|
Uitspraak
97/9954
AAW/WAO en 97/10027 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B (Marokko), appellant tevens gedaagde, hierna te noemen: A,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde tevens
appellant, hierna te noemen: het Lisv.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe
Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder het Lisv
mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Het Lisv heeft bij brief van 13 maart 1996 aan A kennis gegeven van een
besluit uit hoofde van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) houdende intrekking
van de hem toegekende uitkeringen ingaande 2 augustus 1996 op de grond
dat A met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 2
september 1996 het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Lisv veroordeeld tot
vergoeding van de renteschade aan A.
Beide partijen zijn van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend en het Lisv heeft
desgevraagd bij brief van 25 november 1998 een nadere toelichting
gegeven.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 januari
1999, waar namens A is verschenen mr. J.T.R. Lucassen, advocaat te Venlo, en waar het Lisv zich heeft doen
vertegenwoordigen door M. Elfferich, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
Vervolgens is het onderzoek in deze procedure heropend. Naar aanleiding
van gestelde vragen heeft het Lisv bij brief van 25 februari 1999 een
nieuwe berekening van het maatmaninkomen van A in het geding gebracht.
Bij besluit van 4 maart 1999 heeft het Lisv aan A medegedeeld dat het
besluit van 13 maart 1996 niet volledig wordt gehandhaafd en dat A's
WAO-uitkering ingaande 2 augustus 1996 wordt herzien naar de
arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.
De Raad heeft besloten dit nadere besluit met toepassing van de
artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te
betrekken in deze procedure.
Ten slotte hebben partijen toestemming verleend het onderzoek ter
zitting in deze procedure achterwege te laten.
II. MOTIVERING
A is op 28 maart 1983 arbeidsongeschikt geworden als bediende kaasopslag
in dienst van X te Y. Hij heeft ingaande 28 maart 1984 uitkeringen
ingevolge de AAW en de WAO ontvangen naar een arbeidsongeschiktheid van
80 tot 100%. In 1991 is A teruggekeerd naar Marokko.
In februari 1995 is op verzoek van het Lisv door de Caisse Nationale de
Sécurité Sociale (CNSS) een gedetailleerd medisch rapport over A
opgesteld. Na kennisneming van dit rapport heeft het Lisv A opgeroepen
voor medisch onderzoek in Nederland door de chirurg dr. J.D.K. Munting en de verzekeringsgeneeskundige
J. Biersteker.
Bij het bestreden besluit zijn de aan A toegekende uitkeringen ingevolge
de AAW en de WAO ingaande 2 augustus 1996 ingetrokken, omdat de mate van
zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. Aan dit besluit
ligt de hiervoor genoemde medische beoordeling ten grondslag, volgens
welke er bij A sprake is van beperkingen in verband met onder meer de diagnose ernstige coxarthrosis links.
Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met
inachtneming van die beperkingen sprake is van geschiktheid voor een
aantal functies, leidende tot een mate van arbeidsongeschiktheid van
6,9%.
De rechtbank is met name op grond van een rapport van de door haar
ingeschakelde orthopedisch chirurg dr. W.H.J. Derks tot de slotsom gekomen dat er geen
aanleiding is de
medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden,
doch heeft dat besluit wel vernietigd, omdat het Lisv niet een
uitlooptermijn van zes maanden in acht heeft genomen vanaf het moment dat A was geïnformeerd
over de aanstaande intrekking van zijn uitkeringen.
De Raad stelt voorop, dat uit het nadere besluit van 4 maart 1999 voortvloeit, dat het Lisv zijn besluit van
13 maart 1996 niet langer handhaaft voor zover daarbij de WAO-uitkering
van A is ingetrokken. Het laatst genoemde besluit komt derhalve reeds in
zoverre voor vernietiging in aanmerking.
In geschil is derhalve of de intrekking van de AAW-uitkering van A en
de herziening van zijn WAO-uitkering, beide ingaande 2 augustus 1996, in
rechte stand kunnen houden. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het
Lisv de medische beperkingen van A heeft onderschat. Uit de rapportage
van de chirurg Munting volgt dat bij A, na radiologisch onderzoek, een
ernstige coxarthrosis links is vastgesteld. Deze bevindingen stemmen in
belangrijke mate overeen met de conclusies vermeld in het rapport van de
CNSS. Voorts acht de Raad het rapport van de chirurg voldoende
zorgvuldig tot stand gekomen, nu een radiologisch onderzoek is verricht
en nu niet is gebleken dat A in december 1995 in Marokko onder
behandeling van medici was, zodat er geen aanleiding bestond aldaar
inlichtingen in te winnen. Anders dan de CNSS komt het Lisv op grond van
de op deze diagnose gebaseerde belastbaarheid van A tot de slotsom dat
hij in staat is diverse functies in een volledige dagtaak te verrichten.
De Raad stelt vast dat de door de arbeidsdeskundige genoemde (vijf)
functies voldoen aan de voor A geldende beperkingen.
Voorts stelt de Raad vast dat uit de brief van de gemachtigde van A van
29 maart 1999 blijkt dat A zich kan verenigen met de nader vastgestelde
arbeidskundige grondslag, leidend tot een berekening van de mate van
arbeidsongeschiktheid van 15,6%. Het Lisv heeft derhalve terecht
besloten de aan A toegekende AAW-uitkering in te trekken en de
toegekende WAO-uitkering te herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse
15 tot 25%.
Tussen partijen is voorts in geschil of het bestreden besluit in
overeenstemming is met de eisen die het zorgvuldigheidsbeginsel stelt
met betrekking tot de in acht te nemen uitlooptermijn.
Blijkens vaste rechtspraak van de Raad brengt het
zorgvuldigheidsbeginsel mee dat aan een betrokkene na confrontatie met
de opvatting dat hij ongeschikt is voor zijn eigen werk maar geschikt
voor passende werkzaamheden, een zogeheten uitlooptermijn van twee
maanden wordt gegund. Voorts vloeit uit 's Raads jurisprudentie voort
dat voor personen die lange tijd een arbeidsongeschiktheidsuitkering
hebben ontvangen, zich hebben gevestigd in het buitenland en zich aldaar
op basis van summiere berichtgeving moeten instellen op het weer
verrichten van passend werk een uitlooptermijn van zes maanden na de
confrontatie zorgvuldig is te achten.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan A een uitlooptermijn van zes
maanden gegund moet worden, doch wel op welk moment die termijn
aanvangt. De Raad stelt in dit verband voorop, dat niet is gesteld of
gebleken dat de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging ten tijde hier
van belang een specifiek beleid voerde ten aanzien van - de aanvang van
-
de uitlooptermijn voor personen wonend in het buitenland. Voorts is de
Raad, met de rechtbank, van oordeel dat uit zijn rechtspraak
voortvloeit dat de uitlooptermijn aanvangt wanneer de betrokkene is geïnformeerd
over de aanstaande schatting. De rechtbank heeft derhalve terecht
overwogen dat het Lisv de termijn van zes maanden na ontvangst van de
brief van 2 februari 1996 niet in acht heeft genomen, nu bij het
bestreden besluit de uitkeringen per 2 augustus 1996 zijn ingetrokken.
De grief van het Lisv dat deze uitspraak leidt tot onduidelijkheid over
de aanvang van de uitlooptermijn kan de Raad niet onderschrijven. Zoals
reeds uit 's Raads rechtspraak voortvloeit kan het Lisv in dit verband
uitgaan van data waarop de betrokkene redelijkerwijs kennis kon dragen
van de aanzegging (RSV 92/211). De Raad is voorts van oordeel dat, mede gelet
op de termijnen van postbezorging in het buitenland, in gevallen als het
onderhavige in het algemeen kan worden aangenomen, behoudens bewijs van
eerdere ontvangst, dat de betrokkene uiterlijk zeven dagen na de
verzending van de inhoud van de aanzeggingsbrief op de hoogte kan zijn.
De Raad merkt ten overvloede nog op dat een uitlooptermijn van zes
maanden vanaf 9 februari 1996 in dit geval als voldoende zorgvuldig moet
worden aangemerkt.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en dat het besluit van het
Lisv van 4 maart 1999 niet in stand kan blijven.
Vanwege A is in algemene bewoordingen verzocht om vergoeding van schade
als bedoeld van artikel 8:73 van de Awb. Ingevolge 's Raads
jurisprudentie dient dit verzoek, ten aanzien van de wettelijke rente
over de te betalen uitkering, te worden toegewezen. Voor wat betreft de
wijze waarop appellant de aan gedaagde toekomende vergoeding van schade
dient te berekenen volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak
van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Lisv te veroordelen in de proceskosten van A in hoger beroep. Deze
kosten worden begroot op
f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Ten slotte stelt de Raad vast dat van het Lisv een griffierecht van f
675,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 maart 1999 gegrond en
vernietigt dat besluit;
Veroordeelt het Lisv tot betaling van renteschade als hiervoor
overwogen;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van A in hoger beroep tot een
bedrag van f 1.420,-;
Bepaalt dat van het Lisv een griffierecht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr.
T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli
1999.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|