|
Uitspraak
98/3047
AAW/WAO en 99/1297 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije
Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 7 november 1996 heeft gedaagde het uitkeringspercentage
van de eerder aan appellante toegekende uitkeringen krachtens de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over de in dat besluit genoemde
periode met 5% verlaagd.
De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 4 maart
1998 het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard en het besluit van 7 november 1996 vernietigd.
Appellant heeft tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Met inachtneming van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde bij besluit
van 29 april 1998 wederom het uitkeringspercentage over de in dat besluit genoemde periode met vijf
procent verlaagd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 juni
1999, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde - zoals te
voren aangekondigd - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
1. Feiten die de Raad als vaststaand aanneemt
Blijkens de gedingstukken ontvangt appellant sedert 27 november 1979
uitkeringen krachtens de AAW en de WAO berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 6 november 1996 heeft
appellant telefonisch aan de administrateur van gedaagde meegedeeld dat
hij de beschikking had gekregen over een flat in Spanje en dat hij met
ingang van 27 november 1996 voor een langere periode naar Spanje zou
vertrekken. Voorts deelde hij mee dat, als het goed zou bevallen, hij
definitief daar zou blijven. Uit het betreffende telefoonrapport blijkt
dat aan appellant is verteld dat hij dit twee maanden van te voren had
moeten aanvragen en blijkt tevens dat hij op de consequenties van zijn
vertrek is gewezen.
Bij brief van 7 november 1996 heeft gedaagde appellant
"toestemming" verleend om voor een periode van een half jaar
naar Spanje te gaan. Voorts heeft gedaagde op die datum het in hoger
beroep bestreden besluit ten aanzien van appellant genomen.
Overeenkomstig zijn voornemen is appellant op 27 november 1996 naar
Spanje vertrokken. Daarbij heeft hij in dit geding gesteld dat hij in
verband met de consequenties van een langer verblijf dan vier weken in
Spanje het voornemen had binnen deze termijn naar Nederland terug te
keren, maar dat hij als gevolg van diverse omstandigheden toch eerst in
januari 1997 is teruggekeerd naar Nederland.
2. Het geschil
Genoemd besluit van 7 november 1996 heeft onder meer de volgende inhoud:
"Uit onze gegevens is gebleken dat u met ingang van 27 november
1997 voor een langere duur naar Spanje vertrekt. Dit moet minimaal 2
maanden van tevoren worden aangevraagd.
Hiermee heeft u de voorschriften van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) overtreden.
Namens het bestuur van de bedrijfsvereniging is besloten over de periode
van 2 december 1996 tot 30 december 1996 een sanctie toe te passen van
5%.
Het bij uw mate van arbeidsongeschiktheid behorende uitkeringspercentage
wordt daarom verlaagd met 5%.
Het gesanctioneerde uitkeringspercentage bedraagt derhalve 70% - 5% =
65%."
De rechtbank heeft dat besluit vernietigd onder overweging van het
navolgende:
"Verweerder heeft als uitgangspunt genomen dat eiser zich niet
heeft gehouden aan het controlevoorschrift om voor vertrek naar het
buitenland voor een langere periode dan vier weken daarvan minimaal twee
maanden voor vertrek mededeling te doen aan het bestuur van de
bedrijfsvereniging.
De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Uit de gedingstukken blijkt
dat eiser op 7 november 1996 telefonisch melding heeft gemaakt van het
feit dat hij met ingang van 27 november 1996 voor langere tijd naar
Spanje vertrekt. Weliswaar heeft eiser aangevoerd dat hij ruim voor zijn
vertrek bij het GAK in een ander gebouw (waar de WW-afdeling is
gevestigd) is geweest om melding te maken van zijn vertrek naar Spanje.
Hierop heeft verweerders gemachtigde ter zitting aangevoerd dat van een
dergelijk gesprek geen loketrapport of een telefoonrapport is opgemaakt
en dat eveneens op geen enkele ander wijze duidelijk is geworden dat
eiser ruim voor 7 november 1996 melding heeft gemaakt van zijn vertrek
naar Spanje.
De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat nu in het dossier geen
enkele aanwijzing is te vinden voor een melding voor 7 november 1996,
eiser eerst op de laatstgenoemde datum op controleerbare wijze melding
van zijn vertrek heeft gemaakt.
Hiermee heeft eiser het controlevoorschrift, om voor vertrek naar het
buitenland voor een langere periode van vier weken daarvan minimaal twee
maanden voor vertrek mededeling te doen aan het bestuur van de
bedrijfsvereniging, overtreden.
Deze overschrijding legt ingevolge artikel 25 van de WAO op verweerder
de verplichting om een maatregel op te leggen.
Met betrekking tot de hantering van deze verplichting gaat verweerder
uit van het Maatregelenbesluit Tica. Toepassing gevend aan dit besluit
heeft verweerder beslist om eiser gedurende de periode van 2 december
1996 tot 30 december 1996 een sanctie op te leggen van 5%.
Deze maatregel past op zich bij de omschrijving van de overtreding en
kan als zodanig te toetsing van de rechtbank doorstaan.
Toch is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand
kan blijven omdat zij strijdt met de bepalingen in de artikelen 3:46 en
3:47 Awb, inhoudende dat het besluit dient te berusten op een
deugdelijke motivering en dat die motivering in het besluit moet worden
opgenomen.
De rechtbank heeft daartoe het volgende laten wegen.
Noch uit het bestreden besluit, noch uit de overige gedingstukken blijkt
dat toepassing is gegeven aan het bepaalde in de artikelen 20, tweede
lid van de AAW en 29, tweede lid van de WAO, waarin is bepaald dat
indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de bedrijfsvereniging
kan afzien van het opleggen van een maatregel.
Ter zitting is namens verweerder aangegeven dat ervan wordt uitgegaan
dat de primaire afdeling nagaat of er sprake is van een dringende reden.
Wordt er geen opmerking gemaakt over een dringende reden dan moet worden
aangenomen dat een dringende reden niet aanwezig is.
De rechtbank acht een dergelijke gang van zaken niet toelaatbaar,
aangezien op deze wijze volstrekt oncontroleerbaar wordt welke aspecten
in de beoordeling zijn betrokken. Dit klemt in de onderhavige situatie
temeer nu evenmin is gebleken dat bij eiser is geďnformeerd naar de
oorzaak van de te late melding, of dat eiser op andere wijze zijn
standpunt kenbaar heeft kunnen maken, zodat verweerder niet alle van
belang zijnde factoren bij zijn besluit heeft kunnen meewegen en zich
een oordeel heeft kunnen vormen over de verwijtbaarheid van de
gedraging. Hiermee heeft verweerder verzuimd zich een oordeel te vormen
over het gestelde in artikel 4, tweede lid, van het bovengenoemde
Maatregelenbesluit, die de mogelijkheid geeft om bij verminderde
verwijtbaarheid de sanctie te stellen op 2%."
In hoger beroep is de juistheid van de aangevallen uitspraak bestreden
voor zover daarbij is overwogen dat de maatregel als zodanig de toetsing
van de rechtbank kon doorstaan. Daarbij is van de kant van appellant
staande gehouden dat hij tijdig zijn voornemen tot vertrek naar Spanje
kenbaar heeft gemaakt.
3. Het wettelijk kader
De artikelen 18 van de AAW en 27 van de WAO (zoals luidend tot 1 maart
1997) bepalen dat de bedrijfs-vereniging bevoegd is
controlevoorschriften vast te stellen en dat deze voorschriften niet
verder mogen gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering
van deze wetten. Met ingang van 1 maart 1997 komt deze bevoegdheid aan
het Lisv toe.
Met gebruikmaking van deze bevoegdheid heeft de Bedrijfsvereniging voor
Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen
Controlevoorschriften vastgesteld, waarvan artikel 7, tweede lid,
bepaalt dat de uitkeringsgerechtigde die voor langer dan vier weken naar
het buitenland vertrekt, daarvan tenminste twee maanden voor zijn
vertrek mededeling doet aan het Bestuur.
Deze Controlevoorschriften zijn per 1 januari 1998 door het Lisv
ingetrokken en vervangen door de Controlevoorschriften WAO, WAZ, Wajong
1998. In artikel 6, tweede volzin, van die Controlevoorschriften is
bepaald dat de uitkeringsgerechtigde die voor langer dan vier weken naar
het buitenland vertrekt, hiervan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee
weken voor vertrek mededeling doet aan de uitvoeringsinstelling.
Ingevolge de artikelen 19, aanhef en onder d, van de AAW en 28, aanhef
en onder d, van de WAO (zoals luidend tot 1 maart 1997) weigert de
bedrijfsvereniging de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk, indien de belanghebbende de hiervoor bedoelde
controlevoorschriften niet of niet behoorlijk is nagekomen. Een
dergelijke maatregel dient op grond van de artikelen 20, eerste lid, van
de AAW en 29, eerste lid, van de WAO (zoals luidend tot 1 januari 1998)
te worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
belanghebbende de gedraging kan worden verweten. Het tweede lid van
genoemde artikelen bepaalt voorts dat indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn de bedrijfsvereniging kan besluiten van het opleggen van
een maatregel af te zien.
Op grond van de artikelen 20, vierde lid, (oud) van de AAW en 29, vierde
lid,(oud) van de WAO heeft het Tica nadere regels gesteld ten aanzien
van de op te leggen maatregelen (Maatregelenbesluit Tica). Voor gevallen
als het onderhavige is in artikel 4, eerste lid, van het
Maatregelenbesluit Tica bepaald dat de hoogte en duur van de maatregel
5% gedurende vier weken bedraagt. Indien de mate van verwijtbaarheid van
de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft,
bedraagt ingevolge het tweede lid van genoemd artikel de hoogte van de
maatregel 2%.
Voorts dient te worden vermeld dat artikel 12 van het Maatregelenbesluit
Tica voor zover hier van belang bepaalt dat de maatregel ingaat op de
eerste dag van de overtreding.
4. Beoordeling van het bestreden besluit van 7 november 1996
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant het hierboven
genoemde controlevoorschrift heeft overtreden. Ook de Raad acht het
onvoldoende aannemelijk dat appellant tenminste twee maanden voor zijn
vertrek naar Spanje op behoorlijke wijze mededeling heeft gedaan van
zijn vertrek naar Spanje op 27 november 1996. Hieraan kan al hetgeen
appellant ter zake heeft aangevoerd, niet afdoen. De Raad wil weliswaar
niet uitsluiten dat appellant wellicht op een kantoor van gedaagdes
administrateur over dit onderwerp een informatief gesprek heeft gevoerd,
maar de Raad acht - gelet op het ontbreken van iedere schriftelijke
vastlegging - in rechte onvoldoende aannemelijk geworden dat appellant
tijdig een voldoende concrete mededeling over zijn vertrek per 27
november 1996 naar Spanje aan gedaagde heeft gedaan. Voorts is van
belang dat voor zijn vertrek naar Spanje appellant op geen enkele wijze
aan gedaagde heeft laten weten dat zijn intentie om langer dan vier
weken weg te blijven was gewijzigd.
Desondanks komt gedaagde naar het oordeel van de Raad niet de
bevoegdheid toe de onderhavige maatregel over het tijdvak van 2 december
1996 tot 30 december 1996 op te leggen, nu deze maatregel strijdig is
met hiervoor genoemde artikel 12 van het Maatregelenbesluit Tica.
Ingevolge dit artikel gaat de maatregel in op de eerste dag van de
overtreding. Van een overtreding van het aan de orde zijn
controlevoorschrift is naar het oordeel van de Raad dan ook sprake op
het tijdstip dat alle elementen van de omschrijving van de overtreding
zijn vervuld.
Derhalve is overeenkomstig de door de Raad ter zake gevormde
jurisprudentie bedoeld controlevoorschrift overtreden op het moment dat
een belanghebbende naar het buitenland vertrekt met voornemen daar
langer dan vier weken te blijven. Dit betekent dat in het onderhavige
geval reeds op 27 november 1996 het controlevoorschrift was overtreden
en de maatregel op die dag diende in te gaan.
Het vorenstaande betekent dat het door de rechtbank in stand gelaten
deel van het besluit van 7 november 1996 dient te worden vernietigd
wegens strijd met artikel 12 van het Maatregelenbesluit Tica, zodat de
aangevallen uitspraak met verbetering van gronden dient te worden
bevestigd.
5. Het besluit van 29 april 1998
Zoals in rubriek I is vermeld heeft gedaagde na vernietiging van het
besluit van 7 november 1996 bij de aangevallen uitspraak op 29 april
1998 wederom een besluit genomen naar aanleiding van meergenoemd
verblijf van appellant in Spanje. Dit besluit luidt onder meer als
volgt:
"Uit onze gegevens is gebleken dat u op 27 november 1996 naar het
buitenland, te weten Spanje, bent vertrokken voor een verblijf van
langer dan vier weken.
Dat vertrek heeft u Gak Nederland bv. gemeld op 7 november 1996.
Daarmee heeft u niet voldaan aan de in de controlevoorschriften van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen opgenomen verplichting om van
een vertrek naar het buitenland van langer dan vier weken tenminste twee
maanden voor het vertrek mededeling te doen aan Gak Nederland bv.
In verband daarmee is Gak Nederland bv. verplicht een maatregel op te
leggen. Dat houdt in dat een korting moet worden toegepast op uw
uitkering conform het Maatregelenbesluit.
Voor de door u niet nagekomen verplichting is volgens het
Maatregelenbesluit de hoogte en duur van de maatregel 5% gedurende een
periode van vier weken.
Daarbij is rekening gehouden met de ernst van de overtreding.
Indien de mate van verwijtbaarheid van uw gedraging of nalatigheid
daartoe aanleiding geeft, kan de hoogte van de maatregel op een lager
percentage worden gesteld. Indien iedere verwijtbaarheid ontbreekt,
wordt geen maatregel opgelegd.
Als reden voor het niet nakomen van uw verplichting heeft u aangegeven
dat u niet wist dat u dit tijdig moest melden.
Gak Nederland bv. ziet daarin echter geen aanleiding u het niet nakomen
van uw verplichting niet of in verminderde mate te verwijten.
Indien een zelfde soort verplichting binnen twee jaar wederom niet of
niet behoorlijk is nagekomen, dient de op te leggen maatregel met de
helft te worden verhoogd.
De wet biedt de mogelijkheid om vanwege een dringende reden af te zien
van het opleggen van de maatregel.
Er zijn Gak Nederland bv. geen omstandigheden gebleken die aanleiding
geven om vanwege een dringende reden van oplegging van een maatregel af
te zien.
Op grond van bovenstaande heeft Gak Nederland bv. besloten dat een
maatregel wordt opgelegd van 5% over de periode van 27 september 1996
tot 25 oktober 1996. Bij een uitkeringspercentage van 70% is het
kortingspercentage 70/70 x 5% = 5%."
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat dit besluit moet worden
aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb). Nu dit besluit niet geheel of gedeeltelijk
tegemoet komt aan het beroep van belanghebbende, wordt het beroep van
appellant geacht mede gericht te zijn tegen dit besluit.
De Raad constateert dat blijkens de bewoordingen van het besluit van 29
april 1998 toepassing wordt gegeven aan de Controlevoorschriften van het
Lisv. Deze voorschriften, die - zoals uit het bovenstaande blijkt -
overigens eerst met ingang van 1 januari 1998 in werking getreden zijn,
leggen slechts de verplichting op uiterlijk twee weken voor vertrek
mededeling te doen aan het uitvoeringsorgaan. Derhalve kunnen deze
Controlevoorschriften geen grondslag vormen voor de opgelegde maatregel.
Uit vorenstaande vloeit voort dat het beroep dat appellant geacht moet
worden hebben ingesteld tegen het besluit van 29 april 1998 gegrond moet
worden verklaard en dat besluit dient te worden vernietigd.
6. Wettelijke rente en proceskosten
Namens appellant is verzocht gedaagd te veroordelen in door appellant
geleden schade op grond van artikel 8:73 van de Awb. De Raad oordeelt
hierover als volgt.
Nu niet valt uit te sluiten dat nog nadere besluitvorming van gedaagde
zal plaatsvinden, kan in dit geding de hoogte van de schade niet worden
vastgesteld, zodat het verzoek van appellant thans door de Raad moet
worden afgewezen.
De Raad acht tenslotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van
de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant die hij
in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten
maken. Deze kosten worden gelet op de inhoud van de brieven van
appellant ddis 14 mei 1999 en 2 juni 1999 begroot op de reiskosten per
openbaar vervoer in verband met de behandeling van het geding ter
zitting van de Raad. Gelet op de door appellant verschafte gegevens
begroot de Raad de redelijkerwijs gemaakte kosten op f 589,- (Boekarest-Amsterdam)
alsmede f 38,74 reiskosten in Nederland.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede artikel 25 van de
Beroepswet acht de Raad voorts termen aanwezig te bepalen dat het door
appellant in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
Uit vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep dat appellant geacht worden te hebben ingesteld
tegen het besluit van 29 april 1998 gegrond;
Vernietigt het besluit van 29 april 1998;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag van f 627,74;
Bepaalt dat gedaagde aan het appellant het gestorte recht van f160 dient
te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden in tegenwoordigheid van mr. B.
Fijnheer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 september
1999.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) B. Fijnheer.
|
|