|
Uitspraak
97/1556
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geding is het Lisv in de plaats getreden van de
Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 9 juni 1993 heeft appellant de aan gedaagde krachtens de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
met ingang van 1 juni 1993 herzien en nader vastgesteld naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 10 januari
1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat
besluit vernietigd.
Vanwege appellant is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, een
verweerschrift, met bijlage, ingediend. Daarna zijn nog nadere stukken
ingebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 december
1998, alwaar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.B.
Knollema, werkzaam bij Gak Nederland B.V., terwijl gedaagde in persoon
is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde, die sedert 1968 werkzaam is geweest en laatstelijk als coner
in 3-ploegendienst, is op 22 augustus 1991 voor dat werk uitgevallen in
verband met rugklachten ten gevolge van de ziekte van Bechterew en
vermoeidheidsklachten. Nadat gedaagde gedurende de maximale termijn
ziekengeld had ontvangen, zijn hem met ingang van 21 augustus 1992 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In geding is de vraag of appellant bij het bestreden besluit de mate van
arbeidsongeschiktheid van gedaagde terecht ingaande 1 juni 1993 heeft
gesteld op 25 tot 35%.
Blijkens de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gegevens die ten
grondslag liggen aan het door appellant gevolgde advies van de
toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst, is gedaagde ondanks zijn
rug- en vermoeidheidsklachten geschikt geacht voor passende
werkzaamheden zonder onregelmatige werktijden. Aan gedaagde zijn
vervolgens zeven functies voorgehouden, waarmee hij in staat wordt
geacht een zodanig inkomen te verwerven dat de mate van zijn
arbeidsongeschiktheid ongeveer 32% bedraagt.
De rechtbank heeft de in geding zijnde vraag ontkennend beantwoord en
heeft dat oordeel doen steunen op de bevindingen van de door haar als
deskundigen ingeschakelde reumatoloog, dr. A.J.L. de Jong, de klinisch
psycholoog drs. M.A.O. de Bijl, en de psychiater H.A. Droogleever Fortuyn. Deze deskundigen komen na onderzoek van
gedaagde tot het oordeel dat gedaagde slechts tot gedeeltelijke
werkhervatting in staat moet worden geacht.
Appellant heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat het
bestreden besluit op medisch toereikende grondslag berust en, onder
verwijzing naar de uitspraken van deze Raad, gepubliceerd in RSV
1996/162 en RSV 1997/32, in hoofdzaak doen betogen dat de rechtbank ten
onrechte de conclusies van haar deskundigen, en met name de conclusie
van de psychiater Droogleever Fortuyn, heeft gevolgd, aangezien, naar
het oordeel van appellant, de rechtbank daarmee, wegens het in
voornoemde conclusies ontbreken van voldoende geobjectiveerde medische
gegevens, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het wettelijke
arbeidsongeschiktheidsbegrip.
De Raad kan appellant in zijn standpunt niet volgen en overweegt daartoe
als volgt.
De psychiater H.A. Droogleever Fortuyn heeft in zijn rapport van 10
april 1996 vermeld dat de ziekte van Bechterew in algemene zin met moeheidsklachten gepaard kan gaan, maar
dat deze klachten zich bij gedaagde in een dermate extreme vorm
presenteren, dat bij gedaagde tevens sprake is van een
ongedifferentieerde somatoforme stoornis volgens de criteria van de DSM
IV. Daarbij heeft deze psychiater in voornoemd rapport ook aangegeven
dat, aangezien gedaagde lijdende is aan de ziekte van Bechterew, er in
zijn geval niet kan worden gesproken van het zogeheten chronische
vermoeidheidssyndroom. In zijn nadere rapport van 16 juli 1996 geeft
Droogleever Fortuyn voorts te kennen dat in het geval van gedaagde
sprake is van een ziekte ten gevolge waarvan lichamelijke klachten zijn
ontstaan die vervolgens tot feitelijke belemmeringen hebben geleid. Op
grond van deze belemmeringen heeft voornoemde psychiater beperkingen
voor het verrichten van arbeid bij gedaagde aanwezig geacht in die zin
dat zij voor 50% belastbaar is.
De Raad stelt vast dat voormeld oordeel van de psychiater Droogleever
Fortuyn in de lijn ligt van de opvattingen van de eveneens door de
rechtbank geraadpleegde reumatoloog dr. A.J.L. de Jong, die gedaagde ook
voor maximaal 50% van de normale arbeidstijd belastbaar heeft geacht, en
de klinisch psycholoog drs. M.A.O. de Bijl, die de maximale
belastbaarheid van gedaagde op 3 uur per dag heeft vastgesteld.
Met betrekking tot het vorenstaande en in het licht van het geheel van
aanwezige medische gegevens komt de Raad tot de conclusie dat de door
gedaagde op consistente wijze gepresenteerde klachten worden ondersteund
door de bevindingen van de hierboven genoemde deskundigen. Daarbij stelt
de Raad vast dat bij alle betrokken geneeskundigen, met uitzondering van
de verzekeringsgeneeskundige die appellant heeft geadviseerd,
eenstemmigheid bestaat aangaande de beperking in duurbelasting van
gedaagde. Mede gelet op deze eenstemmigheid is naar het oordeel van de
Raad dan ook op toereikende wijze objectief vast komen te staan dat
gedaagde in zodanige mate beperkingen ondervindt dat hij niet in staat
kan worden geacht om voltijds arbeid te verrichten.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
f 1.420,-- aan kosten van rechtsbijstand.
Gelet op het het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22,
derde lid, van de Beroepswet stelt de Raad ten slotte vast dat van
appellant een recht van f 630,-- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 630,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W.
van Rooijen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 januari
1999.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|