|
Uitspraak
98/1442
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de
betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de
plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze
uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij brief van 17 januari 1996 heeft gedaagde geweigerd appellant in het
kader van artikel 57, eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) in aanmerking te brengen voor een
vergoeding van de scholingskosten verbonden aan de opleiding tot
verpleegkundige arbeid en gezondheid.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft gedaagde bij besluit
van 24 april 1996 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 15
januari 1998 het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Namens appellant heeft mr. H.M. Schuh, werkzaam bij de rechtskundige
dienst van de FNV, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De
beroepsgronden zijn bij aanvullend beroepschrift van 3 juli 1998
aangevuld door mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Utrecht.
Gedaagde heeft bij schrijven van 14 augustus 1998 van verweer gediend.
Bij brief van 2 december 1998 heeft gedaagde nadere inlichtingen
verstrekt.
Appellant heeft bij brief van 24 maart 1999 daarop gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 juli
1999, waar appellant, met kennisgeving, niet is verschenen. Gedaagde,
daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich doen vertegenwoordigen door mr.
S.I. Zwaanenburg, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren in 1953, is op 22 augustus 1994 tengevolge van
rugklachten voor zijn werk van verpleegkundige uitgevallen. Na ommekomst
van de zogeheten wachttijd van 52 weken zijn appellant uitkeringen
toegekend ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk, ingaande
21 oktober 1995, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15
tot 25%. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant weliswaar niet
meer geschikt is te achten zijn oude werkzaamheden van verpleegkundige
op de operatiekamer te verrichten, maar nog wel in staat moet worden
geacht met voor hem geschikte werkzaamheden een zodanig loon te
verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit beperkt blijft tot 15
tot 25%.
Bij brief van 2 oktober 1995 heeft appellant aan gedaagde verzocht hem
in aanmerking te brengen voor een vergoeding van kosten, welke verbonden
zijn aan het volgen van de opleiding verpleegkundige voor arbeid en gezondheid, die een jaar duurt en in totaal f 6.500,-- kost.
Bij besluit van 17 januari 1996 heeft gedaagde die aanvraag afgewezen
omdat de gevraagde voorziening niet leidt tot behoud, herstel of
bevordering van de arbeidsgeschiktheid. In het bijzonder heeft gedaagde
die afwijzing doen steunen op de overweging dat de gevraagde scholing
een specifieke scholing betreft tot werken bij een arbodienst en de door
gedaagde benaderde arbodiensten vanwege hun onduidelijke toekomst geen
personeel aannemen.
Bij het op bezwaar genomen bestreden besluit heeft gedaagde zich wederom
op het standpunt gesteld dat de gevraagde scholing niet leidt tot
behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid nu de
voorwaarde voor scholing, te weten het aanwezig zijn van enig
arbeidsperspectief, ontbreekt. Daarbij heeft gedaagde erop gewezen dat
er geen mogelijkheden op de plaatselijke arbeidsmarkt zijn om als
bedrijfsverpleegkundige bij een arbodienst aan de slag te komen, dat
diverse arbodiensten daarvoor waren benaderd en dat ook bij de afdeling
Marketing van de Arbeidsvoorziening Rijnmond geen aanvragen, c.q.
vacatures bekend waren.
In beroep heeft appellant erop gewezen dat niet alleen
bedrijfsverpleegkundigen bij Arbo-diensten, maar ook bij bedrijven en
instellingen nodig zijn. Voorts heeft appellant aangevoerd dat bij
uitzendbureaus voldoende vacatures voor bedrijfsverpleegkundigen bekend
zijn en dat hij zo nodig ook bereid is voor zijn werk te verhuizen,
zodat niet alleen de plaatselijk arbeidsmarkt van belang is.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat de noodzaak van scholing ontbreekt, nu enerzijds appellant nog een
zeer respectabele restverdiencapaciteit heeft, die hij kennelijk middels
het verrichten van andere functies, waarvoor geen nadere opleiding nodig
is, kan benutten en anderzijds, zoals appellant ter zitting heeft
meegedeeld, hij ondanks het gemis van deze scholing op basis van zijn
niet geringe relevante verpleegkundige ervaring erin is geslaagd,
weliswaar voor de duur van het betreffende project, als arbo/bedrijfskundig
verpleegkundige aan de slag te komen. Tevens heeft de rechtbank het niet
onzorgvuldig geacht dat gedaagde ter beantwoording van de vraag of er op
basis van de betreffende scholing meer arbeidsmarktperspectief was,
alleen op het advies van de Arbeidsvoorziening Rijnmond is afgegaan, nu
dit Bureau op dit specifieke terrein als deskundig kan worden
aangemerkt.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat bij het
bestreden besluit ten onrechte alleen rekening is gehouden met bij het
Arbeidsbureau aangemelde vacatures. Voorts heeft appellant zich tegen de
overweging van de rechtbank gekeerd dat hij ook zonder opleiding aan de
slag kan komen en aangevoerd dat het hem nog immer niet was gelukt een
vaste baan al bedrijfsverpleegkundige te verkrijgen.
Gedaagde heeft bij verweerschrift het bij het bestreden besluit
ingenomen standpunt gehandhaafd dat uit (telefonisch) verkregen
informatie was gebleken dat bij de vijf grootste arbodiensten van
Nederland ten tijde van de aanvraag geen behoefte aan
bedrijfsverpleegkundigen bestond. Voorts heeft gedaagde ter zitting
nader het standpunt ingenomen dat achteraf bezien het beter ware geweest
als bij de voorbereiding van het bestreden besluit de noodzaak van
scholing van gedaagde was onderzocht.
Wettelijk kader
De onderhavige aanvraag is door appellant gedaan op grond van artikel
57, eerste lid, van de AAW. Deze bepaling en de daarop rustende
bepalingen van het KB van 1 maart 1994, Stb. 1994, 150 (Besluit
AAW-voorzieningenverstrekking) als nadien gewijzigd, zijn op grond van
artikel 75 van de Wet van 23 april 1998, Stb. 1998, 290 van toepassing
gebleven voor voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet gedane
aanvragen.
In het kader van artikel 9 van het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking
heeft het bestuur van de toenmalige Bedrijfsvereniging voor de
Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen (BVG) bij Besluit
beleidsregels vergoeding scholingskosten AAW BVG van 24 mei 1995, Stcrt. 1995, 155 zijn beleid met betrekking tot
voorzieningen voor het vergoeden van kosten van scholing gewijzigd. Die
wijziging houdt in dat ook tot vergoeding van scholingskosten kan worden
overgegaan indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat betrokkene na afronding van de
scholing duurzaam in het arbeidsproces kan worden ingepast. Uit de
toelichting bij dit Besluit blijkt onder meer dat de gewenste scholing noodzakelijk moet zijn, dat
de scholing, gelet op betrokkenes capaciteiten haalbaar is, dat er geen
ander goedkoper en adequaat redelijk alternatief is om duurzame reďntegratie
te bewerkstelligen en dat er een zekere proportionaliteit is tussen de
kosten van de opleiding en de mogelijke besparing aan uitkeringen.
Voorts blijkt uit de toelichting dat het bestuur van de BVG bij het
formuleren van voormelde beleidsregels rekening heeft gehouden met de
aanbevelingen van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming (Tica), die zijn neergelegd in Mededeling M. 35.20 van 20
maart 1995. In laatstbedoelde mededeling heeft het Tica zijn beslissing
aan de toenmalige bedrijfsvereniging kenbaar gemaakt dat scholing aan
arbeidsongeschikten met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot
25 op basis van artikel 57, eerste lid van de AAW kan worden vergoed.
Daarbij moet worden voldaan aan de voorwaarde dat van hen na afloop van
de scholing redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij duurzaam in het
arbeidsproces kunnen worden ingepast. Gedaagde heeft dit beleid niet
overgenomen en vervallen verklaard (Stcrt. 1997, 74).
De Raad overweegt als volgt.
Naar de Raad reeds eerder als zijn zienswijze heeft kenbaar gemaakt
(vide onder meer zijn uitspraak van 19 maart 1999, kenmerk 98/7013 AAW)
voert het in het kader van artikel 57, eerste lid, van de AAW te ver om
zonder meer en onder alle omstandigheden een voorziening ten behoeve van
het volgen van onderwijs door een gehandicapte te beschouwen als een
voorziening tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid in de zin van dat artikel. Vergoeding van de kosten,
samenhangend met een opleiding, bij wijze van zogenoemd werkvoorziening
in de zin van deze bepaling, kan in beginsel slechts aan de orde komen
als daarmee een adequate compensatie kan worden verkregen van het door
de handicap veroorzaakt of dreigend verlies aan verdiencapaciteit.
Het vorenomschreven ten tijde hier in geding geldende beleid dat op
appellant van toepassing is, acht de Raad gelegen binnen vorenomschreven
wettelijke omgrenzing.
De Raad acht mede tegen de achtergrond van die omgrenzing voorts niet
onaanvaardbaar dat in evenvermeld beleid de beperkende voorwaarde is
opgenomen dat een zekere proportionaliteit bestaat tussen de kosten van
de opleiding en de besparing aan uitkeringen. In dat kader kunnen in
globale zin de aan een gevraagde werkvoorziening verbonden kosten worden
afgewogen tegen het met behulp van die voorziening door de gehandicapte te behalen voordeel in termen van een
door de (voortgezette) opleiding te verwerven adequate compensatie van
het door de handicap veroorzaakt of dreigend verlies aan
verdiencapaciteit.
De rechtbank heeft in haar hiervoor al weergegeven overwegingen met
betrekking evenvermelde belangenafweging zonder meer bepalend geacht dat
appellant met zijn opleiding en ervaring nog een zeer respectabele
restcapaciteit heeft en dat hij die ook, zij het tijdelijk, heeft benut.
Dit moet, gelet op het hiervoor overwogene met betrekking tot het toentertijd vigerende beleid en de positie daarin van de categorie
arbeidsongeschikten van 15-25% waartoe appellant behoort, als een te
stringente maatstaf worden aangemerkt.
Het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt van gedaagde dat met de gevraagde opleiding geen redelijke
kans bestaat op daadwerkelijke plaatsing van appellant in een functie
van bedrijfsverpleegkundige acht de Raad niet te berusten op in dit
kader voldoende te achten onderzoek. Gedaagde heeft volstaan telefonisch
navraag te doen bij een aantal arbodiensten. Verslaglegging van hetgeen
daarbij is besproken ontbreekt. Voorts heeft appellant zich gebaseerd op
verklaringen van het arbeidsbureau te Middelharnis en Arbeidsvoorziening
Rijnmond waaruit alleen valt af te leiden dat in de tweede helft van
1995 en de eerste helft van 1996 nagenoeg geen vacatures bij de
arbeidsbureaus in de regio Rijnmond zijn gemeld. Daarnaast heeft
gedaagde zich gebaseerd op de mededeling van laatstgenoemde instelling
dat deze weliswaar geen gegevens heeft over de vacatures voor de functie
van bedrijfsverpleegkundige waarvoor via andere kanalen wordt geworven,
maar dat het onwaarschijnlijk moet worden geacht dat het daarbij om
aantallen van enige betekenis zou gaan.
Gedaagde had zich verdere inspanning kunnen en derhalve behoren te
getroosten, bij voorbeeld door navraag te doen bij (gespecialiseerde)
uitzendbureaus en bij grote bedrijven en instellingen in de regio waar
de aanwezigheid van de functie van bedrijfsverpleegkundige mag worden
verondersteld. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat, gelet op de
kosten van de voorgenomen opleiding van f 6.500,-- enerzijds en de
daardoor te bereiken besparing van uitkering anderzijds, de hier te
maken afweging zeker niet zonder meer ten nadele van appellant behoeft
uit te vallen. Dit in aanmerking nemend had in het kader van de
gevalsbehandeling van gedaagde verwacht mogen worden meer informatie te
vergaren omtrent de met behulp van de voorgenomen opleiding te
realiseren arbeidsmogelijkheden. Dat die inspanning op voorhand niet tot
een positief resultaat zou hebben geleid, acht de Raad niet aannemelijk
bij het licht van de eigen inspanningen van appellant onder meer
blijkend uit het overleggen van advertenties waarin
bedrijfsverpleegkundigen worden gevraagd.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het bestreden besluit in
strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) is genomen en deswege met de aangevallen uitspraak, waarbij dit
besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.
Appellant heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de schade aan de
kant van appellant ex artikel 8:73 van de Awb.
Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt
vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat
gedaagde een nader besluit dient te nemen.
Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke
schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nader besluit zal
gaan luiden.
Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht moeten
besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en f 710,-- voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn
niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellant in beroep tot een bedrag
groot f 1.420,-- en in hoger beroep tot een bedrag van f 710,--, totaal
derhalve f 2.130,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 215,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. Th.M.
Schelfhout en mr. Tj. Gerbranda als leden, in tegenwoordigheid van mr.
drs. A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20
augustus 1999.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|