|
Uitspraak
97/7849
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In
deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van
deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 6 december 1995 heeft appellant met toepassing van
artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) over het
tijdvak van 1 augustus 1993 tot en met 31 december 1993 een korting
toegepast op gedaagdes naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55
tot 65% berekende uitkering ingevolge die wet, aldus dat die uitkering
over genoemd tijdvak niet tot uitbetaling kwam. Appellant heeft daarbij
overwogen dat gedaagde werkzaamheden verricht waarbij niet vaststaat of
gedaagde de inkomsten daaruit duurzaam zal kunnen verwerven.
De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak van 18 juli
1997 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en
dat besluit vernietigd.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 10 november 1997 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagdes gemachtigde, mr. T. Abbo te Oud-Beijerland, heeft bij schrijven
van 1 december 1997 -met bijlagen- meegedeeld dat gelet op het financiële
belang en het principiële karakter van de zaak wordt afgezien van het
voeren van inhoudelijk verweer, en dat wordt gerefereerd aan het oordeel
van de Raad.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 oktober 1998, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. de Rooy, werkzaam
bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V., terwijl gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1930, heeft in 1990 bij appellant melding gemaakt
van een wegens oog- en rugklachten sedert februari 1989 bestaande
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voor zijn werkzaamheden als
zelfstandig fruitteler.
De verzekeringsgeneeskundige stelde als diagnose visusklachten beiderzijds op basis van een netvliesafwijking alsmede
rugklachten, en oordeelde dat gedaagde als gevolg daarvan vanaf 1
februari 1989 beperkingen ondervond, en met name was aangewezen op
rugsparende arbeid.
De arbeidsdeskundige heeft vervolgens aan de hand van de methode van
deeltakenanalyse en urenvergelijking geoordeeld dat gedaagde van de 3165
uren op jaarbasis vóór uitval, nog in staat was 1152 uren te werken,
in verband waarmee gedaagde arbeidsongeschikt was te achten naar een
mate van 55 tot 65%.
Bij besluit van 17 september 1990 heeft appellant gedaagde in
overeenstemming met vorenomschreven benadering met ingang van 31 januari
1990 in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de AAW,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Bij het bestreden besluit van 6 december 1995 heeft appellant, zulks op
basis van de door gedaagde gerealiseerde bedrijfsinkomsten over het jaar
1993, waaruit bleek dat gedaagde in dat jaar geen inkomensverlies had
geleden, met ingang van 1 augustus 1993 onder toepassing van de sedert
die datum van kracht zijnde nieuwe kortingsregeling als neergelegd in
artikel 33 van de AAW, gedaagdes uitkering over het tijdvak van 1
augustus 1993 tot en met 31 december 1993 op nihil gesteld, onder
overweging dat niet vaststaat dat gedaagde die inkomsten duurzaam zal
kunnen verwerven.
Namens gedaagde is in beroep tegen dat besluit aangevoerd dat zijn
inkomsten, welke voor een groot gedeelte bestaan uit rente-inkomsten
over belegd vermogen, wel een duurzaam karakter hebben, zodat niet aan
de voorwaarden voor toepassing van artikel 33 van de AAW is voldaan.
Namens gedaagde is in verband hiermee gevorderd te bepalen dat hij
alsnog over het in het bestreden besluit genoemde tijdvak aanspraak kan
maken op ongewijzigde voortzetting van zijn uitkering op basis van de
klasse 55 tot 65%.
De rechtbank was van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is te
achten met de wet en heeft dat besluit deswege vernietigd. In de
aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als verweerder en
gedaagde als eiser, heeft de rechtbank daartoe onder meer als volgt
overwogen:
"Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu er sprake was van
inkomsten uit arbeid terwijl van deze inkomsten de duurzaamheid niet
vaststaat, er geen aanleiding was om tot een feitelijke schatting over
te gaan, zodat eisers inkomsten uit arbeid met toepassing van artikel 33
van de AAW gekort dienden te worden op zijn uitkering ingevolge de AAW.
De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen, aangezien in het
onderhavige geval immers niet is voldaan aan de voorwaarde voor
toepassing van artikel 33 van de AAW, namelijk dat twijfel bestaat
omtrent de vraag of de door eiser verrichte arbeid aangemerkt kan worden
als arbeid als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de AAW. Het staat
immers vast dat eiser deze arbeid nog kan verrichten.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de wetgever de bedoeling
heeft gehad in de nieuwe redactie van artikel 33 van de AAW zowel het
oude artikel 33 van de AAW als het inmiddels vervallen artikel 34 van de
AAW onder te brengen.
Deze bedoeling vindt naar het oordeel van de rechtbank niet haar
weerslag in de tekst van artikel 33 van de AAW in die zin, dat genoemd
artikel geen basis biedt voor het anticumuleren van inkomsten uit arbeid
waarvan vaststaat dat die passend is en duurzaam kan worden verricht.
Tussen de wens van de wetgever om het oude artikel 33 en het inmiddels
vervallen artikel 34 van de AAW in één nieuwe bepaling met één
reikwijdte om te zetten en het feitelijk in de wet neergelegde artikel
33 van de AAW bestaat derhalve een discrepantie.
De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is aan de inhoudelijke
duidelijke en niet voor meerdere uitleg vatbare bewoordingen van artikel
33 van de AAW een betekenis toe te kennen, die afwijkt van de inhoud van
die bewoordingen."
Appellant kan zich met de zienswijze van de rechtbank niet verenigen en
heeft, samengevat weergegeven, de opvatting verdedigd dat artikel 33 van
de AAW naar zijn bedoeling niet slechts beperkt is tot situaties waarin
twijfel bestaat ten aanzien van de vraag of de betreffende arbeid voor
iemands krachten en bekwaamheden is berekend, maar tevens gebruikt kan
worden in situaties waarin twijfel bestaat ten aanzien van de
duurzaamheid van de verworven inkomsten.
Ten aanzien van de categorie zelfstandigen heeft appellant daarbij,
onder aanhaling van rechtspraak van de Raad waarin wordt bepaald dat een
zelfstandige geschat dient te worden op de inkomsten uit het bedrijf
gedurende in beginsel drie jaar, erop gewezen dat een uitleg van artikel
33 zoals voorgestaan door de rechtbank tot de ongewenste situatie kan
leiden dat bij een hervatting door een (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte
zelfstandige in zijn arbeid, geen mogelijkheid bestaat tot anticumulatie
van de met die arbeid verworven inkomsten, omdat de arbeid waarin is
hervat in medisch en arbeidskundig opzicht passend is, terwijl evenmin
(nog) geen schatting mogelijk is omdat er nog geen bedrijfsresultaten
over drie jaar bekend zijn.
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.
De Raad kan de hiervoor weergegeven bezwaren van appellant tegen de
zienswijze van de rechtbank in grote lijnen onderschrijven.
De Raad wijst daarbij vooreerst op het nauwe verband tussen de in
artikel 33 van de AAW neergelegde kortingsregeling op basis van een
zogeheten fictieve schatting enerzijds en de in artikel 5 van de AAW
neergelegde regeling inzake daadwerkelijke schatting anderzijds, welke
regelingen ten opzichte van elkaar een - door gedaagdes gemachtigde
blijkens diens vordering in beroep overigens niet onderkende -
complementaire werking hebben en - dan ook - deel uitmaken van een en
dezelfde systematiek.
Bedoelde complementaire werking bestaat hieruit dat in geval van
klasseoverschrijdende inkomsten, verdiend door een arbeidsongeschikte,
óf een schatting plaatsvindt indien aan alle voorwaarden voor zodanige
schatting is voldaan óf een korting - gedurende een gemaximeerde
periode - indien zulks niet het geval is.
Ingevolge het bepaalde in artikel 5 van de AAW, zowel naar de redactie
daarvan - als in casu aan de orde - tot 1 augustus 1993 als naar de
redactie sedert die datum, is voor een beoordeling van de mate van
arbeidsongeschiktheid, voor zover hier van belang, vereist dat sprake is
van inkomsten uit arbeid die voor iemands krachten en bekwaamheden is
berekend. Uit de omschrijving van het arbeidsongeschiktheidsbegrip volgt
tevens dat het daarbij moet gaan om inkomsten die representatief kunnen
worden geacht voor de resterende verdiencapaciteit, hetgeen een zekere
duurzaamheid van die inkomsten impliceert.
In geval van theoretische schattingen alsmede feitelijke schattingen op
inkomsten uit loondienstfuncties zal doorgaans, indien is voldaan aan de
voorwaarde dat de arbeid in medisch en arbeidskundig opzicht passend is,
tevens gegeven zijn dat ook is voldaan aan laatstgenoemde voorwaarde
inzake de representativiteit van het daarmee te verwerven inkomen.
Ten aanzien van gevallen waarin de mate van arbeidsongeschiktheid van
een verzekerde wordt bepaald aan de hand van zijn inkomsten als
zelfstandige heeft de Raad in zijn rechtspraak evenwel blijk gegeven van
zijn opvatting dat het met het oog op een verantwoorde schatting geboden
is dat een langere periode -van in beginsel drie jaar- voorafgaande aan
de schattingsdatum in aanmerking wordt genomen teneinde te bezien of
sprake is van zodanige representatief te achten, voldoende duurzame
inkomsten, gedurende welke periode toepassing kan worden gegeven aan de
wettelijke anticumulatieregeling.
De enkele omstandigheid dat de hiervoor aangegeven schattingsvoorwaarde
dat sprake moet zijn van een bepaalbaar inkomen dat een voldoende mate
van representativiteit en duurzaamheid heeft, niet expliciet tot
uitdrukking is gebracht in het vijfde lid van artikel 5 waarnaar in
artikel 33 wordt verwezen, staat naar het oordeel van de Raad - anders
dan de rechtbank oordeelde - tegen de achtergrond van vorenomschreven
systematische samenhang tussen schatting en korting niet in de weg aan
korting van inkomsten van een zelfstandige - gedurende maximaal de in
artikel 33 vermelde aaneengesloten termijn van drie jaar - waarvan omvang
en continuïteit nog onvoldoende bepaalbaar zijn, ook al worden deze
verworven met voor de krachten en bekwaamheden berekende arbeid.
De Raad merkt daarbij op dat hij ook in de geschiedenis van de
totstandkoming van artikel 33 van de AAW, zoals dat artikel sedert 1
augustus 1993 luidt, geen aanwijzingen heeft aangetroffen waaruit kan
worden afgeleid dat de wetgever een dergelijke beperkte strekking van
dat artikel voor ogen zou hebben gestaan en aldus op dit punt een
wijziging zou hebben willen aanbrengen ten opzichte van de tot die datum
bestaande wettelijke mogelijkheden tot korting.
De door de rechtbank gevolgde zienswijze zou, naar appellant terecht
naar voren heeft gebracht, in geval van inkomsten die worden verdiend
met arbeid die voor iemands krachten en bekwaamheden is berekend, tot
het door appellant als ongewenst omschreven gevolg kunnen leiden dat
noch korting noch schatting mogelijk is, dan wel tot het voor een
verzekerde ongewenste gevolg dat aanstonds zou dienen te worden
overgegaan tot een feitelijke schatting, met voorbijzien aan de vraag of
omvang en duurzaamheid van die inkomsten reeds in voldoende mate
bepaalbaar zijn. Aldus zou ook de inkomensbeschermende werking van de
onderhavige kortingsbepaling worden miskend, hetgeen bepaald niet in het
belang van de betrokken verzekerde kan worden geacht.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de door rechtbank aan haar
vernietiging van het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering
als onjuist van de hand dient te worden gewezen. De Raad beantwoordt de
hiervoor geformuleerde rechtsvraag in bevestigende zin.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Madunic
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december 1998.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S.P. Madunic.
|
|