|
Uitspraak
97/7547
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en
Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan
het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 27 januari 1995 heeft appellant de aan gedaagde
krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
voor zover het uitkering ingevolge de AAW betrof, ingetrokken en voor
zover het uitkering ingevolge de WAO betrof, herzien en nader
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%,
zulks per 1 maart 1995.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 8 juli
1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat
besluit vernietigd.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op de in het
aanvullend beroepschrift vermelde gronden.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11
september 1998, waar appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - is
verschenen bij zijn gemachtigden mr. A.I. van der Kris en mr. M.J.M.
Oltmans, beiden werkzaam bij Gak Nederland B.V., en bij D. Vermeulen en
drs. H.P.G. Mulders, beiden werkzaam bij het Lisv, terwijl voor gedaagde
als gemachtigden zijn verschenen mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn en mr. M.H.
Klijnstra, beiden advocaat te Amsterdam.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder en
gedaagde als eiser is aangeduid, ontleent de Raad de volgende als
vaststaand aan te nemen feiten en omstandigheden:
"Eiser, geboren in 1958, was laatstelijk sedert 1 november 1985
werkzaam als medewerker interne dienst/chauffeur gedurende 40 uur per
week, in dienst van B.V. X te Y, tegen een brutosalaris van f 3.261,-
per maand. Met ingang van 4 maart 1991 heeft hij zich voor deze
werkzaamheden ziek gemeld wegens psychische klachten. Eiser heeft
gedurende de maximale termijn uitkering op grond van de Ziektewet
ontvangen. Vervolgens is hem bij besluit van 28 juli 1992 met ingang van
4 maart 1992 een AAW/WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In het kader van een herbeoordeling op grond van Wet terugdringing
beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA, Stb. 1993, 412) is
eiser op 1 september 1994 door verweerders verzekeringsgeneeskundige gezien. De
verzekeringsgeneeskundige heeft blijkens het rapport van diezelfde datum
op grond van de reeds in het dossier aanwezige gegevens en de eigen
bevindingen geconcludeerd dat eiser op medische gronden in staat was te
achten volledig te hervatten in passend werk. Vervolgens is door de
verzekeringsgeneeskundige een belastbaarheidspatroon opgesteld.
Verweerders arbeidsdeskundige is op basis van dit belastbaarheidspatroon
tot de conclusie gekomen dat eiser niet meer geschikt is voor zijn
eigen werk, maar wel voor een aantal andere functies. In die functies
zou eiser een mediaan loon kunnen verdienen van f 3.359,- bruto per
maand. Dit loon, afgezet tegen het loon dat eiser volgens verweerder had
kunnen verdienen in zijn werk als medewerker interne dienst/chauffeur
indien hij daarvoor niet arbeidsongeschikt was geworden, zou leiden tot
een verlies aan verdiencapaciteit van 17,44%. De arbeidsdeskundige heeft
deze bevindingen op 5 en 7 december 1994 met eiser besproken en bij
brief van 8 december 1994 nader bevestigd.
Verweerder is vervolgens geadviseerd eiser ten aanzien van de AAW voor
minder dan 25% en ten aanzien van de WAO voor 15 tot 25%
arbeidsongeschikt te beschouwen. Hierop heeft verweerder het thans
bestreden besluit genomen.
In het bij de rechtbank ingestelde beroep heeft gedaagde onder meer de
juistheid van de met betrekking tot de resterende verdiencapaciteit door
appellant gehanteerde lonen bestreden. Hangende de procedure bij de
rechtbank heeft gedaagde appellant verzocht de gegevens op basis waarvan
deze loonwaarden zijn vastgesteld, en met name de zogeheten functie-enquêteformulieren,
in het geding te brengen. Daartoe is van de kant van gedaagde
gedocumenteerd uiteengezet dat de lonen van de door de betrokken
arbeidsdeskundige geselecteerde functies belangrijke verschillen
vertonen met de in de betreffende CAO's genoemde lonen.
Naar aanleiding van de brieven van de rechtbank d.dis 20 juni 1996, 29 juli 1996 en 24 januari 1997 heeft appellant bij brief
van 5 maart 1997 onder meer het volgende aan de rechtbank medegedeeld:
"Gegevens uit het FIS met betrekking tot namen/adressen van
werkgevers zelf worden - in opdracht van het TICA, thans Lisv - niet aan
derden, waaronder advocaten en rechters, verstrekt."
De rechtbank heeft - kennelijk mede gelet op het verhandelde ter zitting
van 5 juni 1997 - hieruit geconcludeerd dat appellant niet bereid was te
voldoen aan een verzoek van de rechtbank om in het onderhavige geval de
functie-enquêteformulieren over te leggen.
De rechtbank heeft ten aanzien van de weigering van appellant de
betreffende functie-enquêteformulieren in het geding te brengen het
volgende overwogen:
"3.3.1 De rechtsvraag
In deze procedure wordt naast de medische met name de arbeidskundige
beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid betwist. Eiser meent
dat de arbeidskundige beoordeling niet getoetst kan worden zonder dat
partijen en de rechter beschikken over de functie-enquêteformulieren
van de geduide functies. Onder die formulieren worden verstaan de
documenten zoals die zijn opgesteld tijdens of naar aanleiding van een
bezoek aan het bedrijf waar die functie bestaat. Op het formulier staan
naast onder meer de beschrijving van de werkzaamheden, de belasting in
de functie en de berekening van het uurloon, ook de naam en het adres
van de betreffende werkgever vermeld. De op deze formulieren vermelde
gegevens zijn ingevoerd in het functie-informatiesysteem (FIS).
De rechtbank ziet zich derhalve in deze procedure allereerst gesteld
voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is de
functie-enquêteformulieren in het geding te brengen. Deze vraag kan
reeds worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de (lees:)
Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat niet nader ingegaan behoeft te
worden op het bepaalde in art. 6 van het (lees:) Europees Verdrag tot
bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De
in dit artikel genoemde fundamentele beginselen van procesrecht zijn
immers, voorzover zij al niet behoorden tot de algemeen erkende
beginselen van het Nederlandse bestuursrechtelijke procesrecht, in
ieder geval in de Awb expliciet geregeld voor het bestuursrechtelijk
procesrecht.
3.3.2 Artikel 8:42 Awb
Voorop gesteld moet worden dat verweerder op grond van het bepaalde in
art. 8:42 van de Awb gehouden is alle op de zaak betrekking hebbende
stukken aan de rechtbank te zenden. Blijkens vaste rechtspraak behoren
tot die stukken ten minste alle stukken die door het bestuursorgaan zijn
gebruikt bij de voorbereiding en het nemen van het besluit.
Tussen partijen is niet in geschil dat tot die stukken in ieder geval
behoren alle gegevens over onder meer de aard, de belasting, de
werktijden en de loonwaarden van de geduide functies. De functie-enquêteformulieren
behoren niet tot deze stukken, aangezien verweerder ten tijde van het
nemen van het besluit ten aanzien van eiser die stukken niet heeft
gebruikt. Deze formulieren behoren derhalve naar het oordeel van de
rechtbank in beginsel niet tot de stukken als bedoeld in art. 8:42 van
de Awb.
3.3.3 Artikel 8:45 Awb
Voorts is verweerder op grond van het bepaalde in art. 8:45, eerste en
tweede lid, van de Awb gehouden om op verzoek van de rechtbank bepaalde
stukken in te zenden.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van dit artikel
gehouden kan worden functie-enquêteformulieren in het geding te
brengen. Wanneer een partij, zoals in dit geding, gemotiveerd bepaalde
gegevens uit het FIS met betrekking tot in die zaak geduide functies
betwist, dan dient de rechter die gegevens te kunnen controleren. Zulks
geldt evenzeer indien de rechtbank ambtshalve aanleiding heeft om te
twijfelen aan bepaalde gegevens uit het FIS. Blijkens vaste rechtspraak
(onder meer HR 18 februari 1994, NJ 94/742) behoort het immers tot de
fundamentele beginselen van het (bestuursrechtelijk) procesrecht dat de
rechter bij de vaststelling van rechten en verplichtingen van partijen
zich alleen mag baseren op gegevens van feitelijke aard waarvan partijen
de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter
discussie hebben kunnen stellen. Daaruit vloeit voort dat de rechter
zich, wanneer sprake is van een gemotiveerde betwisting daarvan, niet
mag laten leiden door bepaalde conclusies van een partij die geheel of
ten dele berusten op wezenlijke gegevens van feitelijke aard welke die
partij ook desgevraagd niet heeft willen openbaren.
3.3.4 Artikel 8:29 Awb
Verweerder heeft in de loop van deze procedure - subsidiair - een beroep gedaan op art. 8:29 van de Awb. De rechtbank
wijst er voor de goede orde eerst op dat een dergelijk beroep eerst
(goed) beoordeeld kan worden door de rechtbank wanneer de betreffende
partij de stukken aan de rechtbank zendt, dan wel anderszins inzage
ervan mogelijk maakt. Een beoordeling van verweerders beroep op
toepassing van art. 8:29 van de Awb is derhalve slechts in algemene zin mogelijk.
De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat de door verweerder
aangedragen gronden voor geheimhouding in het algemeen niet als
gewichtige redenen als bedoeld in art. 8:29 Awb aangemerkt kunnen
worden. Uit het tweede lid van dit artikel volgt immers dat in ieder
geval geen sprake is van gewichtige redenen indien verweerder op grond
van de (lees:) Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verplicht zou zijn de functie-enquêteformulieren over te leggen. Krachtens het bepaalde in
art. 10, eerste lid, onder c, van de Wob blijft het verstrekken van
informatie ingevolge die wet achterwege voorzover dit 'bedrijfs- en
fabricagegevens betreft, die door natuurlijke personen of
rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.' Blijkens
de jurisprudentie is eerst sprake van gegevens als bedoeld in dit
artikellid indien uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden
gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of
het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten
of de kring van afnemers en leveranciers.
Ten aanzien van alle functie-enquêteformulieren van de functies in het
FIS kan zeker niet gezegd worden dat daaruit dergelijke
wetenswaardigheden afgeleid kunnen worden.
Verder is niet gebleken dat uit de in deze procedures overgelegde
functiebeschrijvingen, voorzover de naam en het adres van de werkgevers
daarbij bekend zouden zijn geweest, wel wetenswaardigheden als hiervoor
bedoeld afgeleid hadden kunnen worden. Voor de goede orde voegt de
rechtbank daar nog aan toe dat het niet uitgesloten is te achten dat bij
bepaalde functies uit de combinatie van omschrijving van de
werkzaamheden, het aantal arbeidsplaatsen, de looncomponenten en de naam
van de werkgever wel dergelijke wetenswaardigheden zijn af te leiden.
Wanneer verweerder meent dat een zodanige situatie aan de orde is dan
dient hij een op die zaak toegespitst gemotiveerd verzoek om toepassing
van art. 8:29 van de Awb in te dienen.
Voorts heeft verweerder kennelijk beoogd een beroep te doen op het
bepaalde in art. 10, tweede lid, onder g, van de Wob. In dit artikellid
is bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge de Wob eveneens
achterwege blijft voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen het
belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling
van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of
rechtspersonen dan wel van derden. Daarbij dient aangetekend te worden
dat blijkens vaste rechtspraak (JB 96/201) niet het specifieke belang
van de verzoeker in de belangenafweging betrokken dient te worden. De Wob
veronderstelt het publieke belang van openbaarheid van bepaalde
informatie, zodat dat belang niet nader onderbouwd dient te worden. Bij
de te verrichten belangenafweging worden derhalve betrokken het
algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de
weigeringsgronden van de Wob beschermde belangen.
Het beroep op art. 10, tweede lid, onder g, van de Wob kan thans ook
slechts in algemene zin worden beoordeeld. De rechtbank stelt voorop dat
het belang om in procedures over alle gegevens te beschikken waarop een
van de partijen zijn standpunt baseert een, zoals hiervoor reeds
overwogen, fundamenteel beginsel van procesrecht is dat niet snel kan en
mag wijken voor andere belangen. Het is in procedures als de onderhavige
in beginsel een wezenlijk belang om te kunnen beschikken over de
functie-enquêteformulieren. Bij de beoordeling van de mate van
arbeidsongeschiktheid moet immers sedert 1 augustus 1993 uitgegaan
worden van functies met de hoogste loonwaarden uit functies welke de
betrokkene in theorie nog kan verrichten. De betekenis van de geduide
functies is derhalve sindsdien sterk toegenomen. Strikt genomen is
wellicht nog sprake van voorbeeldfuncties, doch het is geenszins
onmogelijk dat een zelfde of enigszins vergelijkbare functie als de
geduide functie met de hoogste loonwaarde niet bestaat. Een eventueel in
te stellen onderzoek naar bijvoorbeeld de lonen in dezelfde functie in
willekeurige bedrijven is dan zinloos, omdat het de eventuele
onjuistheid van de door verweerder gehanteerde loonwaarde niet kan
aantonen. Onder deze omstandigheden is de mogelijkheid van enige vorm
van controle op de geduide functies een wezenlijk belang. Kleine
onjuistheden in het FIS, zoals onder meer gebleken tijdens de
behandeling ter zitting, kunnen immers grote gevolgen voor de
betrokkenen hebben.
Het belang bij het niet verstrekken van de functie-enquêteformulieren is gelegen in de vrees dat werkgevers benaderd
worden en niet langer bereid zullen zijn mee te werken aan het leveren
van gegevens voor het FIS. Verweerder denkt dat het in bepaalde
procedures bekend maken van de namen en adressen van werkgevers ertoe
zal leiden dat de werkgevers regelmatig benaderd zullen worden door
advocaten en anderen om de gegevens over de betreffende functie(s) te
controleren. De rechtbank heeft begrip voor verweerders zorg voor de
belangen van derden en meent dat sprake is van een zeker belang bij het
niet hoeven verstrekken van de functie-enquêteformulieren. De rechtbank is echter van mening dat gelet op
enerzijds het hiervoor genoemde algemene belang van openbaarmaking in
procedures als de onderhavige en op anderzijds het door verweerder
gesignaleerde belang niet gezegd kan worden dat sprake is van een
onevenredige benadeling als bedoeld in art. 10, tweede lid onder g, van
de Wob, indien verweerder de functie-enquêteformulieren in bepaalde
gevallen in het geding dient te brengen. Mede gelet op de strekking van
art. 8:29, tweede lid, van de Awb is de rechtbank van oordeel dat de
fundamentele procesrechtelijke beginselen zwaarder dienen te wegen dan
de praktische belangen van verweerder. In het midden kan derhalve nog
worden gelaten of verweerder de eventuele onvrede bij werkgevers niet op
enigerlei wijze zou kunnen oplossen in of na overleg met die werkgevers
of via andere mogelijkheden die de Wob wellicht biedt.
3.3.5 Conclusie
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat verweerder op grond van
het bepaalde in art. 8:45 van de Awb gehouden is om, op verzoek, de
functie-enquêteformulieren in het geding te brengen. Verweerder heeft dat in
deze procedure geweigerd. Verder kan verweerders beroep in algemene zin
op toepassing van art. 8:29 van de Awb niet slagen. Nu verweerder niet
aan zijn verplichting ex art. 8:45 van de Awb heeft voldaan is het de
rechtbank onmogelijk geworden de grondslag van de bestreden besluiten
te beoordelen. Mede gelet op het bepaalde in art. 8:31 van de Awb is de
rechtbank derhalve van oordeel dat ook besluit II niet in stand kan
blijven.".
In het aanvullend hoger beroepschrift heeft appellant de juistheid van
het oordeel van de rechtbank onder meer als volgt bestreden:
"Artikel 8:29, lid 1, Awb bepaalt dat partijen, indien daarvoor
gewichtige redenen zijn, kunnen weigeren stukken over te leggen, dan wel
mededelen dat alleen de rechtbank kennis zal mogen nemen van de stukken.
Op grond van het tweede lid is er in ieder geval geen sprake van
gewichtige redenen, indien de informatie op grond van de Wob zou moeten
worden verstrekt. Het derde lid bepaalt dat de rechtbank beslist of een
weigering gerechtvaardigd is.
Ondergetekende is allereerst van mening op grond van de Wob niet
verplicht te zijn de informatie in de functie-enquêteformulieren te
verstrekken. Zou dit wel het geval zijn dan kan er immers geen sprake
zijn van "gewichtige redenen".
Artikel 10, lid 1, onder c, Wob bepaalt dat het verstrekken van
informatie achterwege blijft voor zover dit bedrijfs- en
fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of
rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld.
In dit verband wordt in de wetsgeschiedenis (Memorie van Toelichting,
Handelingen van de Tweede Kamer 1986-1987, 19 859, p. 33) de grote
stroom van vrijwillig verstrekte bedrijfsgegevens genoemd die de
overheid verzamelt en ten behoeve van statistische publicaties bewerkt
om beleid te kunnen voeren. Die verzamelingen zouden niet kunnen worden
aangelegd als de vertrouwelijkheid van de individuele bron niet
gegarandeerd zou zijn en de gegevens in handen zouden kunnen komen van
concurrenten. Het artikel beoogt derhalve in het algemeen gesproken
enerzijds de overheid voldoende grondslag te bieden voor de beleids- en
bestuursvoering en anderzijds de bedrijven voldoende bescherming te
bieden tegen concurrentievervalsing.
In het onderhavige geval is een vergelijkbare situatie aan de orde. Met
de gegevens die de werkgevers verschaffen, wordt het FIS-systeem gevoed.
De bedrijven zouden zeker niet meewerken aan deze informatieverschaffing
als de vertrouwelijkheid van de informatiebron niet, althans niet in
belangrijke mate, gegarandeerd zou zijn. Die beduchtheid van werkgevers
is begrijpelijk. Een analyse van functies en werkprocessen in een
bedrijf kan namelijk inzicht bieden in productspecificaties en
fabricageprocessen en daardoor bedrijfsgeheimen in de openbaarheid
brengen die het gevaar oproepen van concurrentievervalsing.
Ondergetekende heeft de werkgevers die meewerken dan ook geheimhouding
beloofd.
Verder is ondergetekende van mening dat ook artikel 10, lid 2, onder g,
Wob van toepassing is. Op grond van deze
bepaling blijft verstrekking van informatie achterwege voor zover het
belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van
onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid
betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
Het belang bij het verstrekken van de informatie is dat de heer A de
gelegenheid heeft om de in FIS vermelde gegevens bij de betreffende
werkgevers te verifiëren. Dit kan echter ook langs andere weg gebeuren.
Gegevens als het type bedrijf of branche waaruit de in het FIS opgenomen
functies afkomstig zijn, worden immers vermeld op de "arbeidsmogelijkhedenlijst"
die tot de gedingstukken behoort. Niet alleen de rechter, maar ook
partijen beschikken hierover. Dat betekent dat de heer A bij de genoemde
typen bedrijf en branches vergelijkend onderzoek kan doen. Daarbij is
nog van belang dat het niet zo kan zijn dat een bepaalde functie uniek
en niet vergelijkbaar is. Elke functie of beroep zit in verband met de
regionale spreiding minimaal 5 maal in het bestand. De heer A heeft dus voldoende mogelijkheden om de
realiteitswaarde van de geduide functies te verifiëren.
Daartegenover staat het belang bij het niet verstrekken van de gegevens.
De werkgevers die hun medewerking verlenen aan het opstellen van
functie-enquêteformulieren hebben groot belang bij de
vertrouwelijkheid van de gegevens om te voorkomen dat bedrijfsgegevens
openbaar worden. Daarnaast bestaat het gevaar dat werkgevers, wier naam
en adres bekend is, regelmatig zullen worden benaderd door
rechtshulpverleners en anderen om de gegevens over de betreffende
functies te controleren. Onder die omstandigheden zullen werkgevers
minder genegen zijn om gegevens ten behoeve van het FIS te verstrekken.
Naar de mening van ondergetekende is hier sprake van een onevenredige
benadeling en verplicht de Wob, ook op deze grond, niet tot verstrekking
van de informatie.
Vervolgens is ondergetekende van oordeel dat de redenen om het
overleggen van de functie-enquêteformulieren te weigeren
"gewichtige redenen" zijn in de zin van artikel 8:29 Awb.
Bij de toepassing van deze bepaling dient een belangenafweging plaats te
vinden. Daarbij speelt een aantal belangen een rol.
In de eerste plaats gaat het om de bescherming van het belang dat
partijen over en weer beschikken over alle informatie om de door hen
gewenste positie in de procedure in te nemen. In de tweede plaats gaat
het om de bescherming van het belang dat de rechter beschikt over alle
informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en
zorgvuldige wijze af te doen. Tenslotte gaat het om de bescherming van
het belang dat bepaalde gegevens niet, of althans slechts in beperkte
mate, openbaar worden.
Artikel 8:29 beoogt aan deze uiteenlopende belangen recht te doen.
Ondergetekende is van oordeel dat het processuele belang dat de heer A
heeft bij het verkrijgen van de bedoelde werkgeversgegevens, niet
onevenredig is geschaad als deze gegevens niet worden verstrekt. Zoals
boven is aangegeven zijn er andere mogelijkheden om de gegevens te
verifiëren. Van een relevante beperking van de procedurele rechten van
de heer A kan dan ook niet worden gesproken. In dit verband is nog van
belang dat de voor betrokkene geschikt geachte functies kunnen worden
beschouwd als voorbeeldfuncties van arbeid waarmee een inkomen kan
worden verworven. Deze voorbeeldfuncties moeten plausibel zijn. Die
plausibiliteit behoeft niet aangetoond te worden door de betreffende
werkgever bekend te maken.
Uw Raad heeft in de uitspraak van 16 juli 1996, rolnummer 94/982 (niet
gepubliceerd), aangegeven van oordeel te zijn dat de in het FIS
voorkomende functies gebaseerd zijn op analyses van concrete functies
in Nederlandse bedrijven en dat de daarbij behorende aanvangssalarissen
daadwerkelijk door de geënquêteerde werkgevers worden betaald. Uit
deze uitspraak valt af te leiden dat uw Raad de geloofwaardigheid van het FIS
en de daar uit voortvloeiende gegevens niet in twijfel trekt. Dat
betekent dat een rechter met de informatie die in de arbeidsdeskundige
rapportages ten aanzien van de loonwaarden van de geduide functies wordt
verstrekt, in principe over alle benodigde informatie beschikt, om de
voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen.
Ondergetekende is van mening dat het belang om deze gegevens niet
openbaar te maken zwaarder weegt. Indien werkgevers niet langer
vertrouwelijkheid van de gegevens kan worden gegarandeerd met de eerder
genoemde gevolgen, zullen werkgevers minder genegen zijn om gegevens ten
behoeve van het FIS te verstrekken. Dit zou kunnen betekenen dat FIS
niet meer op de voorgeschreven wijze, met bestaande functies en reële
aanvangssalarissen, kan worden gevuld.
Gezien het voorgaande zijn er gewichtige redenen, als bedoeld in artikel
8:29, lid 1 Awb, om overlegging van de functie-enquêteformulieren te
weigeren."
De Raad kan appellant niet volgen in bovenstaande visie.
In de eerste plaats overweegt de Raad dat appellant op grond van artikel
8:42, eerste lid, van de Awb gehouden is de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Met de rechtbank is de Raad
echter van oordeel dat de functie-enquêteformulieren niet tot deze
stukken behoren. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet
gebleken is dat appellant bij de voorbereiding en het nemen van het
bestreden besluit van deze formulieren gebruik heeft gemaakt en dat
evenmin gebleken is dat deze rechtstreeks hebben bijgedragen tot dat
besluit. Deze bepaling verplichtte appellant derhalve niet de
functie-enquêteformulieren spontaan aan de rechtbank te zenden.
De Raad overweegt voorts dat artikel 8:45, eerste lid, van de Awb de
rechtbank de mogelijkheid biedt het bestuursorgaan te verzoeken onder
dat orgaan berustende stukken in te zenden. Op grond van het tweede lid
van deze bepaling is een bestuursorgaan verplicht - behoudens de uit het
bepaalde in artikel 8:29 van de Awb voortvloeiende beperkingen - aan een
dergelijk verzoek van de rechtbank te voldoen.
Op grond van genoemd artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kunnen
partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over
te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van
inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank
mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen
onderscheidenlijk de stukken. Genoemde gewichtige redenen zijn ingevolge
artikel 8:29, tweede lid, van de Awb voor een bestuursorgaan in ieder
geval niet aanwezig, voorzover ingevolge de Wob de verplichting zou
bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken,
in te willigen.
Volgens de memorie van toelichting gaat het hierbij om een aantal
belangen. Allereerst gaat het om bescherming van het belang dat partijen
over en weer beschikken over de relevante informatie om de door hen
gewenste positie in de procedure in te nemen. Het gaat eveneens om
bescherming van het belang dat de rechter beschikt over alle informatie
die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste wijze af te doen.
Maar het gaat ook om bescherming van het belang dat bepaalde gegevens
niet, althans slechts in beperkte mate, openbaar worden.
Indien een partij zich op het standpunt stelt dat bepaalde stukken niet
kunnen worden overgelegd in een procedure, is het aan de rechter om te
beslissen of desondanks die stukken dienen te worden overgelegd. Dit
uitgangspunt is ook neergelegd in het derde lid van artikel 8:29 van de
Awb, waarin is bepaald dat de rechtbank beslist of de in het eerste lid
bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming
gerechtvaardigd is. Bij een dergelijke beslissing dient zwaar te wegen
dat de rechter een volledig en onbeperkt onderzoek moet kunnen instellen
naar de zaak, zowel wat de feiten als wat het recht betreft. Bovendien
vloeit uit het verdedigingsbeginsel voort, dat de rechter bij dat
onderzoek en de vaststelling van de feiten zich in beginsel alleen op
gegevens van feitelijke aard mag baseren waarvan partijen de juistheid
en volledigheid hebben kunnen nagaan en in het proces ter discussie
hebben kunnen stellen.
In het onderhavige geval is de hoogte van de door appellant gehanteerde
lonen van de functies op grond waarvan de resterende verdiencapaciteit
van gedaagde is vastgesteld, door de gemachtigde van gedaagde
gemotiveerd en gedocumenteerd bestreden. Desondanks heeft appellant naar
aanleiding van de hierboven genoemde brieven van de rechtbank te kennen
gegeven niet bereid te zijn de betreffende functie-enquêteformulieren
aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank heeft hieruit
geconcludeerd dat appellant niet bereid was te voldoen aan een verzoek
op grond van artikel 8:45 van de Awb om de betreffende functie-enquêteformulieren
over te leggen te voldoen. Door die weigering de bedoelde stukken over
te leggen is gedaagde en de rechtbank de mogelijkheid onthouden om na te
gaan of en in hoeverre de daarin vermelde gegevens juist zijn.
Appellant heeft ter zake van de weigering om de door de rechtbank
gevraagde stukken over te leggen een beroep gedaan op artikel 8:29 van
de Awb. In reactie daarop heeft de rechtbank beoordeeld of in het
onderhavige geval geheimhouding op grond van gewichtige redenen, als
bedoeld in artikel 8:29, eerste en tweede lid, van de Awb
gerechtvaardigd was.
De Raad onderschrijft dienaangaande de opvatting van de rechtbank dat de
door appellant aangevoerde redenen niet een zodanig gewicht toekomen dat
de weigering de betreffende stukken over te leggen gerechtvaardigd is.
Ook naar het oordeel van de Raad dienen in het onderhavige geval
fundamentele procesrechtelijke beginselen - waaronder het
verdedigingsbeginsel - zwaarder te wegen dan de praktische belangen van
appellant. De Raad kan en zal daarbij in het midden laten of ingevolge
de Wob reeds de verplichting bestaat de betreffende stukken over te
leggen.
Ten aanzien van de hiervoor genoemde praktische belangen is door
appellant in het bijzonder betoogd dat de bruikbaarheid van het FIS
aangetast dreigt te worden, indien de functie-enquêteformulieren in een
twistgeding als het onderhavige worden overgelegd. Deze verwachting
berust op de veronderstelling van appellant dat een deel van de
benaderde bedrijven niet langer bereid zal zijn gegevens ten behoeve van
het FIS te verschaffen, omdat zij door een verzekerde of zijn
gemachtigde benaderd kunnen worden ter verificatie van de verschafte
gegevens en zij niet genegen zijn het daaruit voortvloeiende beslag op
hun tijd te aanvaarden.
Hoewel de Raad begrip heeft voor de praktische problemen waarvoor
appellant gesteld kan worden, is de Raad toch van oordeel dat appellant
het gewicht van deze praktische problemen in relatie tot het belang van
een goede rechtspleging overschat. Daargelaten of uit de bepalingen van
de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, in het bijzonder artikel
89 van die wet, niet een verplichting tot medewerking van de benaderde
werkgevers voortvloeit en daargelaten of bij een adequate voorlichting
van die bedrijven over het karakter van een procedure als de onderhavige
bedoelde bereidheid doorgaans toch niet zal blijven bestaan, komt een
mogelijke reactie van een aantal werkgevers en de daaraan ten grondslag liggende motieven in ieder
geval onvoldoende gewicht toe om een inbreuk op fundamentele beginselen
van procesrecht te rechtvaardigen.
Uit vorenstaande vloeit voort dat de betreffende stukken aan de
rechtbank hadden dienen te worden overgelegd. De Raad tekent hierbij aan
dat dit oordeel niet impliceert dat in elke procedure betreffende een
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zou moeten worden geverifieerd of de
in het FIS opgenomen gegevens zijn terug te voeren op de door middel van
de functie-enquêteformulieren in dat systeem ingevoerde gegevens en of
deze gegevens juist zijn. In dat verband verwijst de Raad naar zijn
vaste jurisprudentie dat in beginsel van de juistheid van de aan het FIS
ontleende gegevens dient te worden uitgegaan. Indien echter, zoals in
het onderhavige geval is geschied, door een betrokkene de juistheid van
deze gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd wordt bestreden
of indien de rechter zelf aan de juistheid van die gegevens twijfelt,
kan door de rechter onder toepassing van artikel 8:45 van de Awb van
het uitvoeringsorgaan worden verlangd dat het door overlegging van de
betreffende gegevens de verificatie daarvan mogelijk maakt.
Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank
aan de weigering van appellant de betreffende stukken in te zenden
terecht, gelet op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb, het gevolg
van vernietiging van het bestreden besluit heeft verbonden.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
De Raad acht in verband met het voorafgaande termen aanwezig appellant
te veroordelen in de aan de zijde van gedaagde in hoger beroep gevallen
kosten, begroot op f 1.420,- wegens verleende rechtsbijstand.
Gelet op het bovenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 630,- dient te worden geheven.
Derhalve dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van
gedaagde tot een bedrag van f 1.420,-;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 630,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid
van T.W.J.M. Weijers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27
november 1998.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) T.W.J.M. Weijers.
|
|