de kleine commissie dat
- gelet op de
combinatie van school- en leefvervoer - een bruikleenauto voor eiseres de
goedkoopst adequate voorziening is en ook met het oog op een toekomstige
werksituatie verstrekking van een bruikleenauto voordeliger zal
uitvallen. Hierbij dient echter nog wel onderzocht te worden of eiseres,
gelet op de progressiviteit van haar aandoening, rijgeschikt is te
maken. Na het behalen van het rijbewijs door eiseres zal dan een
beslissing volgen over een eventuele definitieve toekenning van een
bruikleenauto.
Bij besluiten van 20 september 1995 en 13 september 1996 is door
verweerder aan eiseres de vergoeding van het schoolvervoer - in de vorm
van rolstoeltaxivervoer - voor de respectievelijke schooljaren 1995/1996
en 1996/1997 voortgezet.
Nadat eiseres in maart 1997 haar rijbewijs heeft behaald, heeft zij in
april 1997 een bruikleenauto aangevraagd. Eiseres heeft daarbij
aangegeven dat haar studie - in verband met een stage in Utrecht - tot
eind september 1998 zal duren, waarna ze Orthopedagogiek aan de
universiteit in Utrecht wil gaan studeren, nu zij van mening is dat zij
hierdoor meer kans op de arbeidsmarkt zal maken.
Bij (primair) besluit van 27 maart 1998 heeft verweerder eiseresses
verzoek om haar op grond van artikel 57 van de AAW in aanmerking te
brengen voor een aangepaste bruikleenauto afgewezen. Wel is de
vergoeding van het schoolvervoer tot eind september 1998 verlengd en is
aan eiseres, op grond van gewekte verwachtingen, een vergoeding van het
noodzakelijk schoolvervoer in verband met de opleiding Orthopedagogiek
in Tilburg aangeboden.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiseresses bezwaren tegen dit
besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder, samengevat en
zakelijk weergegeven, overwogen dat de verstrekking van een aangepaste
bruikleenauto niet de goedkoopst mogelijke adequate voorziening is en er
door verstrekking een onredelijk beroep op de verzekering wordt gedaan.
Het arbeidsmarktperspectief is hierbij volledig buiten beschouwing
gelaten. Ten aanzien van eiseresses vervolgstudie in Utrecht is verweerder
van mening dat eiseres met de huidige studie een voldoende reële kans
op arbeid heeft en dat vanuit de visie van de AAW een vervolgstudie niet
noodzakelijk is. Ten aanzien van gewekte verwachtingen overweegt
verweerder dat daarvan geen sprake is. Hoewel eiseres in staat is
gesteld om rijlessen te volgen, zijn er ten aanzien van de verstrekking
van een bruikleenauto geen toezeggingen gedaan."
De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante (geboren 4 maart 1977) inmiddels woonachtig is in B. in een zogeheten
Fokus-woning, dat zij in verband met haar vervoersproblemen in het
studiejaar 1998/1999 nog geen aanvang met de studie Orthopedagogiek in
Utrecht heeft gemaakt en dat zij deze studie binnen twee en een half
jaar na aanvang kan afronden.
In eerste aanleg heeft appellante (samengevat) aangevoerd dat zij gelet
op haar leeftijd, net als haar niet gehandicapte leeftijdgenoten, zelf
mag bepalen welke opleiding zij volgt en dat gedaagde met het aanbod om
de kosten van vervoer ten behoeve van een te volgen HBO-studie orthopedagogiek te Tilburg te vergoeden eraan voorbij gaat dat die
studie haar keus niet is. Voorts is van de zijde van appellante erop
gewezen dat het bestreden besluit in strijd is met het door gedaagde in
dit kader gevoerde beleid en met de door de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid bij brief van 27 maart 1996 aan de toenmalige
Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging gegeven nadere precisering van zijn
standpunt met betrekking tot de verstrekking van voorzieningen op grond
van artikel 57, eerste lid, van de AAW aan personen die regulier
onderwijs volgen.
De rechtbank heeft het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak in
stand gelaten onder de overweging dat appellante ook zonder de gevraagde
voorziening in staat moet worden geacht met haar afgeronde HBO-opleiding
voldoende in haar eigen onderhoud te voorzien. Een universitaire
(vervolg)studie heeft de rechtbank niet een zodanig noodzakelijke stap
geacht dat gedaagde niet terecht de afweging heeft kunnen maken dat in
casu een onredelijk beroep op de AAW zou worden gedaan.
Alvorens zijn overwegingen te geven met betrekking tot de vraag of het
bestreden besluit stand houdt vermeldt de Raad het juridisch kader met
inachtneming waarvan dit besluit door gedaagde is genomen.
De onderhavige aanvraag is door appellante gedaan op grond van artikel
57, eerste lid, van de AAW. Deze bepaling en de daarop berustende
bepalingen van het KB van 1 maart 1994, Stb. 1994, 150 (Besluit AAW-voorzieningenverstrekking) als
nadien gewijzigd, zijn op grond van artikel 75 van de Wet van 23 april
1998, Stb 1998, 290 van toepassing gebleven voor voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet gedane aanvragen.
In het kader van artikel 9 van het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking
heeft de toenmalige Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB) bij besluit
van 20 juli 1995, Stcrt. 1996, 51, haar beleid met betrekking tot
voorzieningen voor het volgen van regulier onderwijs gewijzigd. Die
wijziging houdt, voor zover hier van belang, in dat de
bedrijfsvereniging vanaf 1 augustus 1995 het standpunt inneemt dat aan
een vroeggehandicapte die regulier basis- of middelbaar onderwijs volgt,
doch ook aan de vroeggehandicapte die aansluitend aan het voortgezet
onderwijs een opleiding op HBO of universitair niveau gaat volgen en
voor wie vanwege zijn handicap voorzieningen noodzakelijk zijn om dit
onderwijs te kunnen volgen, noodzakelijke voorzieningen in het kader van
artikel 57, eerste lid, van de AAW verstrekt worden voorzover de overige
voorwaarden voor verstrekking van een voorziening zich daartegen niet
verzetten en mits daardoor geen onredelijk beroep op de verzekering
wordt gedaan. De overige voorwaarden zijn te vinden in het Besluit
AAW-voorzieningenverstrekking en het beleid gebaseerd op dit besluit.
Anders dan tot 1 augustus 1995 staat bij bedoelde categorie geen
zelfstandige integrale beoordeling op de voorgrond met betrekking tot de
vraag in hoeverre de voorziening strekt tot daadwerkelijke reïntegratie
dan wel toetreding tot het arbeidsproces.
Gedaagde heeft het hiervoor omschreven beleid van de NAB overgenomen.
Dit geldt ook voor de bij schrijven van 27 maart 1996 gegeven nadere precisering van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van vorenomschreven beleid, inhoudende
voor zover hier van belang dat bij de beoordeling van een aanvraag voor
een voorziening het concrete arbeidsmarktperspectief van de aanvrager
buiten beschouwing dient te blijven, voorzover de belanghebbende vóór
het bereiken van de leeftijd van 27 jaar een studie heeft aangevangen.
Naar uit deze brief blijkt is voor de leeftijdsgrens van 27 jaar gekozen
omdat een dergelijke grens ook wordt gehanteerd in het kader van de Wet
op de studiefinanciering en de neerslag vormt van het uitgangspunt dat
de overheid zich verantwoordelijk acht om aan deze groep van personen
gelegenheid te bieden zich middels het volgen van onderwijs te
ontplooien.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad heeft, laatstelijk nog in zijn uitspraak van 29 april 1996 (kenmerk 95/1690 AAW), als zijn zienswijze kenbaar gemaakt
dat het in het kader van artikel 57, eerste lid, van de AAW te ver voert
om zonder meer en onder alle omstandigheden een voorziening ten behoeve
van het volgen van onderwijs door een gehandicapte te beschouwen als
een voorziening tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid in de zin van dat artikel. Vergoeding van de kosten,
samenhangend met een opleiding, bij wijze van zogenoemde werkvoorziening
in de zin van deze bepaling, kan in beginsel slechts aan de orde komen
als daarmee een adequate compensatie kan worden verkregen van het door
de handicap veroorzaakt of dreigend verlies aan verdiencapaciteit.
Het vorenomschreven op vroeggehandicapten als appellante toepasselijke
verruimde beleid met betrekking tot de verstrekking van voorzieningen
als hier aan de orde acht de Raad, gelet in het bijzonder op de
beperking in dit beleid tot de doelgroep van gehandicapte personen tot 27 jaar die in het algemeen geacht mogen worden een opleiding aan te
vangen met het oog op hun (verdere) kwalificatie voor de arbeidsmarkt
als algemeen uitgangspunt nog net te rijmen met de vorenomschreven
wettelijke omgrenzing.
De Raad acht mede tegen de achtergrond van die omgrenzing voorts niet
onaanvaardbaar dat in evenvermeld beleid de beperkende voorwaarde is
opgenomen dat geen onredelijk beroep op de verzekering wordt gedaan. In
dat kader kunnen in globale zin de aan een gevraagde werkvoorziening
verbonden kosten worden afgewogen tegen het met behulp van die
voorziening door de gehandicapte te behalen voordeel in termen van een
door de (voortgezette) opleiding te verwerven adequate compensatie van
het door de handicap veroorzaakt of dreigend verlies aan
verdiencapaciteit. Bij voormelde afweging kan onder meer in ogenschouw
worden genomen in hoeverre van de gehandicapte in redelijkheid kan
worden gevergd mee te werken aan een beperking van de aan de te treffen
voorziening verbonden kosten, dan wel zich daarbij (anderszins) zekere
beperkingen dient te getroosten.
De rechtbank heeft in haar hiervoor al weergegeven overwegingen met
betrekking tot evenvermelde belangenafweging zonder meer bepalend geacht
dat appellante met een afgeronde HBO-opleiding al in voldoende mate (met
arbeid) in haar onderhoud kan voorzien. Dit moet, gelet op het hiervoor
overwogene met betrekking tot het vigerende beleid in relatie tot het
arbeidsmarktperspectief, als een te stringente maatstaf worden
aangemerkt.
Het aan het bestreden besluit mede ten grondslag liggende standpunt van
gedaagde dat appellante met haar reeds voltooide HBO-opleiding een
voldoende reële kans op arbeid heeft, berust niet op enige (kenbare)
afweging als voormeld en strookt, gelijk zo-even is overwogen, niet met
het vorenvermelde vigerende beleid. De vraag of een aangepaste
bruikleenauto ten behoeve van de universitaire studie Orthopedagogiek in
Utrecht als een onredelijk beroep op de verzekering is aan te merken,
zoals bij het bestreden besluit is aangenomen, is niet uitsluitend aan
de hand van kostenafwegingen te maken, maar zal, zoals eerder is
overwogen, mede gerelateerd dienen te worden aan de vraag in hoeverre
van appellante medewerking valt te vergen bij de beperking van de aan de
te treffen voorziening verbonden aanzienlijke kosten, dan wel in
hoeverre zij zich daarbij (anderszins) zekere beperkingen dient te
getroosten.
Gelet op het vorenoverwogene zal gedaagde een nieuw besluit op het
bezwaar van appellante tegen het besluit in primo van 27 maart 1998
dienen te nemen. Daarbij kan onder meer de vraag aan de orde komen in
hoeverre van appellante kan worden gevergd in verband met haar studie te
verhuizen naar Utrecht, welke bezoekfrequentie, indien niet wordt
verhuisd, minimaal uit een oogpunt van het volgen van de opleiding
noodzakelijk is en welke alternatieven appellante voor het door haar
beoogde universitaire kwalificatieniveau in redelijkheid voorhanden
heeft.
Verder overweegt de Raad dat gedaagde door appellante de kosten van
rijlessen te vergoeden en te onderzoeken of een aangepaste auto door
appellante zou kunnen worden bestuurd wel verwachtingen heeft gewekt,
maar dat deze niet zodanig zijn dat haar om deze reden bij wijze van
vervoersvoorziening een aangepaste auto in bruikleen dient te worden
toegekend.
Ter voorlichting van appellante en ter voorkoming van ongerechtvaardigde
verwachtingen merkt de Raad, strikt genomen ten overvloede, voorts nog
op dat de vernietiging van het bestreden besluit geenszins betekent dat
gedaagde jegens appellante gehouden zou zijn een aangepaste
bruikleenauto bij wijze van vervoersvoorziening te verstrekken.
Al het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het bestreden besluit alsmede
de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor
vernietiging in aanmerking komen. Gedaagde zal op het bezwaar van
appellante tegen het besluit in primo van 27 maart 1998 een nieuw
besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak
is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op f 1.420,-- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd
en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het bestreden besluit van 20 juli 1998;
Verstaat dat gedaagde binnen 8 weken na heden een nieuw besluit op het
bezwaar van appellante neemt met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellante in beroep tot een
bedrag groot f 1.420,-- en in hoger beroep tot een bedrag van f
1.420,--, totaal derhalve f 2.840,--, te betalen aan de griffier van de
Raad;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 215,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 19 maart 1999.
(get.)
M.I. 't Hooft.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|