|
Uitspraak
98/401 AAWAO, 98/404 AAWAO, 98/405 AAWAO, 98/406 AAWAO, 98/410 AAWAO,
98/412 AAWAO, 98/414 AAWAO, 98/416 AAWAO, 98/417 AAWAO, 98/419 AAWAO,
98/491 AAWAO, 98/424 AAWAO, 98/432 AAWAO, 98/495 AAWAO, 97/12202 AAWAO,
98/421 AAWAO, 98/423 AAWAO, 98/425 AAWAO, 98/534 AAWAO, 98/537 AAWAO,
98/765 AAWAO, 98/427 AAWAO, 97/11792 AAWAO, 98/120 AAWAO, 98/764 AAWAO,
98/763 AAWAO, 98/873 AAWAO, 98/876 AAWAO, 98/430 AAWAO, 98/434 AAWAO,
98/436 AAWAO, 98/533 AAWAO, 97/11925 AAWAO, 97/11966 AAWAO, 97/11976
AAWAO, 97/11954 AAWAO, 97/11956 AAWAO, 97/11957 AAWAO, 97/11958 AAWAO en
97/11960 AAWAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
L B.V., gevestigd te M, gedaagde 1 en 2,
O B.V., gevestigd te Z, gedaagde 3,
B B.V., gevestigd te D, gedaagde 4,
B, beiden wonende te G, vennoten van de VOF, gevestigd te M, gedaagde
5,
H B.V., gevestigd te G, gedaagde 6,
L, wonende te P, gedaagde 7,
G B.V., gevestigd te D, gedaagde 8,
R B.V., gevestigd te Z, gedaagde 9,
K, gevestigd te A, gedaagde 10 en 11,
H B.V., gevestigd te D, gedaagde 12,
J, wonende te D, gedaagde 13 en 14,
E B.V., gevestigd te V, gedaagde 15,
T B.V., gevestigd te A, gedaagde 16,
A B.V., gevestigd te A, gedaagde 17,
E B.V., gevestigd te A, gedaagde 18,
C B.V., gevestigd te T, gedaagde 19,
V, gevestigd te O, gedaagde 20,
S, gevestigd te B, gedaagde 21,
H, gevestigd te D, gedaagde 22,
J, wonende te M, h.o.d.n. F, gedaagde 23,
G B.V., gevestigd te B, gedaagde 24,
F B.V., gevestigd te A, gedaagde 25,
S B.V., gevestigd te A, gedaagde 26,
C B.V., gevestigd te A, gedaagde 27,
V B.V., gevestigd te A, gedaagde 28,
W, wonende te B, gedaagde 29,
G B.V., gevestigd te M, gedaagde 30,
C B.V., gevestigd te R, gedaagde 31,
M B.V., gevestigd te B, gedaagde 32,
S, gevestigd te R, gedaagde 33,
C B.V., gevestigd te K, gedaagde 34,
Z N.V., gevestigd te B, gedaagde 35,
A B.V., gevestigd te B, gedaagde 36,
C B.V., gevestigd te O, gedaagde 37,
J B.V., gevestigd te IJ, gedaagde 38,
V B.V., gevestigd te IJ, gedaagde 39,
N B.V., gevestigd te H, gedaagde 40.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt appellant in de plaats van de
betrokken bedrijfsvereniging(en). In het onderhavige geval is het Lisv
in de plaats getreden van de hierna genoemde bedrijfsverenigingen. In
deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van
deze bedrijfsverenigingen.
Appellant is bij gemachtigden mrs. W.P.J.M. van Gestel, C.J.G. van den
Berk, J.A.M. der Weduwen, E. van Daatselaar en A. van der Giessen, allen
werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. (hierna: Cadans), op bij
aanvullende beroepschriften van 30 januari 1998, 6 februari 1998 en 9
februari 1998 aangevoerde gronden, in hoger beroep gekomen van door de
rechtbanken te Dordrecht, Haarlem, Amsterdam en Breda onder dagtekening
respectievelijk 5 december 1997, 11 november 1997, 19 december 1997 en 5
en 10 december 1997 gewezen uitspraken, waarbij besluiten van appellant
dan wel diens rechtsvoorgangers de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel,
Ambachten en Huisvrouwen (hierna: Detam) en de Bedrijfsvereniging voor
de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen (hierna: BVG),
tot oplegging van een geldelijke bijdrage -een zogeheten malus-
ingevolge artikel 59i (oud) van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(hierna: AAW) op diverse gronden zijn vernietigd (gedingen 1 tot en met
22).
Voorts is appellant bij gemachtigde mr. H. de Rooy, werkzaam bij GUO
Uitvoeringsinstelling B.V. (hierna: GUO), op bij aanvullende
beroepschriften d.d. 29 januari 1998, 9 februari 1998, nader aangevuld
op 31 maart 1998 en 13 februari 1998, aangegeven gronden, in hoger
beroep gekomen van door de rechtbanken te 's-Gravenhage, Breda en
Amsterdam onder dagtekening respectievelijk 30 oktober 1997, 10 december
1997 en 19 december 1997 gewezen uitspraken, waarbij besluiten tot
oplegging van een malus van appellant, dan wel diens rechtsvoorganger de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven,
eveneens op diverse gronden zijn vernietigd (gedingen 23 tot en met 26).
Appellant is ten slotte bij gemachtigden mrs. P.J. van den Muijsenberg en P.J. van Ogtrop, werkzaam bij Gak
Nederland B.V. (hierna: Gak), op bij aanvullende beroepschriften d.d. 18
februari 1998, 6 februari 1998 en 23 januari 1998 aangegeven gronden, in
hoger beroep gekomen van door de rechtbanken te Amsterdam, Breda, 's-Gravenhage en Haarlem, onder dagtekening respectievelijk 19 december
1997, 10 december 1997, 30 oktober 1997 en 11 november 1997 gewezen
uitspraken, waarbij eveneens besluiten tot malusoplegging van appellant,
dan wel van diens rechtsvoorganger de Bedrijfsvereniging voor Bank- en
Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen, zijn vernietigd
(gedingen 27 tot en met 40).
Namens het merendeel van de gedaagden is van verweer gediend.
Bij brief van 19 februari 1998 - met afschriften aan de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Voorzitter van het College van
toezicht sociale verzekeringen (hierna: Ctsv) - heeft de fungerend
President van de Raad aan appellant om inlichtingen verzocht.
Bij brief van 26 februari 1998 heeft mr. N. Hoogstrate, werkzaam bij het
Gak, aan de Raad inlichtingen verstrekt omtrent het al dan niet
handhaven van de ingestelde hoger beroepen.
Bij brieven van 11 maart en 1 april 1998, met bijlagen, heeft het Ctsv
desgevraagd aan de Raad inlichtingen verstrekt.
Bij brief van 7 april 1998 heeft J.F. Buurmeijer, voorzitter van
appellant, aan de Raad inlichtingen verstrekt omtrent de wijze en de
mate van uitvoering van de malusregeling.
Bij faxbericht van 15 april 1998 heeft het Gak aan de Raad desgevraagd
een kopie toegezonden van de zogenaamde Quick scan malus (hierna: Quick
scan), een rapport d.d. 27 augustus 1997 over een onderzoek door
appellant naar de uitvoering van de malusregeling.
Bij faxbericht van eveneens 15 april 1998 heeft het Gak aan de Raad nog
een kopie toegezonden van een cijfermatig overzicht van de
malusoplegging per 15 december 1997.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 16 april
1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mrs. W.P.J.M.
van Gestel en C.J.G. van den Berk, voornoemd, door mr. H. de Rooy,
voornoemd, en door mrs. A.I. van der Kris, P.J. van den Muijsenberg en I. Pardaan, werkzaam bij het Gak.
Gedaagde 1 en 2 heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.E. Kleiweg de Zwaan, advocaat te Dordrecht,
gedaagden 4, 22 en 35 door mr. L.R.T. Peeters, advocaat te Dordrecht,
gedaagde 6 door mr. B. Peek, advocaat te Arnhem, gedaagde 8 door mr
W.A.A. van Kuijk, juridisch adviseur te Tilburg, gedaagde 9 door mr. S.
van der Linden-Alblas, bedrijfsjurist Centrale Branchevereniging Wonen
te Zeist, gedaagde 15 door mr. J.A. Bosch, werkzaam bij Fenecon Business
Services B.V. te Amsterdam, gedaagde 16 door mr. T.S. Pieters, advocaat
te Amsterdam, gedaagden 17, 18 en 27 door mr. A.J.G. Tazelaar, advocaat
te Amsterdam, gedaagde 19 door mr. R.J. Bor, staffunctionaris Juridische
Zaken bij Facilicom Bedrijfsdiensten, gedaagde 21 door mr. F. de Bos, werkzaam bij VB Juridische Adviseurs te
Nieuwegein, gedaagde 23 door mr. P. Memelink, advocaat te 's-Gravenhage,
gedaagde 24 door mr. R.M.C.M. Bogers, advocaat te Tilburg, gedaagde 25
door mr. E.H. Servatius, advocaat te Amsterdam, gedaagde 26 door mr. D.C.M.
Achterberg, juridisch medewerker bij Westelijke Land- en Tuinbouw
Organisatie te Haarlem, gedaagde 30 door mr. N. Lorenzo van Rooij,
juridisch medewerker bij Rassers, Jacobse & Spiegel Advocaten te
Breda, gedaagde 33 door mr. J.F.T. Zegwaard, hoofd juridische zaken bij
gedaagde, gedaagde 36 door mr. R.B.M. van Poorten, advocaat te Haarlem,
gedaagde 39 door mr. E.M.A. Hindriks, werkzaam bij Schönau
Bedrijfsjuridisch Adviseurs te Utrecht, gedaagde 40 door P. Wijnhof,
directeur van gedaagde.
De gedaagden 3, 5, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 20, 28, 29, 31, 32, 34, 37 en
38, hebben zich, al dan niet met kennisgeving, niet doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De gedingen betreffen een veertigtal besluiten waarbij aan gedaagden een
geldelijke bijdrage ingevolge artikel 59i (oud) van de AAW is opgelegd, waartegen gedaagden bij
respectievelijk de rechtbanken te 's-Gravenhage, Haarlem, Dordrecht,
Amsterdam en Breda, en vervolgens ook bij wege van verweer bij de Raad
een groot aantal bezwaren hebben aangevoerd.
Het meest ver gaande bezwaar is dat door deze besluiten het
gelijkheidsbeginsel is geschonden. De Raad zal dit bezwaar het eerst
behandelen.
De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter
zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Met de Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume is per 1 maart
1992 in artikel 59i e.v. van de - inmiddels volledig ingetrokken - AAW een
als geldelijke bijdrage aangeduide 'malus' ingevoerd. Deze malusregeling
is enkele keren met terugwerkende kracht gewijzigd, een en ander zoals
weergegeven in rubriek 3.1 van de uitspraak van de Raad van 15 februari
1995, in de zaken TAV-AAW 1994, 2 e.a., onder andere gepubliceerd in RSV
1996/214, JB 1995, 64, AB 1995, 426 en AA 1995, p. 497.
In voormelde uitspraak van 15 februari 1995 heeft de Raad aangegeven dat
appellants rechtsvoorgangers, de besturen van de betreffende
bedrijfsverenigingen, bij de toen in geding zijnde malusopleggingen in
strijd hebben gehandeld met het motiveringsbeginsel, en ten overvloede
overwogen hoe appellants rechtsvoorgangers alsnog wel rechtmatig
uitvoering zouden kunnen geven aan de malusregeling.
Naar aanleiding van voormelde uitspraak van 15 februari 1995 heeft het -
inmiddels weer opgeheven - Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming (hierna: Tica) in een advies van 15 maart 1995, nr. M95.18,
aan de besturen van de bedrijfsverenigingen richtlijnen gegeven voor de
verdere uitvoering van de malusregeling. Deze richtlijnen zijn blijkens
een publicatie in Staatscourant 1997, 74, door appellant in eigen
beleidsregels omgezet.
In juni 1995 heeft de regering een wetsvoorstel tot Wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten (Wet afschaffing
malus en bevordering reïntegratie) bij de Tweede Kamer ingediend
(Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24 221). Dit
wetsvoorstel heeft uiteindelijk geleid tot de Wet van 2 november 1995
tot wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten (Wet afschaffing
malus en bevordering reïntegratie), Stb. 1995, 560. Deze wet, die op 1
januari 1996 in werking is getreden, wordt hierna aangeduid als de Wet
Amber.
In artikel I, onderdeel F, van de Wet Amber is bepaald dat hoofdstuk IIIb van de AAW, omvattende de artikelen 59b tot en met 59n, vervalt. In
artikel XIV van de Wet Amber is als overgangsrecht het volgende bepaald:
"Paragraaf 2 van hoofdstuk IIIb van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals deze paragraaf luidde vóór de datum
van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet, blijft
van toepassing op geldelijke bijdragen die aan de bedrijfsvereniging
verschuldigd zijn op grond van artikel 59i, tweede lid, van die wet voor
personen wier eerste dag van ongeschiktheid tot werken, bedoeld in het
eerste lid van dat artikel, is gelegen vóór 1 juli 1993."
Kort samengevat komt deze overgangsregeling erop neer dat in daarvoor in
aanmerking komende gevallen de verplichting tot betaling van een malus
wordt gehandhaafd terzake van de arbeidsongeschiktheid van die
werknemers die vóór 1 juli 1993 arbeidsongeschikt zijn geworden, en
die na 1 maart 1992 recht op toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) hebben gekregen of
van wie na 1 maart 1992 de WAO-uitkering is verhoogd wegens toename van
hun arbeidsongeschiktheid.
Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wet Amber heeft bij de wetgever de
wens vooropgestaan om wel de malusregeling af te schaffen, maar zulks
niet met terugwerkende kracht te doen, en daarbij alle betreffende
werkgevers zoveel mogelijk gelijk te doen behandelen door hen allen in
daarvoor in aanmerking komende gevallen te verplichten tot het betalen
van een malus ter zake van de arbeidsongeschiktheid van de hiervoor
bedoelde arbeidsongeschikte werknemers. Aldus zouden gelijk moeten
worden behandeld díe werkgevers die tegen een malusbesluit niet of niet
tijdig in beroep zijn gekomen, en voor wie het malusbesluit derhalve
rechtens onaantastbaar is geworden, díe werkgevers die wel, en
doorgaans met succes, bij de rechter tegen een malusbeluit in beroep
zijn gekomen, en díe werkgevers die - kennelijk wegens een door een
bestuur van een bedrijfsvereniging gestelde lage prioriteit - nog in het
geheel niet met een malusbesluit geconfronteerd zijn geworden.
Nadat de Wet Amber het Staatsblad had bereikt, heeft het Tica in een
advies van 12 december 1995, nr. M95.121, de besturen van de toenmalige
bedrijfsverenigingen nadere richtlijnen gegeven voor de verdere
inhoudelijk uitvoering van de malusregeling. Deze nadere richtlijnen
zijn blijkens een publicatie in Staatscourant 1997, 74, door appellant
eveneens in eigen beleidsregels omgezet.
In ieder geval uiterlijk begin 1996 stonden de rechtsvoorgangers van
appellant, de besturen van de bedrijfsverenigingen, derhalve voor de
vraag hoe zij uitvoering zouden geven aan de uitdrukkelijke wens van de
wetgever om alsnog tot het nemen van malusbesluiten ten aanzien van de
daarvoor in aanmerking komende werkgevers over te gaan.
In januari 1996 heeft de zogeheten Beoordelingscommissie van de
Bedrijfsvereniging voor het Vervoer als eerste niettemin besloten zich
bij de vernietiging van eerdere malusbesluiten door de rechter neer te
leggen en in verloren beroepszaken niet opnieuw tot oplegging van een
malus over te gaan. Dit besluit is in februari 1996 door het bestuur
bekrachtigd. De zogeheten Kleine Commissie van de Bedrijfsvereniging
voor de Metaalindustrie en de Elektrotechnische Industrie heeft in april
1996 een soortgelijk besluit genomen, door het bestuur bekrachtigd in
juni 1996. Ten slotte heeft de zogeheten Beleidsvoorbereidende Commissie
van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid nog in januari 1997
dit voorbeeld gevolgd.
De besturen van de overige bedrijfsverenigingen zijn op basis van de
Tica-richtlijnen wel overgegaan tot oplegging van malussen conform het
overgangsrecht van de Wet Amber, ook in gevallen waarin een eerder
malusbesluit door de rechter was vernietigd.
Appellant, vanaf 1 maart 1997 bevoegd tot en verantwoordelijk voor de
uitvoering van de malusregeling, heeft op verzoek van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de
uitvoeringsinstellingen via Mededeling M 97.25 gewezen op het belang van
handelen conform de Tica-richtlijnen bij het afwikkelen van de
malusregeling. Niettemin heeft appellant besloten de hiervoor vermelde
besluiten van de besturen van de drie voormelde bedrijfsverenigingen
(hierna: de drie bedrijfsverenigingen) tot het voeren van een
tegenwettelijk beleid niet ongedaan te maken. Zulks is blijkens de
hierna te bespreken Quick scan nog in augustus 1997 expliciet onder ogen
gezien. Het gevolg is dat aan werkgevers die waren aangesloten bij een
van de drie bedrijfsverenigingen, uitsluitend een malus is opgelegd in
gevallen waarin niet reeds een eerdere malusoplegging door de rechter
was vernietigd.
Wel heeft appellant op 4 juni 1997 naar aanleiding van een klacht van de
werkgeversorganisatie VNO-NCW, besloten om bij de door hem gemandateerde
uitvoeringsinstellingen een klein aantal dossiers te laten toetsen op de
mate waarin de richtlijnen van het Tica, en derhalve inmiddels zijn
eigen beleidsregels, inzake malusoplegging zijn opgevolgd. Dit onderzoek
is in rubriek I van deze uitspraak aangeduid als de "Quick
scan".
Uit deze Quick scan d.d. 27 augustus 1997 komen onder andere de volgende
gegevens naar voren.
Uitvoeringsinstelling Gak diende circa 18.000 dossiers te beoordelen
waarvan 11.000 destijds verloren beroepszaken; uitvoeringsinstelling
Cadans diende in totaal circa 12.000 gevallen te beoordelen, waarvan
circa 6.000 afkomstig van de BVG en circa 6.000 afkomstig van de Detam;
uitvoeringsinstelling GUO diende circa 2.000 gevallen te beoordelen,
waarvan 300 destijds verloren beroepszaken; uitvoeringsinstelling SFB
Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V. (hierna: SFB) diende
circa 2.600 gevallen te beoordelen, waarvan 1.600 destijds verloren
beroepszaken.
Ten tijde van de rapportage op 27 augustus 1997 was de malusoperatie
nagenoeg geheel afgerond, waarbij voor het SFB gold dat deze in
afwachting van de resultaten van een aantal proefprocedures de overige
zaken had aangehouden. Het overgrote deel van de betrokken werkgevers
had tegen het malusbesluit bezwaar gemaakt dan wel beroep ingesteld.
Bij de Quick scan is aan iedere uitvoeringsinstelling voor één kantoor
gevraagd een lijst te leveren van zaken waarin een malusbeoordeling had
plaatsgevonden. In het kader van de Quick scan zijn in totaal 51
dossiers beoordeeld. Onder deze 51 dossiers bevond zich een veertiental
gevallen waarin wel een malusbeoordeling had plaatsgevonden, maar geen
malus was opgelegd. In 35 gevallen was een malus opgelegd en in twee zou
dat nog gebeuren. Aan de hand van een checklist werden de dossiers
bekeken.
Bij toetsing aan de aanbevelingen van het Tica blijkt de
uitvoeringspraktijk volgens het rapport een zeer divers beeld te bieden.
De vraag of in bepaalde gevallen een malusoplegging achterwege moest
blijven wegens onvoldoende reïntegratieactiviteiten van de
bedrijfsvereniging of de uitvoeringsinstelling, is door de verschillende
uitvoeringsinstellingen uiteenlopend beantwoord. Dat geldt ook voor de
vraag hoe te handelen bij een weigering van reïntegratie door de
betreffende werknemer.
Soms werd geen rapportage aan de werkgever gestuurd.
Gebeurde dat wel, dan varieerden de rapportages aan de werkgever van
zeer summier tot zeer uitgebreid, zowel in de weergave van de medische
gegevens als in die van de arbeidskundige gegevens. In twee gevallen
waren de medische gegevens niet voldoende getranscribeerd. Van de 31
gevallen waarbij een rapport van de arbeidsdeskundige aanwezig was,
bevatte dit rapport in negen gevallen onvoldoende gegevens, en was geen
enkel rapport geheel conform de Tica-richtlijnen. Inzake het horen van
de werkgever wordt geconcludeerd dat in negen gevallen de werkgever niet
of onvoldoende is gehoord. Inzake de motivering van de malusbesluiten
bestaat ook een grote variëteit, waarbij door de onderzoekers wordt
geconcludeerd dat van de 35 besluiten vermoedelijk twintig besluiten
onvoldoende gemotiveerd zijn.
De eindconclusie van deze toetsing luidt dat er een heel divers beeld is
van de afhandeling van de malusdossiers en dat er besluiten zijn genomen
die het op grond van het motiveringsbeginsel waarschijnlijk bij de
rechter niet zullen halen.
Appellant heeft van de onderzoekers die de Quick scan hebben verricht,
het advies gekregen om een coördinerende taak te vervullen en om met de
uitvoeringsinstellingen op het niveau van de directie te spreken over de
uitkomsten van de Quick scan en over een zorgvuldige uitvoering van de
malus.
Ter zitting van de Raad kon de vraag of zulke gesprekken ook hebben
plaatsgevonden, door de gemachtigden van appellant niet worden
beantwoord.
Bij de in rubriek I van deze uitspraak vermelde brief van 1 april 1998
heeft het Ctsv medegedeeld naar aanleiding van de resultaten van de
Quick scan geen nader onderzoek meer te hebben gedaan. Evenmin is
gebleken dat het Ctsv ter zake van de uitvoering van de malusregeling
enige andere actie heeft ondernomen.
Het in rubriek I van deze uitspraak vermelde cijfermatig overzicht van
de malusoplegging per december 1997 biedt nog de volgende informatie.
Bij het Gak was het aantal te beoordelen gevallen 15.963, waarvan per
september 1997 7.362 malussen waren opgelegd, en nog 63 gevallen moesten
worden afgehandeld, terwijl het aantal beroepszaken eind juni 1997 1.181
was en het aantal ingediende bezwaarschriften eind juni 1997 2.299.
Bij het GUO was het aantal te beoordelen gevallen 3.816, waarvan per
half augustus 1997 1.074 malussen waren opgelegd, geen gevallen meer
moesten worden afgehandeld, terwijl het aantal beroepszaken 267 was en
het aantal ingediende bezwaarschriften 3.
Bij het SFB was het aantal te beoordelen gevallen ca. 2.600, waarvan 9
malussen waren opgelegd, en nog circa 2.500 gevallen moesten worden
afgehandeld, terwijl het aantal beroepszaken 8 was.
Bij Cadans was het aantal te beoordelen gevallen 13.721, waarvan 3.049
malussen waren opgelegd, geen gevallen meer moesten worden afgehandeld,
terwijl het aantal beroepszaken circa 1.300 was en het aantal ingediende
bezwaarschriften circa 375.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt voorop dat de besluiten van de besturen van de drie
bedrijfsverenigingen tot het voeren van een - ook in het geheel niet met
andere bedrijfsverenigingen of het Tica gecoördineerd - tegenwettelijk
beleid, gezien het dwingende karakter van de malusregeling, gezien de
uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever met het overgangsrecht van de
Wet Amber en gezien het ontbreken van adequate rechtvaardigingsgronden
op het eerste gezicht onrechtmatig lijken te zijn. Noch deze besluiten
tot het voeren van een tegenwettelijk beleid zelf, noch de daarmee in
overeenstemming zijnde beslissingen tot het niet opleggen van een malus
staan echter in de onderhavige gedingen ter beoordeling van de Raad.
Gelet echter op het feit dat deze drie bedrijfsverenigingen een zeer
aanzienlijk aandeel in de toepassing van de malusregeling hebben en het
feit dat de gelijkheid bij de uitvoering van de Wet Amber ter discussie
staat, vormt deze constatering op zichzelf een relevant element bij de
beoordeling door de Raad van de voorliggende geschillen.
Wel ter beoordeling van de Raad staan de bestreden besluiten die hetzij
door appellant zelf zijn genomen na 1 maart 1997, hetzij door de rechtsvoorgangangers van
appellant zijn genomen voor 1 maart 1997.
Appellant heeft erkend dat het door hem niet ongedaan maken van het
tegenwettelijke beleid van de besturen van de drie bedrijfsverenigingen
afbreuk doet aan de uniforme uitvoering van de malusregeling waartoe hij
bevoegd en waarvoor hij verantwoordelijk is. Ter rechtvaardiging van
deze keuze heeft appellant in eerste aanleg en in de (aanvullende)
beroepschriften in hoger beroep aangevoerd dat hij het belang van het
honoreren van gewekte verwachtingen (rechtszekerheid) moest afwegen
tegen het belang van een uniforme uitvoering van de malusregeling
(gelijkheid), en daarbij gezien de voorgeschiedenis noodgedwongen wel
moest kiezen voor de rechtszekerheid. Ter zitting van de Raad is namens
appellant echter verklaard dat, gezien de tegen dit standpunt
aangevoerde bezwaren die onder andere pregnant zijn geformuleerd in de
aangevallen uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, deze keuze niet
rechtens dwingend was en dat appellant ook rechtmatig had kunnen kiezen
voor het wel ongedaan maken van de besluiten van de besturen van de drie
bedrijfsverenigingen tot het voeren van het hiervoor bedoelde
tegenwettelijke beleid.
De Raad staat derhalve voor de vraag of - gegeven de nu eenmaal door
appellant gemaakte keuze om voornoemde besluiten van de besturen van de
drie bedrijfsverenigingen niet ongedaan te maken - de door appellant
genomen of niet ongedaan gemaakte bestreden besluiten tot een
malusoplegging rechtmatig zijn.
Naar het oordeel van de Raad is dit niet het geval.
Daarbij weegt voor de Raad allereerst zwaar dat er een duidelijk
verschil is ontstaan tussen de behandeling van díe werkgevers die
aangesloten waren bij de drie bedrijfsverenigingen en door deze
geconfronteerd waren geweest met een eerdere malusoplegging, en alle
andere werkgevers. Dit verschil zou echter rechtens nog gerechtvaardigd
kunnen worden indien - gegeven de nu eenmaal door appellant gemaakte
keuze - in ieder geval overigens zoveel mogelijk de wens van de wetgever
tot een gelijke behandeling van alle andere werkgevers was
gerespecteerd. Dit laatste is evenwel niet het geval.
Uit het geheel van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden komt
veeleer het beeld naar voren dat - onder de auspiciën en de
verantwoordelijkheid van appellant - door toedoen van de gemandateerde
uitvoeringsinstellingen een rechtens onaanvaardbare verscheidenheid in
uitvoering van de malusregeling is ontstaan, waartegen noch primair door
appellant, noch subsidiair door het Ctsv - hoewel op de hoogte - adequaat
is opgetreden.
Allereerst heeft appellant uitdrukkelijk of stilzwijgend gedoogd dat een
van de vier onder zijn verantwoordelijkheid werkende gemandateerde
uitvoeringsinstellingen, het SFB, ervoor heeft gekozen om slechts in
negen gevallen een malus op te leggen, verder de tegen deze besluiten te
verwachten procedures als proefprocedures te beschouwen en overigens de
wens van de wetgever tot een beoordeling - binnen een redelijke termijn
-
van de mogelijkheid van een oplegging van een malus in alle overige
circa 2.500 daarvoor in aanmerking komende gevallen eenvoudigweg te
negeren.
Blijkens de resultaten van de Quick scan en blijkens de aan de Raad in
de onderhavige procedures ter beoordeling staande dossiers is ook
overigens sprake van grote verschillen in de uitvoeringspraktijk. Zo
loopt blijkens de stukken in de voorliggende dossiers de kwaliteit van
de voorbereiding van de (bestreden) besluiten en de hiervoor
noodzakelijke rapportages van de arbeidsdeskundige sterk uiteen en
ontbreekt deze rapportage soms geheel. Verder is soms de werkgever niet
in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op deze rapportage te geven.
Ook loopt de kwaliteit van de motivering van de (bestreden) besluiten
sterk uiteen. Deze verschillen treden zowel op bij een vergelijking van
besluiten die afkomstig zijn van verschillende uitvoeringsinstellingen,
alsook van besluiten die afkomstig zijn van een enkele
uitvoeringsinstelling. Daarnaast loopt ook de kwaliteit van de medische
transcriptie sterk uiteen.
Van een consistente toepassing van de procedurele en inhoudelijke
Tica-richtlijnen, respectievelijk de beleidsregels van appellant zelf,
blijkt ook volgens appellant zelf niet dan wel onvoldoende sprake te
zijn. Daardoor is - zoals ook in de Quick scan is aangegeven - de kans
groot dat in een groot aantal van de duizenden bij de rechtbanken en de
Raad aanhangige beroepszaken het bestreden besluit niet blijkt te
voldoen aan de in de voornoemde uitspraak van 15 februari 1995 van de
Raad neergelegde eisen, zoals die vervolgens zijn vertaald in de
Tica-richtlijnen, en dat deze besluiten door de rechter zullen worden
vernietigd. Daarmee zal opnieuw - grotendeels op basis van toeval - een
aantal werkgevers een onherroepelijke malusoplegging worden bespaard.
Meer in het algemeen kan derhalve gesteld worden dat appellant zelf, zijn rechtsvoorgangers, zijn gemandateerde
uitvoeringsinstellingen en het Ctsv zich onvoldoende hebben gekweten van
hun taak en verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat na de invoering
van de Wet Amber de malusregeling conform de uitdrukkelijke wens van de
wetgever op uniforme wijze zou worden uitgevoerd.
Kortom, zoals ook in de aangevallen uitspraak van de rechtbank
's-Gravenhage is overwogen, de verschuldigdheid van een malus is
afhankelijk geworden van een groot aantal min of meer toevallige
factoren, waardoor de door de wetgever beoogde gelijke en uniforme
benadering op evidente wijze in haar tegendeel is omgeslagen.
Onder deze omstandigheden komt het resultaat van de gevolgde wijze van besluitvorming, zoals dat tot uitdrukking komt in de bestreden
besluiten, zozeer in strijd met de eis van een consistente
beleidsvoering, dat de bestreden besluiten in strijd zijn met het in
artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
besloten liggende verbod van willekeur, en kunnen de bestreden besluiten
zelfs een terughoudende rechterlijke toetsing daaraan niet doorstaan.
Gezien het voorgaande kunnen de ingestelde hoger beroepen niet slagen en
komen de aangevallen uitspraken, zij het met verbetering dan wel
aanvulling van de gronden, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep
waarbij de Raad gelet op de complexiteit van de onderhavige gedingen,
een waardering 'zeer zwaar' gerechtvaardigd acht.
De kosten worden begroot op:
f 1.420,-- voor gedaagde 1 en 2,
f 1.420,-- voor gedaagde 4,
f 1.420,-- voor gedaagde 6,
f 1.420,-- voor gedaagde 7,
f 2.840,-- voor gedaagde 8,
f 2.840,-- voor gedaagde 9,
f 1.420,-- voor gedaagde 10 en 11,
f 1.420,-- voor gedaagde 12,
f 2.840,-- voor gedaagde 15,
f 2.840,-- voor gedaagde 16,
f 2.840,-- voor gedaagde 17,
f 2.840,-- voor gedaagde 18,
f 2.840,-- voor gedaagde 21,
f 1.420,-- voor gedaagde 22,
f 2.840,-- voor gedaagde 23,
f 2.840,-- voor gedaagde 24,
f 2.840,-- voor gedaagde 25,
f 1.420,-- voor gedaagde 26,
f 2.840,-- voor gedaagde 27,
f 1.420,-- voor gedaagde 28,
f 2.840,-- voor gedaagde 30,
f 1.420,-- voor gedaagde 31,
f 1.420,-- voor gedaagde 34,
f 1.420,-- voor gedaagde 35,
f 2.840,-- voor gedaagde 36,
f 1.420,-- voor gedaagde 38,
f 2.840,-- voor gedaagde 39,
f 1.420,-- voor gedaagde 40.
Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet
gebleken.
Het vorenstaande houdt tevens in dat gelet op artikel 22, derde lid, van
de Beroepswet, van appellant een recht van 38 keer f 630,--, te weten f
23.940,-- wordt geheven, waarbij wordt opgemerkt dat in de zaken 10 en
11, en 13 en 14, elk eenmaal f 630,-- griffierecht verschuldigd is.
Daarom moet als volgt worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken;
Veroordeelt appellant in de proceskosten zoals hiervoor in rubriek II is
aangegeven;
Verstaat dat van appellant een recht van in totaal f 23.940,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en mr.
G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van
mr. L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei
1998.
(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.
(get.) L.H. Vogt.
|
|