|
Uitspraak
97/6534
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant is bij gemachtigde mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, in
hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht
tussen partijen op 6 juni 1997 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen. Op de bij beroepschrift aangevoerde gronden heeft deze de Raad
verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep
alsnog gegrond te verklaren.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 20 november 1998, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. M.F. Vermaat, voornoemd, als zijn raadsman, en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.B. van der Horst, werkzaam
bij Gak Nederland BV. Als tolk was aanwezig A. von Harras, verbonden aan
de Nederlandse Doventolkdienst te Utrecht.
II. MOTIVERING
Waar in deze uitspraak melding wordt gemaakt van bij of krachtens de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) gegeven voorschriften wordt
gedoeld op de bepalingen zoals die golden ten tijde hier in geding.
Appellant, geboren in 1958, is sedert zijn geboorte doof. Nadat hij in
1982 de Atheneumopleiding had afgerond is appellant medicijnen gaan
studeren. In verband daarmee diende appellant in 1983 een verzoek in om
vergoeding in het kader van de AAW van de kosten, verbonden aan de
inschakeling van een doventolk. Bij besluit van 8 oktober 1984 heeft
gedaagde dat verzoek afgewezen, op grond dat gelet op artikel 5 lid 1
sub c van het Koninklijk besluit van 14 augustus 1976, Stb. 434, het
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen terzake bevoegd was. De Raad
heeft bij uitspraak van 26 mei 1987, naar aanleiding van het hoger
beroep van appellant tegen de door de toenmalige Raad van Beroep te
Utrecht op 16 oktober 1985 gegeven uitspraak, waarbij het beroep van
appellant tegen voormeld besluit ongegrond werd verklaard, die uitspraak
bevestigd zij het op andere grond dan daarin was aangegeven.
Naar aanleiding van het op 17 februari 1988 door de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgevaardigde Besluit
Doventolkvoorziening AAW (Strct. 1988, 34), waarin aan de
uitvoeringsorganen van de AAW met zoveel woorden de bevoegdheid werd
gegeven bij wijze van voorziening als bedoeld in artikel 57 van de AAW
een vergoeding voor een doventolk te verstrekken, heeft appellant zich
wederom tot gedaagde gewend en verzocht hem onder meer in de
onderwijssituatie een zodanige vergoeding te verstrekken. Het besluit
van 28 februari 1990, waarbij gedaagde dit verzoek afwees, is door de
Raad van Beroep te Utrecht bij uitspraak van 12 juli 1990 vernietigd.
Gedaagde heeft in die uitspraak berust en daarvan aan de toenmalige
gemachtigde van appellant bij brief van 5 september 1990 mededeling
gedaan.
Op 25 februari 1994 slaagde appellant voor het artsexamen. In maart 1994
verzocht appellant om vergoeding van de kosten van de inschakeling van
een doventolk in verband met zijn wens zich te specialiseren tot
psychiater of revalidatiearts. Gedaagdes administrateur bracht terzake
op 20 januari 1995 een negatief advies uit, gebaseerd op de overwegingen
dat er voor appellant na de afronding van zijn opleiding tot arts
voldoende arbeidsmarktperspectief zou zijn en dat zijn persoonlijk
belang bij het verstrekken van de gevraagde voorziening niet opweegt
tegen de te maken kosten. Blijkens een notitie van 7 maart 1995 nam de
zogeheten kleine commissie van gedaagde dit advies over, zulks evenwel
met de toevoeging dat nog samen met appellant zou worden gezocht naar
ander mogelijkheden die minder langdurig en minder kostbaar zouden zijn.
Bij besluit van 11 mei 1995 wees gedaagde het verzoek af. Na bezwaar van
appellant en na heroverweging in verband met de constatering dat een
onderzoek naar evenbedoelde andere mogelijkheden niet had plaats
gevonden heeft gedaagde het bezwaar afgewezen bij het thans in geding
zijnde besluit van 15 november 1995. In de aangevallen uitspraak is het
beroep van appellant tegen laatstvermeld besluit ongegrond verklaard.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden
besluit in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad het
volgende.
Op basis van het Besluit AAW-Voorzieningenverstrekking (Stb. 1994, 585), zoals dat nadien is gewijzigd, heeft gedaagde ten aanzien van de
noodzaak van onderwijsvoorzieningen voor vroeggehandicapten een beleid
ontwikkeld dat is neergelegd in een besluit van 20 juli 1995, Strct. 1996,
51. Blijkens dat besluit houdt gedaagdes beleid vanaf 1 augustus 1995
in dat (ook) aan de vroeggehandicapte die aansluitend aan het voortgezet
onderwijs een opleiding op HBO of universitair niveau gaat volgen en
voor wie vanwege zijn handicap voorzieningen noodzakelijk zijn om dit
onderwijs te kunnen volgen, noodzakelijke voorzieningen in het kader van
de AAW in beginsel steeds worden verstrekt, voor zover de overige
voorwaarden voor verstrekking zich daartegen niet verzetten en mits
daardoor geen onredelijk beroep op de verzekering wordt gedaan. Anders
dan tot 1 augustus 1995 vindt voor de bedoelde categorie geen
beoordeling plaats in hoeverre de voorziening al dan niet strekt tot
daadwerkelijke reďntegratie dan wel toetreding tot het arbeidsproces.
De in het bestreden besluit vervatte motivering van de afwijzing van de
gevraagde voorziening, luidende:" Gerelateerd aan uw persoonlijk
belang en de volgens het bestuur van de bedrijfsvereniging
twijfelachtige meerwaarde van het geambieerde opleidingstraject voor uw
kansen op de arbeidsmarkt wordt er in uw geval een disproportionele
aanspraak op het AAW-fonds gedaan" houdt, anders dan voren
aangegeven, ten dele vast aan het voor 1 augustus 1995 vigerende beleid inzake de arbeidsmarkttoets. Uit het
bestreden besluit blijkt evenwel niet op welke grond nog toepassing is
gegeven aan het op dat moment reeds verlaten beleid. In zoverre berust
dat besluit derhalve niet op een deugdelijke motivering.
Door en vanwege appellant is overigens bestreden dat hij door de
voltooiing van zijn opleiding tot basisarts voldoende
arbeidsmarktperspectief zou hebben. Hij wees er ter zitting van de Raad
op dat hij talrijke sollicitaties heeft verricht die naar zijn
overtuiging alle alleen daarom zonder resultaat zijn gebleven omdat
gevreesd werd dat hij als dove niet zou kunnen voldoen aan de eisen tot
communicatie, die werden gesteld. De Raad ziet geen aanleiding aan de
mededelingen van appellant op dit punt te twijfelen. Daarbij verdient
opmerking dat het onderzoek naar andere mogelijkheden als basisarts voor
appellant, als gedaagde zich voorstelde te doen blijkens voormelde
notitie van 7 maart 1995, gegeven hetgeen dienaangaande blijkt uit de
zich onder de gedingstukken bevindende drie summiere telefoonrapporten
van respectievelijk 27 juni 1995 en 28 juni 1995, niet of nauwelijks tot
resultaat heeft geleid. Blijkens het telefoonrapport van 28 juni 1995
heeft gedaagdes medische dienst er in tegendeel op gewezen dat
"bijna niemand basisarts blijft, maar zich specialiseert".
Naar 's Raads oordeel geldt de noodzaak tot specialisatie wellicht nog
in sterkere mate voor een gehandicapte als appellant. Dat appellant ook
na voltooide specialisatie geen reëel arbeidsperspectief zou hebben
wordt weliswaar door gedaagde gesteld doch verder niet onderbouwd.
Eerder lijkt de Raad niet onaannemelijk dat appellant juist door zijn
handicap een belangrijke inbreng zal kunnen hebben met name bij de
psychiatrische begeleiding van doven. Het gaat dan ook naar 's Raads
oordeel bepaald te ver om de gevraagde voorziening slechts te willen verlenen als appellant over een gegarandeerde
arbeidsplaats zou beschikken. De in het bestreden besluit neergelegde
stelling van gedaagde dat verstrekking van de voorziening zou leiden tot
een disproportionele aanspraak op het AAW-fonds mist voorts feitelijke
grondslag nu door gedaagde geen onderzoek is gedaan naar de te
verwachten omvang van de aan de gevraagde voorziening verbonden kosten.
Op grond van het vorenstaande beantwoordt de Raad de dit geding
beheersende vraag ontkennend. De aangevallen uitspraak en het bestreden
besluit kunnen derhalve niet in stand worden gelaten.
De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig gedaagde
op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te
veroordelen in de kosten van appellant, welke zijn begroot op f 2.840,--
als kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep.
Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd
en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en
25, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad ten slotte vast dat het
door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte
griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde op het verzoek van appellant om vergoeding van de
kosten van inschakeling van een doventolk een nieuw besluit zal nemen
met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 1.420,-- en in hoger beroep tot een bedrag van f
1.420,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 200,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en mr.
R.A.F. de Guasco als leden, in
tegenwoordigheid van mr. M. van 't Klooster als griffier, en uitgesproken
in het openbaar op 29 december 1998.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.)
M. van 't Klooster.
|
|