|
Uitspraak
96/3540 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder appellant mede verstaan deze bedrijfsvereniging.
Appellant heeft bij brief van 3 juli 1995 aan gedaagde kennis gegeven
van een besluit uit hoofde van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), houdende
intrekking van de hem toegekende uitkeringen ingaande 2 augustus 1995.
De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak van 23
februari 1996 het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard
en het besluit vernietigd, met veroordeling van appellant in de
proceskosten en bepaling dat appellant het griffierecht vergoedt.
Appellant is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift
uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 april
1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.H.
Meijs, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar gedaagde in persoon is
verschenen, bijgestaan door mr. M.J. van der Veen, advocaat te
Zwijndrecht, als zijn raadsman.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1963, is in 1979 aan het arbeidsleven gaan
deelnemen. Tot 10 oktober 1991 heeft hij werkzaamheden verricht als
ijzerwerker, classificeerder en - laatstelijk - pijpfitter bij diverse
bedrijven en koppelbazen, afgewisseld met korte perioden van werkloosheid.
Van 10 oktober 1991 tot en met 16 juli 1992 heeft hij uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet (WW) genoten, gevolgd door verlengde
WW-uitkering tot en met 8 januari 1993, terwijl hij vanaf die datum de,
niet loongerelateerde, vervolguitkering heeft ontvangen. Tijdens de
periode van werkloosheid vanaf 10 oktober 1991 heeft hij nog wel, zij
het kortdurend, gewerkt. Ingaande 5 december 1993 heeft hij zich
arbeidsongeschikt gemeld wegens een chronische huidaandoening, bekend
als de ziekte van Haily-Haily. Ingaande 4 december 1994 zijn hem
uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, vastgesteld naar een
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Genoemde uitkeringen zijn bij het bestreden besluit per 2 augustus 1995 ingetrokken wegens daling van de arbeidsongeschiktheid
tot beneden 15%. Dit besluit berust op een beoordeling volgens welke
gedaagde, ondanks bij hem bestaande beperkingen, op 2 augustus 1995 nog
in staat was met voor hem geschikte functies meer te verdienen dan het
maatmaninkomen. Daarbij is uitgegaan van de langdurig werkloze als
maatman, met als inkomen het wettelijk minimumloon.
Bij de aangevallen uitspraak is geoordeeld dat appellant de beperkingen
van gedaagde juist heeft vastgesteld, maar ten onrechte van de langdurig
werkloze als maatman is uitgegaan. Appellant heeft dit laatste in hoger
beroep bestreden.
De Raad oordeelt als volgt.
Evenals de rechtbank gaat de Raad uit van de juistheid van de voor
gedaagde vastgestelde - aanzienlijke - beperkingen. De Raad heeft daarbij
in aanmerking genomen dat deze beperkingen zijn vastgesteld na verkregen
informatie van de behandelende artsen en dat de van de zijde van
gedaagde overgelegde medische gegevens onvoldoende twijfel aan de
juistheid wekken.
Ten aanzien van de maatman acht de Raad van belang dat gedaagde, na een
arbeidsverleden van ongeveer twaalf jaar, reeds meer dan 25 maanden
werkloos was -zij het kortdurend onderbroken door arbeid- en geen
loongerelateerde uitkering meer ontving. Onder deze omstandigheden acht
de Raad het gerechtvaardigd voor de vaststelling van de maatman niet
meer als uitgangspunt de laatstelijk verrichte arbeid te nemen doch deze
te bepalen op de langdurig werkloze, met als inkomen het wettelijk
minimumloon. Nu de resterende verdiencapaciteit van gedaagde in voor hem
geschikte functies dit maatmaninkomen overtrof heeft appellant bij het
bestreden besluit de uitkeringen per 2 augustus 1995 terecht ingetrokken.
Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak niet in stand
kan blijven. Voor de toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en.mr. H.J. Grendel en mr
F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van
M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 1998
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|