|
Uitspraak
96/3005
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan deze
bedrijfsvereniging.
Gedaagde heeft bij brief van 21 december 1994 aan appellant kennis
gegeven van een besluit uit hoofde van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), houdende intrekking van zijn uitkering
ingaande 24 december 1994.
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 8 februari
1996 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is van deze uitspraak op bij beroepschrift uiteengezette
gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nog enkele malen stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 maart
1998, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.
Bonkes, advocaat te Coevorden, als zijn raadsman en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Kouwenhoven, werkzaam bij
GUO Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
Appellant, werkzaam als zelfstandige, was sinds 14 november 1982 in het genot van een uitkering ingevolge de AAW,
vastgesteld naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
In 1994 heeft gedaagde onderzocht of de mate van arbeidsongeschiktheid
nog juist was vastgesteld. Aangezien appellant zijn bedrijf inmiddels beλindigd
had is daarbij tot uitgangspunt genomen de resterende verdiencapaciteit
van appellant in loondienstfuncties, afgezet tegen zijn maatmaninkomen
bepaald aan de hand van de winstcijfers van het bedrijf voorafgaand aan
het intreden van de arbeidsongeschiktheid op 15 november 1981. Ten
aanzien van die winstcijfers vermeldt het aan de schatting ten grondslag
liggende arbeidskundige rapport dat appellant was verzocht de
jaarcijfers over de jaren 1979, 1980 en 1981 op te sturen, maar dat hij
had meegedeeld dat deze niet meer aanwezig waren. De arbeidsdeskundige
heeft de schatting daarop uitgevoerd aan de hand van de jaarcijfers over
1980 en 1981, welke nog aanwezig bleken te zijn in het AAW-dossier van
het GUO. Deze schatting leverde een inkomensverlies op van 13,6%,
hetgeen leidde tot het bestreden besluit, waarin de uitkering met ingang
van 21 december 1994 wordt ingetrokken. Dit besluit is door de rechtbank
in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellant alsnog de jaarcijfers over 1979
overgelegd, welke een hogere winst laten zien dan in de twee volgende
jaren. Met een beroep op de vaste jurisprudentie van deze Raad dat voor
de bepaling van het maatmanloon de winst over drie jaren in aanmerking
moet worden genomen heeft appellant gesteld dat hij ingedeeld dient te
blijven in de klasse van 25 tot 35%, aangezien met inachtneming van de
winst over 1979 het arbeidsongeschiktheidspercentage tot iets boven de
25 stijgt.
Gedaagde heeft dit laatste erkend, doch heeft bestreden dat de winst
over 1979 zou mogen meewegen, nu er volgens gedaagde geen bewijs
voorhanden is dat de fiscus het uit de boekhouding blijkende winstcijfer
destijds als juist heeft aanvaard.
De Raad stelt dienaangaande vast dat, naar uit de gedingstukken blijkt,
verificatie van het winstcijfer uit 1979 bij de fiscus thans niet meer
mogelijk is omdat aldaar de dossiers niet meer voorhanden zijn. De Raad
vindt hierin, anders dan gedaagde, echter geen aanleiding de winst uit
1979 zoals die uit de boekhouding van appellant blijkt voor de bepaling
van het maatmanloon buiten aanmerking te laten. De Raad wijst er daarbij
op dat met betrekking tot de jaarstukken over 1980 en 1981, die door
dezelfde boekhoudster waren opgesteld als die over 1979, ook geen bewijs
van aanvaarding door de fiscus voorhanden is geweest, zonder dat dit
gedaagde heeft belet deze cijfers in aanmerking te nemen voor de
schatting. Bovendien heeft appellant er terecht op gewezen dat, indien
de fiscus het winstcijfer over 1979 al verworpen zou hebben - volgens
een, niet met nadere stukken gestaafde, verklaring van de boekhoudster
is dit niet het geval geweest -, dit eerder tot een hogere dan tot een
lagere vaststelling van de winst zou hebben geleid en dus geen lager
arbeidsongeschiktheidspercentage zou hebben opgeleverd.
Het vorenstaande leidt er toe dat het bestreden besluit niet in stand
kan blijven en appellant per 24 december 1994 onverminderd aanspraak
heeft op een uitkering naar 25 tot 35%.
Ten aanzien van de door appellant gevorderde schadevergoeding in de vorm
van renteschade ziet de Raad, gelet op zijn jurisprudentie, waaronder de
uitspraak van de Raad van 6 januari 1996, Jurisprudentie Bestuursrecht
1996, 36, aanleiding om gedaagde met toepassing van artikel 8:73 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van die
schade, welke dient te worden berekend op voet van de artikelen 6:119 en
6:120 van het Burgerlijk Wetboek. In aanmerking genomen dat appellant,
hoewel de arbeidsdeskundige het daarom reeds in 1994 had gevraagd, eerst
in hoger beroep de jaarstukken over 1979 heeft geproduceerd omdat bij
hem kennelijk pas toen is opgekomen dat die stukken, waarvan hijzelf
afschriften had weggegooid, zich (ook) bij zijn boekhoudster zouden
kunnen bevinden, staat voor de Raad afdoende vast dat appellant bedoelde
stukken in een veel eerder stadium had kunnen inbrengen. Geconstateerd
moet dan ook worden dat het nemen en handhaven van het vernietigde
besluit ten dele (ook) aan appellant is toe te rekenen. De Raad ziet in
het vorenstaande aanleiding appellant de gevraagde schadevergoeding toe
te kennen eerst met ingang van 1 maart 1996, de eerste dag van de maand
waarin appellant de jaarstukken over 1979 heeft ingebracht.
Waar blijkens het vorenstaande het niet voorafgaand aan het bestreden
besluit produceren van de jaarstukken over 1979 aan appellant moet
worden toegerekend, is de Raad van oordeel dat in de gegeven
omstandigheden niet kan worden gesproken van redelijkerwijs gemaakte
proceskosten. De Raad ziet dan ook geen aanleiding gedaagde met
toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten
van appellant.
Tenslotte dient gedaagde het door appellant in eerste aanleg en in hoger
beroep gestorte griffierecht, in totaal f 200,-, te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde tot schadevergoeding als hierboven aangegeven;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 200,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. H.J. Grendel en mr.
F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr.
S. Breuls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 1998.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) S. Breuls.
|
|