|
Uitspraak
97/3430
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij brieven van 12 mei 1995 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld
van de in het kader van artikel 57, eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) genomen besluiten waarbij
respectievelijk is geweigerd hem in aanmerking te brengen voor een
speciale autostoel en een kraan op zijn vrachtauto.
Het tegen deze besluiten door appellant gemaakte bezwaar heeft gedaagde
bij besluit van 25 september 1995 (het bestreden besluit) ongegrond
verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 12
februari 1997 het beroep, voorzover tegen het bestreden besluit gericht,
ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger
beroep ingesteld en de Raad verzocht het beroep alsnog gegrond te
verklaren.
Gedaagde heeft bij schrijven van 20 november 1997 (met bijlage) van
verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 maart
1999, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Kobossen,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
Th.I. de Kieviet, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken de navolgende feiten en
omstandigheden.
Appellant drijft met behulp van zijn partner en familie een tuincentrum
dat is gespecialiseerd in natuurstenen, bestrating en grind. Planten en
lichte afrasteringsmaterialen behoren niet tot het assortiment. Ten
behoeve van de bedrijfsvoering maakt appellant gebruik van een vrachtauto. In verband met rug-, schouder- en linkerbeenklachten heeft
appellant gedaagde verzocht hem in aanmerking te brengen voor een
hydraulisch geveerde stoel in zijn vrachtauto. Voorts heeft appellant
gedaagde om vergoeding verzocht van de kosten verbonden aan de aanschaf
van een hydraulische kraan van het merk HIAB op deze vrachtauto.
Autostoel
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het besluit in primo van 12 mei
1995 gehandhaafd dat appellant primair op de door hem gevraagde speciale
stoel in zijn vrachtauto niet is aangewezen omdat daartoe een medische
noodzaak ontbreekt en subsidiair omdat sprake is van een algemeen
gebruikelijke voorziening.
Bij rapport van 27 september 1996 is de door de rechtbank als deskundige
geraadpleegde orthopedisch chirurg/revalidatiearts prof. dr. L.J.L.
Koekenberg te Enschede tot de conclusie gekomen dat hem een hydraulisch
geveerde autostoel medisch noodzakelijk lijkt.
De rechtbank heeft de weigering van gedaagde om deze autostoel bij wijze van werkvoorziening te verstrekken vervolgens in
stand gelaten op de grond dat het inherent is aan een goede
bedrijfsvoering dat een vrachtauto als waarin appellant rijdt, uitgerust
is met een adequate stoel.
Tussen partijen is in hoger beroep niet (langer) in geschil dat appellant uit medisch oogpunt op een hydraulisch geveerde
stoel in zijn vrachtauto is aangewezen. Aan de orde is nog of de in het
bestreden besluit opgenomen subsidiaire grond voor de weigering van deze
stoel stand houdt.
Daarvoor is doorslaggevend te achten of een hydraulisch geveerde stoel
in de vrachtauto van appellant inherent is aan een goede bedrijfsvoering
en derhalve algemeen gebruikelijk is te achten.
Dienaangaande overweegt de Raad dat aan het rapport van 9 maart 1995 van de arbeidsdeskundige M.L. van Leth dat aan gedaagdes
weigering terzake ten grondslag heeft gelegen, niet valt te ontlenen dat
deze vraag onder ogen is gezien. Volstaan is immers met de vaststelling
dat geen medische indicatie voor een hydraulisch geveerde stoel aanwezig
is en dat ervan kan worden uitgegaan dat een vrachtauto is voorzien van
een adequate stoel voor de chauffeur. Ook uit de gedingstukken die
betrekking hebben op de bezwaarfase van dit geding blijkt niet dat
vanwege gedaagde aan deze vraag aandacht is besteed. Voor zover derhalve
de weigering van gedaagde steunt op de stelling dat een hydraulisch
geveerde stoel inherent is aan de bedrijfsvoering en derhalve algemeen
gebruikelijk is, moet gezegd worden dat die stelling niet wordt
geschraagd door daartoe vanwege gedaagde verricht onderzoek, waardoor
het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.
Nu het bestreden besluit met betrekking tot appellants aanvraag om de
stoel niet wordt gedragen door de primaire en subsidiaire grond komt dit
in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal alsnog in het
kader van een nieuw op het bezwaar van appellant te nemen besluit dienen
na te gaan in hoeverre de aanwezigheid van een hydraulisch geveerde
stoel in de vrachtauto van appellant inherent is aan een goede
bedrijfsvoering en derhalve als algemeen gebruikelijk valt aan te
merken.
Kraan
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde voorts het besluit in primo van
12 mei 1995 gehandhaafd waarbij het verzoek van appellant om vergoeding
van de kosten van een hydraulische kraan, merk HIAB, bij wege van
werkvoorziening is afgewezen omdat sprake is van een in de bedrijfstak
algemeen gebruikelijke voorziening.
De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten.
Hetgeen appellant in hoger beroep tegen dit onderdeel van het bestreden
besluit heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
Daarbij heeft de Raad met name acht geslagen op de aard van het bedrijf
en de aanwezigheid van zware materialen, zoals hiervoor in de aanvang
van deze rubriek al is vermeld. De stelling van de arbeidsdeskundige Van
Leth in zijn bij het verweerschrift in hoger beroep gevoegde rapport van
17 november 1997 dat een kraan op de vrachtauto niet alleen algemeen
gebruikelijk is maar ook een noodzakelijke voorwaarde om bedrijfsvoering
mogelijk te maken, acht de Raad, gelet onder meer op de aard van de te
vervoeren materialen, niet onaannemelijk.
Hetgeen daaromtrent van de zijde van appellant met verwijzing naar
concurrenten in de branche ter zitting is aangevoerd, vermag de Raad
niet tot een ander oordeel te brengen. De omstandigheid dat er
soortgelijke bedrijven zijn aan te wijzen die zonder hydraulische kraan
werkzaam zijn staat er niet aan in de weg een dergelijke kraan inherent
aan een goede bedrijfsvoering te achten en derhalve als algemeen
gebruikelijk aan te merken.
De aangevallen uitspraak komt met betrekking tot dit onderdeel voor
bevestiging in aanmerking.
Proceskosten
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,--
voor verleende rechtsbijstand. Andere op grond van dat artikel te
vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet
gebleken.
Griffierecht
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht
door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op appellants aanvraag om een
hydraulisch geveerde stoel in zijn vrachtauto;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellant
tegen de weigering van een hydraulisch geveerde stoel neemt;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het
overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 160,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 23 april 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.
|
|