|
Uitspraak
97/1018
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische
Industrie. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 22 november 1993 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde
geweigerd aan appellant in aansluiting op de verstrekking van ziekengeld
met ingang van 4 december 1993 uitkeringen krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat de
mate van appellants arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15%
bedroeg.
Bij besluit van 23 augustus 1994 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde
alsnog aan appellant met ingang van 4 december 1993 uitkeringen krachtens de AAW en de WAO toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en
heeft hij voorts die uitkeringen met ingang van 1 oktober 1994 herzien
en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot
65%.
Bij besluit van 1 oktober 1996 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde, onder
intrekking van besluit 2, voor zover daarbij appellants uitkeringen
krachtens de AAW en de WAO met ingang van 1 oktober 1994 zijn herzien,
beslist om appellant alsnog per 1 oktober 1994 arbeidsongeschikt te
beschouwen naar een mate van 80 tot 100%.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft het tegen besluit 1
ingestelde beroep geacht mede te zijn gericht tegen de besluiten 2 en 3
en heeft bij uitspraak van 18 december 1996 het beroep gegrond
verklaard, de besluiten 1 en 2 vernietigd, het beroep voor het overige
ongegrond verklaard, de vordering tot schadevergoeding afgewezen en
gedaagde veroordeeld tot vergoeding aan appellant van f 2.130,- aan
proceskosten en f 25,- aan griffierecht.
Appellant heeft bij gemachtigde mr. T.A.M. Visser, advocaat te
's-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen)
aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 april
1999, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Visser, voornoemd,
en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.E.J.M.
Gielen, werkzaam bij Gak Nederland B.V., als zijn gemachtigde.
II. MOTIVERING
De Raad ziet aanleiding eerst te onderzoeken of bij de aangevallen
uitspraak op juiste wijze toepassing is gegeven aan artikel 6:19, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend, waartoe hij het volgende
overweegt.
Voor zover bij besluit 2 alsnog is beslist tot toekenning met ingang van
4 december 1993 aan appellant van uitkeringen krachtens de AAW en de
WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
dient dat besluit in het kader van het tegen besluit 1 ingestelde beroep
te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de
Awb. Voor zover bij besluit 2 is beslist tot herziening en nadere
vaststelling van appellants uitkeringen met ingang van 1 oktober 1994
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% kan dat besluit
evenwel niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel
6:18 van de Awb.
De Raad overweegt in dit verband dat, voor zover bij besluit 2
appellants uitkeringen met van 1 oktober 1994 zijn herzien, daaraan een
volledig nieuw onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Naar aanleiding
van nieuwe medische gegevens die in het kader van het door appellant
tegen besluit 1 ingestelde beroep door hem zijn voorgelegd, in het
bijzonder het rapport van de neuropsycholoog dr J.B.K. Lanser van 22
maart 1994, is van de zijde van gedaagde aan de rechtbank het verzoek
gedaan het medisch en arbeidskundig onderzoek te mogen heropenen, welk
verzoek de rechtbank bij schrijven van 28 juni 1994 heeft ingewilligd.
In het kader van dat nader onderzoek heeft de verzekeringsgeneeskundige
geconcludeerd dat het eerdere ten aanzien van appellant opgestelde
belastbaarheidspatroon d.d. 13 augustus 1993 niet kan worden gehandhaafd
en heeft zij de belastbaarheid van appellant opnieuw vastgesteld,
waarbij - in tegenstelling tot het eerdere belastbaarheidspatroon - de
psychische belastbaarheid van appellant beperkt wordt geacht. De
arbeidsdeskundige heeft vervolgens, gelet op het nadere door de
verzekeringsgeneeskundige opgestelde belastbaarheidspatroon, geoordeeld
dat niet langer staande was te houden dat appellant in staat is tot het
verrichten van zijn werkzaamheden als commercieel technisch directeur,
maar, voorts, dat appellant wel in staat is te achten tot het verrichten
van de werkzaamheden, behorende bij de hem door de arbeidsdeskundige
voorgehouden functies.
Vergelijking van het voor appellant geldende maatmaninkomen met het loon dat appellant nog kan verdienen met de voor hem
geschikt te achten werkzaamheden resulteert in een mate van
arbeidsongeschiktheid van 58%. Op grond hiervan heeft de toenmalige
Gemeenschappelijke Medische Dienst gedaagde onder meer geadviseerd
appellant per toekomende datum voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt te
beschouwen. Vervolgens heeft gedaagde besluit 2 genomen en heeft hij bij
brief van 23 augustus 1994 aan de gemachtigde van appellant meegedeeld dat besluit 1 niet langer wordt
gehandhaafd.
Bij brief van 21 september 1994 heeft appellant de rechtbank meegedeeld
bezwaren te hebben tegen besluit 2 en verzocht om een termijn voor het
indienen van nadere beroepsgronden. Naar het oordeel van de Raad dient
dit schrijven te worden aangemerkt als een - tijdig ingediend -
beroepschrift tegen besluit 2. Bij brief van 30 januari 1995 zijn de
nadere gronden aangevoerd en is tevens meegedeeld dat appellant zich kan
verenigen met besluit 2, voor zover daarbij hem alsnog met ingang van 4
december 1993 uitkeringen krachtens de AAW en de WAO zijn toegekend.
Besluit 3 dient vervolgens te worden aangemerkt, nu gedaagde zich
daarbij - onder intrekking van besluit 2, voor zover het de herziening
van appellants uitkeringen per 1 oktober 1994 betreft - op het standpunt
heeft gesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per
evengenoemde datum alsnog dient te worden gesteld op 80 tot 100%, als
een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. Met dit besluit is,
zoals van de zijde van appellant is aangegeven, volledig aan het beroep
tegen besluit 2 tegemoet gekomen.
Gelet op bovenstaande overwegingen, alsmede op artikel 6:19, eerste lid,
van de Awb is de Raad van oordeel dat de rechtbank bij de aangevallen
uitspraak ten onrechte een oordeel heeft gegeven over besluit 2, voor
zover daarbij alsnog per 4 december 1993 aan appellant uitkeringen
krachtens de AAW en de WAO zijn toegekend, alsmede over besluit 3, zodat
de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.
Voorts overweegt de Raad ter zake van het ingestelde hoger beroep als
volgt.
Het hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de rechtbank,
waarbij het verzoek van appellant om gedaagde onder toepassing van
artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door hem
geleden schade is afgewezen, alsmede tegen de beslissing van de
rechtbank om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant
tot een bedrag van f 2.130,-.
Partijen hebben, blijkens de door hen in hoger beroep ingenomen
standpunten, berust in de aangevallen uitspraak, voor zover die
uitspraak, gelet op het hoger overwogene, in rechte stand kan houden,
zodat in het kader van het hoger beroep er van dient te worden uitgegaan
dat het beroep tegen besluit 1 en tegen besluit 2, voor zover daarbij
appellants uitkeringen krachtens de AAW en de WAO per 1 oktober 1994
zijn herzien en nader zijn vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, is gegrond verklaard en die
besluiten zijn vernietigd.
Schadevergoeding
Appellant heeft de rechtbank verzocht gedaagde te veroordelen tot
vergoeding van de door hem geleden schade, bestaande uit het vertraagd
tot uitbetaling gekomen zijn van door appellant(s werkgever) afgesloten
aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. De hoogte van die
schade is namens appellant gesteld op het bedrag van de wettelijke rente
over het op grond van bedoelde aanvullende verzekeringen niet-tijdig
uitbetaalde bedrag.
De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen, waartoe zij heeft overwogen
(waarbij voor eiser dient te worden gelezen appellant en voor verweerder
dient te worden gelezen gedaagde): "dat het verband tussen de
handelwijze van verweerder en de door eiser gestelde schade zodanig ver
verwijderd is dat de beweerde schade verweerder ingevolge artikel 6:98
van het Burgerlijk Wetboek niet kan worden toegerekend. De rechtbank
heeft hierbij in aanmerking genomen dat het afsluiten van deze
aanvullende verzekeringen de eigen keuze van eiser(s werkgever) is
geweest en dat het te laat tot uitbetaling komen van deze verzekeringen
een gevolg is van de (vrij te bepalen) inhoud van de polisvoorwaarden,
hierop neerkomend dat de hoogte van de uitkeringen afhankelijk is van de
door verweerder vast te stellen mate van arbeidsongeschiktheid."
Namens appellant is in hoger beroep gesteld dat er wel causaal verband
bestaat tussen de vernietigde besluiten en de gestelde inkomensschade,
daar de door appellant(s werkgever) afgesloten aanvullende verzekeringen
als direct gevolg van gedaagdes handelen te laat tot uitbetaling zijn
gekomen.
Van de zijde van gedaagde is betwist dat hij tot vergoeding van de
gestelde schade zou zijn gehouden omdat naar zijn opvatting niet is
voldaan aan de voorwaarden waaronder van een zodanige verplichting
sprake is, in welk verband is ingegaan op de aard van de aan de orde
zijnde (risico)aansprakelijkheid, de aard van de gestelde schade,
alsmede op de vraag naar de voorzienbaarheid als element van het
vereiste causale verband.
Met betrekking tot het door appellant gestelde en door gedaagde betwiste
causale verband tussen de gevorderde schade en het vernietigde besluit
overweegt de Raad het volgende.
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank, nu zij bij de aangevallen
uitspraak het beroep van appellant tegen besluit 1 en besluit 2, voor
zover daarbij de aan appellant toegekende uitkeringen krachtens de AAW
en de WAO met ingang van 1 oktober 1994 zijn herzien en nader
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%,
heeft gegrond verklaard en die besluiten heeft vernietigd, ingevolge
artikel 8:73 van de Awb bevoegd was om gedaagde te veroordelen tot
vergoeding van de schade die appellant lijdt.
Gelet op de strekking van artikel 8:73 van de Awb gaat het daarbij niet
om schade van appellant in zijn algemeenheid, maar om schade die
appellant lijdt als gevolg van het vernietigde besluit.
Naar de Raad reeds meermalen als zijn oordeel heeft doen blijken, dient
bij de beoordeling van een verzoek om veroordeling tot vergoeding van
gestelde geleden schade als gevolg van een vernietigd besluit zoveel
mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke
schadevergoedingsrecht.
In het civiele recht geldt dat voor vergoeding slechts in aanmerking
komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de
aansprakelijkheid van de aangesprokene berust, dat zij hem, mede gezien
de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van
die gebeurtenis kan worden toegerekend.
In het kader van de toepassing van artikel 8:73 van de Awb betekent dit
dat wil een verzoek om schadevergoeding voor inwilliging in aanmerking
komen de gestelde schade in zodanig verband moet staan met het
vernietigde besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van
de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit
kan worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden,
acht de Raad ook de aard en de strekking van het vernietigde besluit een
relevante factor.
De Raad wijst er daarbij op dat de omstandigheid dat slechts schade die
het gevolg is van het vernietigde besluit voor vergoeding in aanmerking
kan komen, de mogelijkheid onverlet laat om schade bij de burgerlijke
rechter te vorderen op grond van een ander dan op het nemen en handhaven
van het vernietigde besluit te funderen onrechtmatig handelen of nalaten
van het bestuursorgaan.
In het onderhavige geval ziet de Raad zich derhalve gesteld voor de vraag of de rechtbank terecht en op goede gronden het
verzoek om veroordeling van gedaagde tot vergoeding van de door
appellant gestelde geleden schade heeft afgewezen op de grond dat die
schade niet in zodanig verband staat met het geheel vernietigde besluit
van 22 november 1993 en het gedeeltelijk vernietigde besluit van 23
augustus 1994 dat deze als een aan gedaagde toe te rekenen gevolg
daarvan kan worden beschouwd.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Ook hij ziet in de
omstandigheid dat in de door appellant(s werkgever) gesloten aanvullende
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, ter zake van de vraag of op grond
van die verzekeringen aanspraak op uitbetaling bestaat wegens
arbeidsongeschiktheid, aansluiting is gezocht bij de in het kader van de
uitvoering van de AAW en de WAO vast te stellen mate van
arbeidsongeschiktheid onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat de
gevolgen van die omstandigheid dienen te worden toegerekend aan
evengenoemde besluiten. Hierbij acht de Raad van doorslaggevende
betekenis dat het vernietigde besluit naar zijn aard en strekking
slechts ziet op appellants aanspraak op uitkeringen krachtens de AAW en
de WAO. De keuze van appellant(s werkgever) om aanvullende verzekeringen
ter zake van arbeidsongeschiktheid af te sluiten, in het kader waarvan -
blijkens de procesvoorwaarden - betekenis wordt gehecht aan de
omstandigheid dat ter uitvoering van de AAW en de WAO van de
aanwezigheid van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid wordt
uitgegaan, houdt weliswaar verband met (de hoogte van) aan de AAW en de
WAO te ontlenen aanspraken op uitkeringen, maar de Raad ziet niet in dat
om die reden een relevant causaal verband tussen de gestelde schade en
de vernietigde besluiten dient te worden aangenomen.
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het hoger
beroep, voor zover het is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank
van het verzoek van appellant om gedaagde te veroordelen tot vergoeding
van door hem geleden schade, geen doel treft.
Proceskosten
De rechtbank heeft gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant
tot een bedrag van f 2.130,-. Daartoe heeft de rechtbank een
wegingsfactor van 1 (gemiddeld) gehanteerd en heeft zij 2 punten
toegekend voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter
zitting op 8 maart 1996; voor het verschijnen ter zitting op 29 november
1996 heeft de rechtbank geen punten toegekend.
De Raad is van oordeel dat, gelet op artikel 2, eerste lid, van het
Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de bij het Bpb behorende
bijlage, als voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen
dienen te worden aangemerkt het beroepschrift ter zake van besluit 1,
het beroepschrift ter zake van besluit 2, voor zover daarbij appellants
uitkeringen krachtens de AAW en de WAO per 1 oktober 1994 zijn herzien,
alsmede het verschijnen op de beide zittingen. Voorts ziet de Raad geen
aanleiding de door de rechtbank in casu gehanteerde wegingsfactor van 1
(gemiddeld), voor onjuist te houden.
Het hoger beroep, voor zover het is gericht tegen de door de rechtbank
uitgesproken proceskostenveroordeling, treft derhalve doel.
De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om
gedaagde te veroordelen in de kosten van appellant, welke zijn begroot
op f 2.840,- als kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en op f
1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal
derhalve f 4.260,-.
Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant betaalde
griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het onderdeel
van het besluit van 23 augustus 1994, strekkende tot toekenning aan
appellant per 4 december 1993 van uitkeringen krachtens de AAW en de
WAO, alsmede het besluit van 1 oktober 1996 zijn vernietigd en gedaagde
is veroordeeld in de proceskosten van appellant ter hoogte van f
2.130,-;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het
overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een
bedrag van f 2.840,- en in hoger beroep tot een bedrag van f 1.420,-, in
totaal derhalve f 4.260,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van f 150,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr C.G. Kasdorp en prof.
mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E.
Scheepers-van Die als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 mei
1999.
(get.) H. Bolt.
(get.) H.E. Scheepers-van Die.
|
|