|
Uitspraak
97/11996
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant tevens gedaagde, hierna te noemen: A,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde tevens
appellant, hierna te noemen: het Lisv.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, verder: het Lisv, in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak
wordt onder Lisv tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 4 januari 1995 heeft het Lisv de uitkeringen van A, verder:
A, ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke
laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80 tot 100%, met ingang van 1 maart 1995 ingetrokken, onder overweging
dat de mate van arbeidsongeschiktheid van A met ingang van die datum
minder dan 25 respectievelijk 15% was.
De rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 30 oktober 1997 het beroep tegen het bestreden besluit
gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Naar die uitspraak wordt
hierbij verwezen.
Namens A is mr. M. de Buijzer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te
Amsterdam, op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in
hoger beroep gekomen.
Ook het Lisv is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van
die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Partijen hebben verweerschriften ingediend.
Mr. De Buijzer heeft bij brief van 31 juli 1998 een aantal salarisstroken
overgelegd.
Desgevraagd heeft het Lisv bij brief van 19 mei 1999 nadere inlichtingen
verstrekt. Vervolgens heeft mr. De Buijzer bij brief van 2 juni 1999 een reactie daarop gegeven. Op
laatstgenoemde
brief heeft het Lisv gereageerd door inzending van een rapport van 16
juni 1999 van de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 oktober 1999, waar
A in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Buijzer, en waar het
Lisv zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Th.H.C. van der Meijden,
werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Feiten
A was werkzaam als internationaal chauffeur. Hij is vanwege klachten van
de linker knie arbeidsongeschikt geworden. Hem zijn uitkeringen
ingevolge de AAW en de WAO toegekend, die laatstelijk werden berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij het
bestreden besluit zijn die uitkeringen ingetrokken met ingang van 1
maart 1995.
Daaraan ligt ten grondslag het oordeel van het Lisv dat A geschikt is
voor zogeheten kniesparende werkzaamheden. Voorts wordt A, die voorheen
met inbegrip van overwerk 55 uur per week werkte, in staat geacht met zijn
beperkingen wederom 55
uur per week te werken.
De resterende verdiencapaciteit van A is bepaald door een combinatie van
een aantal voltijdfuncties en een aantal deeltijdfuncties te selecteren.
De voltijdfuncties, waarvan hierna de functiebestandscode, de naam en
het aantal arbeidsplaatsen zijn vermeld, zijn:
1. 4817 verkoop telefonist
8
2. 4910 filiaalhouder stomerij 20
3. 3953 archiefverzorger
6
4. 3213 administratief medewerker
7
5. 3991 medewerkster secretariaat
7
6. 3317 baliemedewerker/ster postkant.
7
7. 9717 logistiek medewerker 30
De deeltijdfuncties zijn:
A. 3808 telefonist(e) binnenland (008) 208
B. 3807 medewerker service-ingang 29
C. 5522 medewerker huishoudelijke dienst 9
D. 3805 informant openb. vervoer reisinf. 34
E. 3316 caissièr(e)
40
De arbeidsdeskundige A.G.J.M. van Hoogstraten heeft in zijn rapport van
12 december 1994 het maatmaninkomen vastgesteld op het loon van een
internationaal chauffeur inclusief overwerk als A was voordat hij
arbeidsongeschikt werd met indexering naar de datum in geding. Dat
inkomen is vergeleken met het maandinkomen van de op een na hoogst
beloonde voltijdfunctie 2., vermeerderd met 15 maal het uurloon van de
op een na hoogst beloonde deeltijdfunctie B. Dat levert een mate van
arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% op.
In beroep heeft A onder meer aangevoerd dat zijn maatmaninkomen niet
juist zou zijn vastgesteld en dat niet vaststaat of hij een combinatie
van functies medisch gezien wel aankan.
De uitspraak van de rechtbank
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Lisv
ten aanzien van A de juiste medische beperkingen heeft aangenomen.
Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat het Lisv
een onjuist maatmaninkomen heeft gehanteerd.
Met betrekking tot de combineerbaarheid van de voltijd- en
deeltijdfuncties heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Verweerders rechtsvoorganger heeft functies voor een 38-urig
dienstverband en functies voor een 15-urig dienstverband geselecteerd.
De rechtbank onderschrijft het standpunt dat in het onderhavige geval
een combinatie van functies noodzakelijk is om de voor eiser vereiste
arbeidsomvang te bereiken. Indien een dergelijke combinatie van functies
echter wil kunnen dienen als basis voor de vaststelling van de
resterende verdiencapaciteit, dan is vereist dat genoegzaam komt vast
te staan dat zo'n combinatie gelet op werktijden, reisafstanden, de
mogelijkheid tot het gebruiken van een avondmaaltijd, alsmede de totale
belasting van de functiecombinatie in de praktijk een reële
mogelijkheid vormt. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende
aannemelijk is gemaakt dat aan voornoemd vereiste is voldaan. Niet is
gebleken dat de door verweerders rechtsvoorganger geselecteerde functies
in de praktijk kunnen worden gecombineerd."
Het hoger beroep
Partijen hebben beide hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
ingesteld.
Van de zijde van A is als grief tegen de aangevallen uitspraak
aangevoerd dat hij maandelijks zogeheten verteervergoedingen ontving,
dat deze vergoedingen als verkapt loon moeten worden aangemerkt en dat
zij bij de vaststelling van het maatmaninkomen hadden moeten worden
betrokken.
Van de zijde van het Lisv is als grief tegen de aangevallen uitspraak
aangevoerd dat uit de stukken voldoende is gebleken dat naast zeven
functies in dagdienst vier, in de regio waarin A woont voorkomende,
functies in parttime verband kunnen worden geduid welke, gelet op te
werken uren c.q. tijdstippen zijn te combineren met de functies in
dagdienst.
Oordeel van de Raad over het hoger beroep van A
De Raad is met betrekking tot de verteervergoeding van oordeel dat deze
niet bij de vaststelling van het maatmaninkomen kan worden betrokken
omdat die vergoeding niet als loon maar als een onkostenvergoeding moet
worden beschouwd.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat
het hier gaat om een door de werkgever in het kader van de
arbeidsovereenkomst met A verstrekte forfaitaire vergoeding waaruit A
als internationaal chauffeur bij verblijf in het buitenland de kosten
van logies, maaltijden en consumpties kon bestrijden.
Uit de door A overgelegde salarisstroken blijkt dat de werkgever die
vergoeding gedurende een groot aantal jaren als een onbelaste
onkostenvergoeding in zijn salarisadministratie heeft verwerkt en, naar
uit die stroken blijkt voor A kenbaar, daarover geen premie sociale
verzekering en loonbelasting heeft ingehouden.
De stelling dat hier sprake is van verkapt loon omdat de
verteervergoeding hoger was dan de voorschotten die A in verband met de
werkelijk te maken onkosten opnam, verliest aan kracht nu uit de
overgelegde salarisstroken blijkt dat bijvoorbeeld in de maand juni 1992
aan voorschotten f 1.683,72 werd opgenomen, waar tegenover een
verteervergoeding stond van f 1.134,05.
Voorts verliest naar het oordeel van de Raad een dergelijke vergoeding
het karakter van een onkostenvergoeding niet door de enkele
omstandigheid dat de betrokken werknemer die vergoeding niet geheel
besteedt voor het doel waarvoor zij wordt gegeven.
Voor de Raad is ook niet komen vast te staan dat de werkelijk te maken
kosten in zodanige mate bij het bedrag van de vergoeding achter zijn
gebleven dat er om die reden, althans ten dele, sprake is geweest van
verkapt loon.
Ook overigens is de Raad niet gebleken dat het door de arbeidsdeskundige Van Hoogstraten in zijn nader rapport van 3 oktober
1995 gecorrigeerde maatmaninkomen onjuist zou zijn.
Het namens A ingestelde hoger beroep kan niet slagen.
Oordeel van de Raad over het hoger beroep van het Lisv
In hoger beroep is aan het Lisv verzocht aan te geven in welke plaatsen
de werkgevers, bij wie de voorgehouden functies zijn geënquêteerd,
gevestigd zijn.
Uitgaande van de brief van 19 mei 1999 van het Lisv worden hieronder de
functies met de vestigingsplaatsen weergegeven:
Voltijdfuncties
1. 4817 verkoop telefonist Valkenswaard
2. 4910 filiaalhouder stomerij Eindhoven/Helmond
3. 3953 archiefverzorger Brummen
4. 3213 administratief medew. Geldrop
5. 3991 medew. secretariaat Geldrop
6. 3317 baliemedew. postkant. Arnhem
7. 9717 logistiek medewerker Rijnsburg
Deeltijdfuncties
A. 3808 telefonist(e) 008 Utrecht
B. 3807 medew. service-ingang Amsterdam
C. 5522 medew. huish. dienst Helmond/Veldhoven
D. 3805 informant ov. reisinf. Groningen
E. 3316 caissièr(e) Best
Vooraf overweegt de Raad dat voltijdfunctie 3. niet verder in de
beoordeling wordt betrokken aangezien deze zes arbeidsplaatsen heeft en
daarom volgens vaste jurisprudentie van de Raad niet kan worden
aangemerkt als een functie die voldoende arbeidsplaatsen
vertegenwoordigt.
Al eerder heeft de Raad, zie onder meer de uitspraak gepubliceerd in USZ
1998/48, overwogen dat het in beginsel ook voor de Raad aanvaardbaar is
dat bij het vaststellen van de resterende verdiencapaciteit van een
verzekerde, die voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid
overwerk placht te verrichten en die op medische gronden nog in staat is
te achten gedurende het oorspronkelijk aantal werkuren arbeid te
verrichten -waartoe ook de Raad evenals de rechtbank A in staat acht-,
nevenfuncties worden geselecteerd en dat het daarmee te verdienen
inkomen in aanmerking wordt genomen ter compensatie van de gederfde
inkomsten uit overwerk. Daarbij dienen ook dergelijke
nevenfuncties te voldoen aan de eisen die in artikel 3 van het
Schattingsbesluit gesteld worden, zodat deze (neven)-arbeid dient te
worden omschreven in de vorm van ten minste drie functies die tezamen
ten minste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.
Voorts is in die uitspraak overwogen dat ook na de stelselherziening in
1987 schattingen een zekere realiteitswaarde dienen te hebben.
Voor gevallen als het onderhavige, waarin sprake is van een
maatmanfunctie welke qua omvang een doorsnee voltijdfunctie te boven
gaat, betekent dit naar het oordeel van de Raad dat, wanneer gebruik
wordt gemaakt van een, in beginsel aanvaardbare, schatting op basis van
voltijdfuncties en deeltijdfuncties of meerdere deeltijdfuncties, ervoor
moet worden gewaakt dat de mogelijkheid om functies van die categorieën
te combineren niet illusoir is.
In genoemde uitspraak heeft de Raad ook overwogen dat hij daarbij van
belang acht dat er mogelijkheden bestaan de functies wat arbeidstijden
betreft te combineren, hetgeen betekent dat er geen combinaties van
functies mogen worden voorgehouden waarvan vaststaat dat de
desbetreffende werkzaamheden dienen te worden verricht op zodanige uren
dat uitvoering daarvan door één persoon onmogelijk is of
redelijkerwijs niet van die persoon kan worden gevergd.
In het voetspoor van die uitspraak overweegt de Raad thans dat naar zijn
oordeel ook geen combinaties van functies mogen worden voorgehouden
waarvan vaststaat dat de uitvoering van de werkzaamheden door de
situering ervan in feite onmogelijk is dan wel een zodanig apert
onredelijk beslag op iemands beschikbare tijd zou leggen dat dit
redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Doorgaans zal deze situatie zich
voordoen indien de plaatsen waar de werkzaamheden moeten worden
verricht, niet in dezelfde regio, als bedoeld in het Functie
Informatiesysteem zijn gelegen.
Tevens vloeit uit het hiervoor overwogene voort dat aan een schatting
als hier aan de orde, afgezien van de hiervoor vermelde voorwaarden
waaraan schatting op een combinatie van functies moet voldoen, de eis
moet worden gesteld dat ten minste drie verschillende combinaties
aanwijsbaar zijn van een voltijdse en een deeltijdse functie die in
dezelfde regio voorkomen. Om elk misverstand te vermijden voegt de Raad
hieraan toe dat die regio niet noodzakelijkerwijs de regio behoeft te
zijn waarin de betrokkene woont.
Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat vier voltijdfuncties (1., 2.,
4.
en 5.) en slechts twee deeltijdfuncties (C. en E.) in dezelfde regio
zijn gelegen.
De schatting mist daardoor een zodanige realiteitswaarde dat deze in
strijd is met het bepaalde in artikel 5, eerste lid van de AAW en artikel 18, eerste lid van de WAO.
Voorts merkt de Raad nog op dat deeltijdfunctie C. blijkens de
arbeidsmogelijkhedenlijst uitsluitend overdag kan worden vervuld, zodat
combinatie met een van de geselecteerde voltijdfuncties reeds om die
reden niet mogelijk is.
Uit het vorenstaande volgt dat ook het hoger beroep van het Lisv niet
kan slagen.
Schadevergoeding, proceskosten en griffierecht
Namens A heeft mr. De Buijzer verzocht het Lisv te veroordelen in de
schade aan de kant van A ex artikel 8:73 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
De Raad overweegt dat uit het vorenstaande volgt dat het Lisv nalatig is
gebleven uitkering betaalbaar te stellen vanaf 1 maart 1995. Uit 's
Raads uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314, volgt
dat de eerste dag waarop het Lisv in casu over het bedrag van de niet
betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is,
gesteld moet worden op 1 april 1995, alsook dat deze rente verschuldigd
is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij geldt dat
telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente
wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar
verschuldigde rente.
Voorts overweegt de Raad dat bij de berekening van de wettelijke rente,
als vorenbedoeld, rekening dient te worden gehouden met hetgeen het Lisv
krachtens een socialezekerheidswet over hetzelfde tijdvak als waarop de
nabetaling van de uitkering betrekking heeft, bruto heeft moeten
verrekenen of aan derden bruto heeft moeten uitbetalen. De Raad zoekt
daarbij aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn
arrest van 22 september 1995, gepubliceerd in JB 1995/275.
Voorts acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Lisv te veroordelen in de door A in verband
met het door het Lisv ingestelde hoger beroep gemaakte proceskosten.
Deze worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand. Andere
kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van het Lisv
een recht van f 675,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het Lisv tot vergoeding van schade als hiervoor is
aangegeven;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van A in
hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,-;
Verstaat dat van het Lisv een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr.
R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid
van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7
december 1999.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|