|
Uitspraak
96/3866
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In dit geval is
het Lisv in de plaats getreden van (het bestuur van) de Nieuwe Algemene
Bedrijfsvereniging (NAB).
Het bestuur van de NAB is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven
gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank
te Breda onder dagtekening 22 februari 1996 gewezen uitspraak (de
aangevallen uitspraak), inhoudende onder meer gegrondverklaring van
gedaagdes beroep tegen de door genoemd bestuur in het kader van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) genomen beslissing van 10 mei
1993 (de bestreden beslissing) en vernietiging van die beslissing.
Bij schrijven van 5 augustus 1996 heeft mr. J.B. van den Beld, advocaat
te Breda, van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 mei 1999, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.J. Loontjens en mr.
M.H. Beersma, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar gedaagde, als
aangekondigd, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin het bestuur van de NAB als
verweerder is aangeduid en gedaagde als eiseres, ontleent de Raad de
volgende feiten en omstandigheden:
"Eiseres, geboren in 1968, is sedert haar geboorte geestelijk
gehandicapt. Eiseres is als een zogenoemde vroeggehandicapte aan te
merken en is blijvend ongeschikt voor het verrichten van betaalde
werkzaamheden.
Gelet hierop is namens eiseres op 6 november 1990 herziening gevraagd
van de beslissing van verweerder van 18 juli 1986, in dier voege dat
verzocht is het uitkeringspercentage vast te stellen op 100%, althans, hoger dan 80% of 70%. Bij besluit van
9 april 1991 heeft verweerder geweigerd de grondslag van de
AAW-uitkering te verhogen op grond dat eiseres, volgens verweerder, niet
in een, althans voorlopige blijvende, toestand van hulpbehoevendheid
verkeert, welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt.
Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld en bij uitspraak
van 27 januari 1993 van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch
is het beroep gegrond verklaard, tegen welke uitspraak partijen geen
beroep hebben ingesteld.
Uitvoering gevend aan het bepaalde in die uitspraak heeft verweerder bij
het bestreden besluit besloten de AAW-uitkering van eiseres op grond van
het bepaalde in artikel 13 van de AAW, met ingang van 6 november 1990 te verhogen tot 85% van de
grondslag, op grond van de omstandigheid dat eiseres in een, althans
voorlopig blijvende, toestand van hulpbehoevendheid verkeert, welke
geregeld oppassing en verzorging nodig maakt."
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank naar aanleiding van het
tegen de bestreden beslissing ingestelde beroep allereerst overwogen dat
zij het sinds 1 januari 1993 ter uitvoering van artikel 13 van de AAW
door het bestuur van de NAB gevoerde beleid in beginsel in
overeenstemming met een redelijke beleidsbepaling acht. De rechtbank
heeft vervolgens evenwel vastgesteld dat vanwege het bestuur van de NAB
aan gedaagde geen kennis is gegeven van zijn per 1 januari 1993
gewijzigd beleid en dat pas in de loop van de procedure duidelijk is
geworden dat voor de mate van verhoging van de uitkering van belang was
dat gedaagde een dagverblijf bezocht. De rechtbank heeft in verband
daarmee de bestreden beslissing vernietigd daar zij geen sprake acht van
een voor gedaagde kenbare en begrijpelijke motivering en zij van oordeel
is dat die beslissing strijdig is met het algemeen beginsel van
behoorlijk bestuur dat de motivering het besluit moet kunnen dragen.
De rechtbank heeft zich vervolgens gebogen over de vraag of er
aanleiding was om gebruik te maken van de bevoegdheid om te bepalen dat
de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing geheel of ten dele in
stand blijven. De rechtbank is niet overgegaan tot het gebruiken van die
bevoegdheid omdat van de kant van de NAB geen enkel onderzoek is
ingesteld naar de aard en omvang van gedaagdes feitelijk gebruik van een
dagverblijf, zulks terwijl het bezoeken van een dagverblijf blijkens het
door het bestuur van de NAB ingenomen standpunt de doorslaggevende reden
was om de verhoging van de uitkering ex artikel 13 van de AAW ingaande 6
november 1990 niet op 100% maar op 85% te stellen.
In hoger beroep keert appellant zich uitsluitend tegen het oordeel van
de rechtbank omtrent de wijze van toepassing van de in casu gehanteerde
dagverblijftoets. Appellant is in dat verband in het bijzonder van
opvatting dat het door de rechtbank gevergde onderzoek naar de aard en
omvang van het feitelijk gebruik van een dagverblijf een inbreuk zou
betekenen op het - in de jurisprudentie van de Raad erkende -
forfaitaire karakter van artikel 13 van de AAW.
In het verweerschrift is namens gedaagde gesteld dat in redelijkheid
niet kan worden gesteld dat er in dit geval sprake is van een goede
toepassing van het beleid van de NAB, nu gedaagde als gevolg van diverse
omstandigheden beduidend minder dan vier dagen per week gebruik maakte
van dagopvang.
Het voorgaande leidt ertoe dat in hoger beroep slechts aan de orde is of
appellants rechtsvoorganger zich terecht op het standpunt heeft gesteld
dat de omstandigheid dat gedaagde een dagverblijf bezocht, rechtvaardigt
dat de verhoging van de grondslag van haar
arbeidsongeschiktheidsuitkering over de periode van 6 november 1990 tot 10 mei 1993 op 85% is gesteld.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
De ter zitting van de Raad door de gemachtigden van appellant bevestigde
omstandigheid dat de bestreden beslissing betrekking heeft op de periode
van 6 november 1990 tot 10 mei 1993 leidt in de eerste plaats tot het
oordeel dat de toepassing van de door het bestuur van de NAB gehanteerde
dagverblijftoets wat betreft het tijdvak van 6 november 1990 tot 1 januari 1993 in rechte geen stand kan houden, nu
in laatstgenoemd tijdvak nog geen sprake was van een beleid op grond
waarvan bij de toepassing van artikel 13 van de AAW enige differentiatie
in de mate van verhoging mogelijk was en de bestreden beslissing voorts
berust op een aanvraag van vσσr het inwerkingtreden van het nieuwe
beleid op 1 januari 1993. Aangezien in rechte vaststaat dat gedaagde ten
tijde van belang in een toestand van hulpbehoevendheid als bedoeld in
artikel 13 van de AAW verkeerde, moet worden geconcludeerd dat de
verhoging van gedaagdes uitkering over het tijdvak van 6 november 1990 tot 1 januari 1993 op 100% had moeten worden gesteld.
Daar de werking van de bestreden beslissing zich mede uitstrekt tot na 1
januari 1993 wijst de Raad er tevens op dat hij in zijn uitspraak van
heden in de zaak met de registratienummers 96/3957 en 96/3958 AAW tot
het oordeel is gekomen dat door het bestuur van de NAB in de periode van
1 januari 1993 tot (in elk geval) 10 maart 1995 aan de, ook in casu door
het bestuur van de NAB als grondslag van het bestreden besluit
aangemerkte en op zichzelf blijkens eerdere jurisprudentie rechtens aanvaardbare, dagverblijftoets
op zodanig inconsistente wijze toepassing is gegeven dat besluiten
waarbij dat criterium in die periode ten nadele van een
uitkeringsgerechtigde is gehanteerd, wegens strijd met het, mede in
artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
besloten liggende, verbod van willekeur in rechte niet houdbaar zijn.
Voor de motivering van dat oordeel verwijst de Raad naar genoemde
uitspraak, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.
Voormelde conclusie geldt derhalve ook voor de in casu door het bestuur
van de NAB en appellant van toepassing geachte dagverblijftoets voor
zover deze betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 1993.
De Raad is mitsdien, evenals de rechtbank maar op andere gronden, van
oordeel dat in het voorliggende geval toepassing van de dagverblijftoets
over de gehele in geding zijnde periode de rechterlijke toetsing niet
kan doorstaan. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt
dan ook voor bevestiging in aanmerking met dien verstande dat appellant
alsnog een besluit op gedaagdes aanvraag van 6 november 1990 dient te
nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,- voor verleende
rechtsbijstand. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn
niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 675,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met dien
verstande dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met
inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad overwogene;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 710,-.
Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr.
Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van mr. M. van 't Klooster als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 9 juli 1999.
(get.)
M.I. 't Hooft.
(get.)
M. van 't Klooster.
|
|