|
Uitspraak
96/2102
AAW/WAO en 97/8284 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Elektrotechnische
Industrie. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 23 februari 1995 heeft appellant de uitkeringen van
gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met
ingang van 13 april 1995 ingetrokken, respectievelijk herzien naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
De arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 9
januari 1996 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep
gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant
veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, griffierecht en
proceskosten.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de gronden,
uiteengezet in een aanvullend beroepschrift d.d. 13 juni 1996, is de
Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend
beroep alsnog ongegrond te verklaren.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, gedateerd 29 juli 1996.
Appellant heeft bij brief, bij de Raad ingekomen op 20 augustus 1997,
antwoord gegeven op bij brief van 21 april 1997 gestelde vragen van de
fungerend president van de Raad. Hierbij is tevens een besluit d.d. 18
augustus 1997 van appellant overgelegd, waarbij gedaagdes uitkeringen
ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 13 april 1995 zijn herzien en
nader zijn vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25
tot 35%.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 oktober
1997, waar appellant niet is verschenen, zoals tevoren was gemeld, en
waar namens gedaagde is verschenen mr. P.C.W. Meerbach, advocaat te
Utrecht.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1947, heeft zijn werkzaamheden als ijzerwerker,
welke hij verrichtte gedurende 58,5 uur per week, in verband met de
gevolgen van een bedrijfsongeval gestaakt op 24 augustus 1992. Nadat hij
gedurende de maximale periode een uitkering ingevolge de Ziektewet had
ontvangen, zijn aan hem aansluitend uitkeringen ingevolge de AAW en de
WAO verstrekt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%. Deze uitkeringen zijn met ingang van 16 februari 1994 herzien
en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Nu appellant het bestreden besluit d.d. 23 februari 1995, zoals
omschreven in rubriek I, niet langer handhaaft, komt dit besluit reeds
om die reden voor vernietiging in aanmerking. Nu voorts met het besluit
van 18 augustus 1997 niet geheel is tegemoetgekomen aan het beroep van
gedaagde, zal de Raad het beroep mede gericht achten tegen dit besluit
met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
In dit geding dient derhalve thans de vraag te worden beantwoord of
laatstgenoemd besluit, waarbij die uitkeringen met ingang van 13 april
1995 zijn herzien en nader zijn vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, in rechte stand kan houden.
De rechtbank heeft het besluit d.d. 23 februari 1995 vernietigd, waartoe
in hoofdzaak is overwogen dat dit besluit in arbeidskundig opzicht in
onvoldoende mate is onderbouwd, omdat onvoldoende aannemelijk is
geworden dat een combinatie van geduide functies tot een totale werktijd
van 58,5 uur per week voor gedaagde tot de reële mogelijkheden behoort.
Hierbij is overwogen dat de bewering van appellant dat alle functies ook
in deeltijd voorkomen en in de ochtend- en avonduren verricht kunnen
worden in dit verband te algemeen is, nu daarmee niets duidelijk is
geworden omtrent het aantal uren waarin en de tijdstippen waarop die
werkzaamheden verricht kunnen worden.
Van de zijde van appellant is in hoger beroep in grote lijnen betoogd
dat sinds de herziening van het stelsel van sociale zekerheid in 1987
arbeidsmarktfactoren geen rol meer dienen te spelen bij de vaststelling
van de mate van arbeidsongeschiktheid en dat dit met zich brengt dat
niet exact behoeft vast te staan op hoeveel uren en op welke tijdstippen
in de voorgehouden functies kan worden gewerkt, omdat dat veeleer
afhankelijk is van de behoefte van de werkgever. In casu zou de vraag of
de functies in feite gecombineerd kunnen worden tot een totale
arbeidsduur van 58,5 uur per week geen element zijn dat de schatting
regardeert, doch een arbeidsmarktfactor. Naar het oordeel van appellant
is slechts relevant of gedaagde op medische gronden in staat wordt
geacht tot het verrichten van werkzaamheden gedurende 58,5 uur per week,
hetgeen in casu het geval is.
Van de zijde van gedaagde is een en ander gemotiveerd bestreden.
De Raad kan appellant in voormeld betoog, dat ook ter onderbouwing van
het besluit d.d. 18 augustus 1997 wordt gehandhaafd, niet volgen en
overweegt hiertoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat het in beginsel ook voor de Raad aanvaardbaar is
dat bij het vaststellen van de resterende verdiencapaciteit van een
verzekerde die voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid overwerk
placht te verrichten en die op medische gronden nog in staat is te
achten gedurende het oorspronkelijk aantal werkuren arbeid te
verrichten, nevenfuncties worden geselecteerd en dat het daarmee te
verdienen inkomen in aanmerking wordt genomen ter compensatie van de
gederfde inkomsten uit overwerk. Daarbij dienen ook dergelijke
nevenfuncties te voldoen aan de eisen die in artikel 3 van het
Schattingsbesluit gesteld worden, zodat deze (neven) arbeid dient te
worden omschreven in de vorm van tenminste drie functies die tezamen
tenminste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.
Voorts overweegt de Raad dat ook na de stelselherziening in 1987
schattingen een zekere realiteitswaarde dienen te hebben. Voor gevallen
als het onderhavige, waarin sprake is van een maatmanfunctie welke qua
omvang een doorsnee voltijdfunctie te boven gaat, betekent dit naar het
oordeel van de Raad dat, wanneer gebruik wordt gemaakt van een, in
beginsel aanvaardbare, schatting op basis van voltijdfuncties en
deeltijdfuncties of meerdere deeltijdfuncties, ervoor moet worden
gewaakt dat de mogelijkheid om functies van die categorieën te
combineren niet illusoir is. De Raad verwijst in dit kader naar zijn
uitspraken, gepubliceerd in USZ 1997/5, USZ 1997/48 en RSV-actueel 1997/10.
In het onderhavige geval is ten tijde van de voorbereiding van het
besluit d.d. 23 februari 1995 in het geheel niet onderzocht of de
betreffende functies inderdaad in deeltijd voorkomen en of de werktijden
zodanig zijn dat de functies te combineren zijn. In hoger beroep heeft
appellant desgevraagd naar het oordeel van de Raad alsnog voldoende
aangetoond dat de aan gedaagde voorgehouden functies wel in deeltijd
voorkomen.
De Raad acht het hierbij echter eveneens van belang dat er mogelijkheden
bestaan de functies wat arbeidstijden betreft te combineren, hetgeen
betekent dat er geen combinaties van functies mogen worden voorgehouden
waarvan vaststaat dat de desbetreffende werkzaamheden dienen te worden
verricht op zodanige uren dat uitvoering daarvan door een persoon
onmogelijk is of redelijkerwijs niet van die persoon kan worden gevergd.
Nu een onderzoek naar evenvermelde mogelijkheden in het kader van de
voorbereiding van het besluit d.d. 23 februari 1995 noch in het kader
van de voorbereiding van het herzieningsbesluit d.d. 18 augustus 1997 is
ingesteld, is ook laatstgenoemd besluit naar het oordeel van de Raad
genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt, het beroep tegen het besluit d.d. 18 augustus 1997
gegrond dient te worden verklaard en dit besluit dient te worden
vernietigd.
De Raad acht voorts termen aanwezig om appellant met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde
in hoger beroep, welke worden begroot op f 1420,-- voor verleende
rechtsbijstand.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 630,-- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep voorzover gericht tegen het besluit van appellant
d.d. 18 augustus 1997 gegrond en vernietigt dit besluit;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1420,-;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 630,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. C.G.L. Plomp als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr.
G. van der Wiel als leden, in
tegenwoordigheid van P.C. Bax als griffier en uitgsproken in het
openbaar op 3 december 1997.
(get.) C.G.L. Plomp.
(get.) P.C. Bax.
|
|