|
Uitspraak
97/4293 AAW, 97/4294 AAW, 97/4295 AAW, 97/10645 AAW en 97/10646 AAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 27 november 1995 heeft gedaagde beslist de aan appellant
toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, over de periode 1 augustus 1993 tot
15 december 1993 met toepassing van artikel 33 van de AAW niet uit te
betalen.
Bij eveneens 27 november 1995 gedagtekend besluit (hierna: besluit 1)
heeft gedaagde besloten appellants arbeidsongeschiktheidsuitkering over
de periode 1 juli 1994 tot 15 maart 1995 met toepassing van artikel 33
van de AAW niet uit te betalen.
Op 27 november 1995 heeft gedaagde voorts beslist de appellant op diens
uitkering krachtens de AAW toegekende aanvulling, het zogenoemde
'kopje', over de perioden 1 augustus 1993 tot 15 december 1993 en 1 juli 1994 tot 15 maart 1995
alsnog te beëindigen (hierna: besluit 2).
Bij besluit van 28 november 1995 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde
besloten hetgeen aan appellant over de perioden 1 augustus 1993 tot 15
december 1993 en 1 juli 1994 tot 15 maart 1995 te veel dan wel ten
onrechte aan arbeidsongeschiktheidsuitkering was uitbetaald terug te
vorderen.
De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van 25 april
1997, gegeven onder de nummers 95/4061 AAW, 95/4062 AAW en 95/4063 AAW,
appellants beroep tegen de besluiten 1 en 3 gegrond verklaard en die
besluiten vernietigd, voor zover betrekking hebbend op de periode 1 juli
1994 tot en met 31 oktober 1994 voor zover daarbij appellants fictieve
mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 25 tot 35%,
en appellants beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.
Namens appellant is door mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Utrecht,
tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingezonden.
Gedaagde heeft voorts op 10 oktober 1997 beslist op de aan appellant
toegekende uitkering krachtens de AAW over de periode 1 juli 1994 tot 1
november 1994 op grond van artikel 33 van de AAW een korting toe te
passen als ware appellant 25 tot 35% arbeidsongeschikt in de zin van die
wet (hierna: besluit 4).
Bij een eveneens 10 oktober 1997 gedagtekend besluit (hierna: besluit 5)
heeft gedaagde van appellant teruggevorderd hetgeen hem over de periode
van 1 juli 1994 tot 1 november 1994 te veel dan wel ten onrechte aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering was betaald.
Namens appellant is - desgevraagd - een reactie ingezonden op voormelde
besluiten van 10 oktober 1997.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 3 september 1999, waar
appellant verschenen, bij gemachtigde mr. M.H.W.J. Hendriks, advocaat te Utrecht en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. J. de Maar, werkzaam bij Gak Nederland
B.V.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de
volgende feiten en omstandigheden.
Aan appellant, jeugdgehandicapte, is met ingang van 1 mei 1983 een
uitkering krachtens de AAW toegekend berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 8 augustus 1995 heeft een opsporingsfunctionaris van gedaagde een
rapport opgemaakt over een fraudeonderzoek. Uit dat rapport is naar
voren gekomen dat appellant van juli 1993 tot medio maart 1995 voor de
toepassing van de AAW relevante inkomsten had in verband met arbeid als
standbouwer, heler en drugshandelaar. Gedaagde heeft daarop de in
rubriek I vermelde besluiten van 27 en 28 november 1995 genomen.
Het besluit van 27 november 1995 betreffende korting van de aan
appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
artikel 33 van de AAW van 1 augustus 1993 tot 15 december 1993 is door appellant niet
aangevochten. Appellant heeft wel beroep ingesteld tegen de besluiten 1,
2 en 3.
Bij besluit 1 heeft gedaagde met toepassing van artikel 33 van de AAW beslist dat appellant over de periode 1 juli 1994
tot 15 maart 1995 geen recht heeft op uitbetaling van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij over dat tijdvak inkomsten uit
arbeid genoot die, indien die arbeid de in artikel 5, vijfde lid, van de
AAW bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid in de zin van die wet.
De rechtbank heeft bedoeld besluit vernietigd voor zover betrekking
hebbend op de periode 1 juli 1994 tot en met 31 oktober 1994. Hoewel de
rechtbank blijkens haar overwegingen geen aanknopingspunten heeft
gevonden voor het oordeel dat gedaagde de hoogte van appellants
inkomsten uit arbeid over de periode 1 juli 1994 tot 15 maart 1995
onjuist heeft vastgesteld en deswege appellants uitkering met
terugwerkende kracht kon worden gekort, kon zij gedaagde niet volgen in
zijn conclusie dat, indien de door appellant verrichte arbeid arbeid als
bedoeld in het vijfde lid van artikel 5 van de AAW zou zijn, ten aanzien
van appellant niet langer sprake was van arbeidsongeschiktheid in de
zin van die wet. Naar het oordeel van de rechtbank leidt een met
correcte hantering van de artikelen 5 en 6 van het hier toepasselijke
Schattingsbesluit uitgevoerde berekening van appellants maatmaninkomen
ertoe dat ten aanzien van appellant van 1 juli 1994 tot en met 31
oktober 1994 moet worden uitgegaan van een fictieve mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Gedaagde heeft vervolgens, gelet op appellants inkomsten uit arbeid in
de periode 1 juli 1994 tot 1 november 1994 bij besluit 4 beslist de aan
appellant toegekende uitkering ingevolge de AAW over evenbedoelde
periode uit te betalen als ware appellant 25 tot 35% arbeidsongeschikt.
De aan appellant op diens uitkering krachtens de AAW toegekende
aanvulling, het zogenoemde 'kopje', is door gedaagde over de periode 1
augustus 1993 tot 15 december 1993 en van 1 juli 1994 tot 15 maart 1995
alsnog beëindigd gelet op inkomsten uit arbeid in die perioden.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen besluit 2
ongegrond verklaard. Op grond van het door appellant niet aangevochten
besluit van 27 november 1995 betreffende de toepassing van voormeld
artikel 33 over de periode 1 augustus 1993 tot 15 december 1993 en de
overwegingen van de rechtbank over besluit 1 heeft de rechtbank
geoordeeld dat gedaagde gelet op appellants inkomsten uit arbeid in
voornoemde perioden terecht de ingevolge artikel 48 van de Invoeringswet
sociale zekerheid (IWS) toegekende verhoging met terugwerkende kracht
over die perioden heeft ingetrokken.
Bij besluit 3 heeft gedaagde besloten hetgeen aan appellant over de
perioden 1 augustus 1993 tot 15 december 1993 en 1 juli 1994 tot 15
maart 1995 te veel dan wel ten onrechte aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering was uitbetaald terug te vorderen.
Gedaagde heeft die terugvordering primair gebaseerd op artikel 48,
eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW, zoals die wet ten tijde hier
van belang luidde, en subsidiair op het bepaalde in artikel 48, eerste
lid, aanhef en onder b, van die wet.
Blijkens de aangevallen uitspraak was de rechtbank van oordeel dat
besluit 3 - met uitzondering van de periode van 1 juli 1994 tot en met
31 oktober 1994 - in stand kon blijven. De rechtbank achtte, gelet op
het door appellant niet bestreden besluit van 27 november 1995
betreffende de toepassing van artikel 33 over de periode van 1 augustus 1993 tot 15 december 1993 en haar overwegingen over besluit
1, voldoende vaststaan dat gedaagde appellant over de in besluit 3
genoemde perioden onverschuldigd arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft
betaald. Volgens de rechtbank was dit te wijten aan toedoen van
appellant omdat deze niet had voldaan aan de in artikel 78 van de AAW vermelde spontane
mededelingsverplichting en de
hem toegezonden inlichtingenformulieren onjuist had ingevuld. Van de
wijze waarop gedaagde van zijn terugvorderingsbevoegdheid gebruik had gemaakt, heeft de
rechtbank geoordeeld dat gedaagde daartoe in redelijkheid had kunnen
komen.
Gelet op de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van besluit 3
voor zover betrekking hebbend op de periode van 1 juli 1994 tot en met
31 oktober 1994 voor zover daarbij appellants fictieve mate van
arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 25 tot 35% en gelet op besluit
4 heeft gedaagde bij besluit 5 een nadere beslissing genomen terzake van
de terugvordering van hetgeen aan appellant over de periode van 1 juli
1994 tot 1 november 1994 te veel dan wel ten onrechte aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering is uitbetaald. Uit dat besluit en de
bijbehorende brief blijkt dat het van appellant terug te vorderen bedrag
zowel op de primair aangevoerde, zogenoemde a-grond, als de subsidiair
aangevoerde, zogenoemde b-grond, f 1900,83 lager wordt gesteld dan in
besluit 3.
Voor zover de rechtbank in de aangevallen uitspraak de juistheid van de
besluiten 1, 2 en 3 heeft onderschreven, heeft appellant in hoger beroep
herhaald dat gedaagde is uitgegaan van een onjuist bedrag aan inkomsten
en dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. Wat
betreft de besluiten 4 en 5 heeft appellant - desgevraagd - doen weten
tegen deze besluiten dezelfde gronden aan te voeren als tegen de
besluiten 1, 2 en 3.
De Raad overweegt het volgende.
A. Ten aanzien van het oordeel van de rechtbank over besluit 1 en de
rechtmatigheid van besluit 4
Met betrekking tot de door appellant gestelde onjuistheid van de door
gedaagde aan besluit 1 en 4 ten grondslag gelegde gegevens over
appellants inkomsten uit arbeid in de periode van 1 juli 1994 tot 15
maart 1995 kan de Raad niet tot een andere conclusie komen dan de
rechtbank.
Indien een verzekerde die, zoals appellant, in het genot is van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in strijd met zijn verplichting
achterwege laat onverwijld eigener beweging mededeling te doen aan het
bevoegde uitvoeringsorgaan van inkomsten uit arbeid, heeft dit - zoals
de Raad al vaker heeft overwogen - tot consequentie dat hij, bij gebreke
van betrouwbare en verifieerbare schriftelijke gegevens over die
inkomsten, het risico op zich laadt dat die inkomsten achteraf
schattenderwijs worden vastgesteld. De verzekerde zal zijn stelling dat
die vaststelling niet overeenkomstig de werkelijkheid is moeten doen
ondersteunen door ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare gegevens.
De Raad is van oordeel dat gedaagde zich in het onderhavige geval wat
betreft de vaststelling van de hoogte van appellants inkomsten uit
arbeid in de hier van belang zijnde periode kon en mocht baseren op de - grotendeels aan appellants eigen verklaringen
ontleende - gegevens uit het rapport van de opsporingsfunctionaris van 8
augustus 1995.
Het in hoger beroep namens appellant gedane beroep op het gegeven dat de
meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank appellant een
maatregel heeft opgelegd waarbij het door appellant terzake van - kort
gezegd - het verkopen en afleveren van heroïne en cocaïne en
gewoonteheling wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht op een lager bedrag is
vastgesteld dan het bedrag waarvan gedaagde bij het nemen van de
besluiten 1 en 4 is uitgegaan, treft geen doel. Nog daargelaten dat
volgens vaste rechtspraak aan een strafrechtelijk vonnis in een
administratiefrechtelijke procedure geen beslissende betekenis toekomt,
heeft de Raad daarbij laten wegen dat uit bedoeld vonnis op generlei
wijze blijkt op welke gegevens de vaststelling van bedoeld lager bedrag
steunt en ook overigens daarover geen duidelijkheid is verstrekt.
Uitgaande van de hoogte van de uit hogerbedoeld onderzoeksrapport van 8
augustus 1995 blijkende inkomensgegevens van appellant heeft de Raad,
gelet op hetgeen door appellant is aangevoerd, overigens onvoldoende
aanknopingspunten gevonden de omvang van door gedaagde berekende, op
artikel 33 van de AAW gebaseerde korting
- die wat betreft de periode 1 juli 1994 tot 1 november 1994 is vervat
in besluit 4 en wat betreft de periode van 1 november 1994 tot 15 maart
1995 is vervat in het in zoverre door de rechtbank in stand gelaten
besluit 1 - voor onjuist te houden.
Appellants stelling dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden omdat
hij dubbel is getroffen, nu zijn inkomen uit heling en drugshandel
aanleiding heeft gegeven tot zowel een korting op zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering als een ontnemingsmaatregel, slaagt naar
het oordeel van de Raad evenmin. Voor zover appellants stelling al juist
is - hetgeen bij ontbreken van ieder gegeven over de vaststelling van het bedrag tot betaling waarvan
appellant ter
ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is veroordeeld niet
vast staat - wijst de Raad erop dat de strafrechter met de door
appellant bedoelde omstandigheid hetzij reeds bij de vaststelling van
het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, hetzij
nadien met toepassing van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering rekening kan houden. Anders dan appellant ziet de Raad
dan ook niet dat gedaagde bij de hier in geding zijnde toepassing van
artikel 33 van de AAW heeft gehandeld in strijd met het in artikel 3:4,
tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel.
Uit het voorgaande volgt dan ook dat de aangevallen uitspraak voor zover
betrekking hebbend op besluit 3 voor bevestiging in aanmerking komt en
het beroep van appellant dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen
besluit 4 ongegrond dient te worden verklaard.
B. Ten aanzien van het oordeel van de rechtbank over besluit 2
Appellants bezwaar tegen de beëindiging van de hem op grond van artikel
48 van de IWS toegekende aanvulling op zijn uitkering krachtens de AAW
berust op de stelling dat de omvang van zijn inkomsten uit arbeid bij de
ten aanzien van hem genomen kortingsbesluiten over de perioden 1 augustus 1993 tot 15 december 1993 en 1 juli 1994 tot 15 maart 1995
niet correct is vastgesteld.
Deze stelling van appellant is onjuist. Nu appellant geen beroep heeft
ingesteld tegen gedaagdes besluit van 27 november 1995 betreffende de toepassing van artikel 33 van de AAW
over de periode van 1 augustus 1993 tot 15 december 1993 staat de korting wegens inkomsten uit arbeid over die
periode immers in rechte vast, terwijl de juistheid van de ten aanzien
van appellants arbeidsongeschiktheidsuitkering over het tijdvak van 1
juli 1994 tot 15 maart 1995 toegepaste korting wegens inkomsten uit
arbeid, blijkt uit hetgeen de Raad hiervoor over gedaagdes besluiten 1
en 4 heeft overwogen.
Waar artikel 48 van de IWS beoogt alleenstaande uitkeringsgerechtigden
van 21 tot en met 26 jaar een tijdelijke verhoging van de
loondervingsuitkering te geven opdat hun uitkering niet beneden het
relevante sociaal minimum (de norm volgens de Algemene Bijstandswet)
daalt, moet worden vastgesteld dat geen aanspraak op een aanvulling als
bedoeld in dat artikel bestaat indien - zoals in het geval van appellant - sprake is
van het genieten van inkomsten uit arbeid die meer bedragen dan de
betrokken aanvulling. De aangevallen uitspraak dient op dit punt dan ook
eveneens te worden bevestigd.
C. Ten aanzien van het oordeel van de rechtbank over besluit 3 en de
rechtmatigheid van besluit 5
In aanmerking genomen het besluit van 27 november 1995, waarbij is
beslist dat de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering
van 1 augustus 1993 tot 15 december 1993 met toepassing van artikel 33
van de AAW niet tot uitbetaling kwam, alsmede hetgeen de Raad hiervoor
onder A. heeft overwogen, moet worden vastgesteld dat gedaagde zich ten
aanzien van appellant terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan
appellant van 1 augustus 1993 tot 15 december 1993 en van 1 juli 1994 tot 15 maart
1995 onverschuldigd uitkering krachtens de AAW is betaald.
Die onverschuldigde betaling heeft - naar namens appellant ook is erkend
- door toedoen van appellant plaatsgevonden. Dit betekent dat gedaagde
op grond van artikel 48, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW,
zoals die wet ten tijde hier van belang luidde, bevoegd was het
onverschuldigd betaalde geheel of gedeeltelijk terug te vorderen.
Van de wijze waarop gedaagde blijkens besluit 5 over de periode van 1
juli 1994 tot 1 november 1994 en blijkens besluit 3 over de periode van
1 augustus 1993 tot 13 december 1993 en de periode van 1 november 1994 tot
15 maart 1995 van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt kan naar het
oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde daartoe niet in
redelijkheid heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in
strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen
rechtsbeginsel. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder A, is
overwogen over appellants beroep op schending van het
evenredigheidsbeginsel, ziet de Raad ook in het kader van beoordeling
van gedaagdes terugvorderingsbeslissingen niet dat sprake is van
schending van dat beginsel.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak eveneens dient te
worden bevestigd voor zover betrekking hebbende op besluit 3 terwijl het
beroep dat wordt geacht mede te zijn gericht tegen besluit 5 ongegrond
dient te worden verklaard.
Omdat de Raad geen termen ziet toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:75 van de Awb, leidt al het vorenoverwogene tot de slotsom dat
moet worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van appellant voor zover dat geacht moet worden
mede te zijn gericht tegen de besluiten 4 en 5, ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in
tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 15 oktober 1999.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) B. Fijnheer.
|
|