|
Uitspraak
97/5542
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze
uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 27 mei 1993 heeft gedaagde de eerder aan appellante
toegekende uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) met ingang van 1 januari 1994 beëindigd, omdat zij in het jaar
onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid
- door gedaagde gesteld op 1 januari 1971 - geen inkomen uit arbeid heeft
verworven.
De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 16 mei
1997 het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Tegen bovengenoemde uitspraak heeft appellante bij gemachtigde mr. A.C.
Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft op 13 oktober 1997 een verweerschrift ingediend.
Desverzocht heeft gedaagde op 27 maart 1998 en 2 juli 1998 nog nadere
stukken aan de Raad overgelegd.
Op 19 oktober 1998 heeft de gemachtigde van appellante nog een aantal
stukken bij de Raad ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 oktober
1998, waar appellante in persoon is verschenen met bijstand van mr. A.C.
Cornelisse, voornoemd, als haar raadsman en waar gedaagde - zoals te
voren schriftelijk aangekondigd - zich niet heeft laten
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Blijkens de inhoud van de gedingstukken heeft appellante (geboren in
1941) op 28 juni 1988 bij gedaagde een aanvraag om toekenning van een
uitkering krachtens de AAW ingediend, omdat zij zich sedert haar
geboorte geheel arbeidsongeschikt achtte. De betrokken verzekeringsgeneeskundige kwam op grond van zijn onderzoek en van de huisarts
ontvangen inlichtingen d.d. 1 juni 1989 tot de conclusie dat appellante
als gevolg van haar longklachten op en na 1 oktober 1975, 1 oktober
1976, 1 januari 1979 en sedertdien volledig arbeidsongeschikt was en dat
als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 11 april 1958 aannemelijk was. Op 5
juli 1989 adviseerde de voormalige Gemeenschappelijke Dienst (GMD)
dienovereenkomstig, met welk advies de medische dienst van gedaagde op
19 juli 1989 akkoord ging.
In december 1989 nam bedoelde verzekeringsgeneeskundige alsnog kennis
van een dossier van appellante, waaruit onder meer bleek dat zij in 1967
en 1968 ondanks haar klachten arbeid in WSW-verband had verricht en dat
zij geschikt werd geacht voor schoon licht werk in een kalme omgeving.
Bij een door appellante niet aangevochten beslissing d.d. 6 februari
1969 werd zij blijkens dit dossier op 4 januari 1969 minder dan 15%
arbeidsongeschikt in de zin van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geacht. Na bestudering van dit
dossier leek het genoemde verzekeringsgeneeskundige alsnog reëel vanaf
1971 uit te gaan van toegenomen beperkingen. Hierop bracht de GMD op 2
maart 1990 een gewijzigd advies uit, inhoudende dat als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag van appellante 1 januari 1971 moest worden
aangemerkt en dat zij niet als jeugdgehandicapte diende te worden
beschouwd.
Vervolgens heeft gedaagde aan appellante een uitkering krachtens de AAW
toegekend. Op 5 februari 1993 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld
dat in afwijking van het eerdere advies van de GMD haar eerste
arbeidsongeschiktheidsdag op 1 januari 1971 werd gesteld en dat zulks
betekende dat er in het jaar voor het intreden van de
arbeidsongeschiktheid enig inkomen moet zijn verdiend, aan welke eis zij
niet voldeed. Hierna heeft gedaagde het bestreden besluit genomen,
waarbij de uitkering per 1 januari 1994 werd beëindigd.
In dit geding is in de eerste plaats de vraag aan de orde of gedaagde
terecht heeft aangenomen dat appellante niet eerder dan op 1 januari
1971 arbeidsongeschikt in de zin van de AAW is geworden.
De rechtbank heeft deze vraag in de aangevallen uitspraak bevestigend
beantwoord. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij als
jeugdgehandicapte moet worden aangemerkt overweegt de rechtbank dat
verweerders rechtsvoorganger, nu eiseres in de periode voor 3 januari
1968 gedurende langere tijd werkzaam is geweest in verschillende
beroepen, terecht heeft aangenomen dat eiseres niet als
jeugdgehandicapte moet worden aangemerkt.
Eiseres dient aldus te voldoen aan de inkomenseis.
Ten aanzien van de datum waarop de arbeidsongeschiktheid van eiseres is
ingetreden overweegt de rechtbank het volgende.
Uit het besluit van verweerders rechtsvoorganger van 6 februari 1969,
welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden, blijkt dat eiseres op
4 januari 1969 minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Nu de WAO hetzelfde
arbeidsongeschiktheidscriterium hanteert als de AAW, gaat de rechtbank
er van uit dat eiseres op 4 januari 1969 arbeidsgeschikt was ingevolge
de AAW.
Uit de informatie die verweerder blijkens de gedingstukken op 1 juni
1989 van de huisarts heeft verkregen blijkt dat eiseres vanaf 1 januari
1971 regelmatig excacerbaties van haar longklachten had terwijl het
daarvoor lange tijd is goed gegaan. De rechtbank is derhalve van oordeel
dat verweerders rechtsvoorganger op goede gronden is uitgegaan van 1 januari 1971 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, met name nu door
eiseres geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit
zou kunnen worden afgeleid dat zij op enig moment in de periode tussen 4
januari 1969 en 1 januari 1971 al arbeidsongeschikt is geworden."
In hoger beroep is van de kant van appellante betoogd dat zij primair
als jeugdgehandicapte dient te worden beschouwd en dat subsidiair haar
eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 3 januari 1968 moet worden gesteld.
De Raad is dienaangaande tot het oordeel gekomen dat de gedingstukken
onvoldoende steun bieden voor de opvatting van gedaagde dat niet eerder
dan op 1 januari 1971 de arbeidsongeschiktheid van appellante is
ingetreden. In dat verband neemt de Raad het onderstaande in aanmerking.
Gelet op de hierboven geschetste gang van zaken is bij de nadere
standpuntbepaling van gedaagde ten aanzien van de datum waarop de
arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de AAW is ingetreden,
van grote betekenis geweest het gegeven dat aan appellante bij besluit
d.d. 6 februari 1969 een uitkering krachtens de WAO is geweigerd,
alsmede de aan dat besluit ten grondslag liggende feiten en
omstandigheden.
Anders dan de rechtbank meent, kan naar het oordeel van de Raad echter
uit het in rechte onaantastbare besluit van 6 februari 1969 niet zonder
meer worden geconcludeerd dat appellante op 4 januari 1969
arbeidsgeschikt in de zin van de AAW was. De rechtskracht van dat
besluit is immers beperkt tot het bestaan van een aanspraak op WAO op
genoemde datum, terwijl de aan dit besluit ten grondslag liggend feiten
en omstandigheden niet van beslissende betekenis zijn voor de bepaling
van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW.
Dit klemt te meer, nu het in casu gaat om de toepassing van artikel IV
van de Wet van 3 mei 1989, zijnde een wettelijk voorschrift dat tot
stand gekomen en ingevoerd is lang na het nemen van de hiervoor genoemde
beslissing, en waarbij aan die feiten en omstandigheden een andere
juridische relevantie is verleend dan deze ten tijde van het nemen van
die beslissing hadden. Voorts dient bij de opvatting van de rechtbank
dat de WAO hetzelfde arbeidsongeschiktheidscriterium hanteert als de AAW
de kanttekening geplaatst te worden dat ingevolge artikel 5, zevende
lid, van de AAW bij de toepassing van dat artikel buiten beschouwing
gelaten wordt hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht
bij wijze van sociale werkvoorziening, en dat de WAO een vergelijkbare
bepaling niet kent.
Voorts is van belang dat in dit geding geen duidelijk beeld van de
feiten en omstandigheden die ten grondslag hebben gelegen aan
meergenoemd besluit van 6 februari 1969, is verkregen. In dat verband
wijst de Raad op de op 2 juli 1998 aan de Raad gezonden brief van de
verzekeringsarts J.E. Kuit, waarin is vermeld dat de aan genoemd besluit
ten grondslag liggende rapporten van verzekeringsgeneeskundige en
arbeidskundige aard in het dossier ontbreken. Uit de wel nog beschikbare
stukken betreffende de situatie in 1968 blijkt dat naast klachten van
surmenage ook de longproblemen van appellante herhaaldelijk een grond
hebben gevormd haar werkzaamheden in WSW-verband te staken.
Ook overigens blijkt niet van een voldoende medische en arbeidskundige
grondslag van het standpunt van gedaagde. Dat berust voorts kennelijk
mede op de inhoud van een (aan haar huisarts gerichte) brief d.d. 1
maart 1971 van de behandelende specialist van appellante, K.B. Tan, bij
welke arts zij van 1959 tot 1979 onder behandeling was, en de reeds
genoemde brief d.d. 1 juni 1989 van haar huisarts G.M. van den Brink,
die haar longklachten sedert 1979 behandelde.
Genoemde brief van de geneeskundige Tan vermeldt - naast een aantal
bevindingen van verricht medisch onderzoek - dat appellante als baby
dauwworm heeft gehad en vanaf haar jeugd last had van astmatische
bronchitis. Tevens is in die brief de zinsnede opgenomen dat zij de
laatste jaren weinig last heeft gehad van haar astma. Met betrekking tot
die opmerking heeft genoemde huisarts van appellante in zijn brief van
23 oktober 1997 echter gesteld dat die opmerking curatief was bedoeld,
dus niets zegt over de arbeids(on)geschiktheid van appellante en dat
derhalve de conclusie van de GMD onjuist is. Voorts is van betekenis dat
bovengenoemde bevindingen van de behandelende artsen reeds bij het
advies d.d. 5 juli 1989 van de GMD bekend waren en toen kennelijk geen
beletsel vormden appellante als jeugdgehandicapte aan te merken.
De Raad moet dan ook constateren dat gedaagdes standpunt niet berust op
een zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige evaluatie
van de voor appellante bestaande medische beperkingen en de gevolgen
daarvan voor haar vermogen inkomensvormende arbeid in het vrije
bedrijfsleven te verrichten. Derhalve is de Raad van oordeel dat het
bestreden besluit op een ontoereikende grondslag berust en om die reden,
evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is
gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht tenslotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van
de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze
kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in
eerste aanleg en op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger
beroep.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad voorts
vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep
gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
Uit vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep alsnog gegrond en
vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep tot een bedrag groot f
1.420,- ;
Bepaalt dat het Lisv aan het appellante het gestorte recht van f 185,-
dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. P. Lourens als leden in tegenwoordigheid
van T.W.J.M. Weijers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11
december 1998.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) T.W.J.M. Weijers.
|
|