|
Uitspraak
96/5482
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 7 juni 1995 heeft appellant gedaagdes uitkeringen
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met
ingang van 3 juli 1995 herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
De arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak van 10 mei
1996 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard en het besluit vernietigd.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de gronden,
uiteengezet in een aanvullend beroepschrift d.d. 1 juli 1996, is de Raad
verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep
alsnog ongegrond te verklaren.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, gedateerd 2 augustus
1996.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 augustus
1997, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. G.E.C.
Boere en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.A.H.H. Ceelen, advocaat
te Rotterdam.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft op 15 januari 1990 zijn werkzaamheden als chauffeur,
welke hij gedurende gemiddeld 55 uur per week verrichtte, gestaakt
wegens rugklachten. Nadat hij gedurende de maximale termijn een
uitkering ingevolge de Ziektewet had genoten zijn aan hem aansluitend
uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO verstrekt, berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In verband met een
polsblessure zijn deze uitkeringen met ingang van 20 augustus 1994
herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80 tot 100%.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden
besluit, waarbij die uitkeringen met ingang van 3 juli 1995 zijn herzien
en nader zijn vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25
tot 35%, in rechte stand kan houden.
De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord, waarbij kort
samengevat is overwogen dat de medisch grondslag van het bestreden
besluit juist is, dat gedaagde ten tijde in geding met zijn beperkingen
in staat moest worden geacht passende arbeid te verrichten, maar dat de
wijze waarop in casu de resterende verdiencapaciteit van gedaagde is
vastgesteld niet zonder meer re๋el is te achten. Hierbij heeft de
rechtbank gedoeld op de combinatie van aan gedaagde voorgehouden
voltijdfuncties (voor 38 uur per week) en deeltijdfuncties (voor 17
uur per week), zonder dat is onderzocht of deze voltijdfuncties kunnen
worden verricht in combinatie met (een van) de geduide deeltijdfuncties,
hetgeen in strijd is geacht met het zorgvuldigheidsbeginsel. De
rechtbank heeft appellant hierbij niet gevolgd in de stellingname dat de
geschetste problematiek is toe te schrijven aan arbeidsmarktfactoren
waarvoor werkgever en werknemer zelf een oplossing dienen te vinden,
daar daarmee naar het oordeel van de rechtbank aan theoretische
schattingen iedere realiteitswaarde komt te ontvallen. Ten slotte heeft
de rechtbank overwogen dat ten onrechte de functies van bewerker/verpakker dagversvlees en inpakster bij de vaststelling van de
mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde zijn betrokken, nu deze
blijkens een verzekeringsgeneeskundig rapport de belastbaarheid van
gedaagde te boven gaan.
Van de zijde van appellant zijn in hoger beroep de volgende grieven naar
voren gebracht:
-dat sinds de herziening van het stelsel van de sociale zekerheid in
1987 de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid in hoge mate
een theoretische schatting is, waarbij factoren die betrekking hebben op
de positie van de belanghebbende op de arbeidsmarkt slechts in beperkte
mate relevant worden geacht;
- dat bij de duiding van de voltijdfuncties in combinatie met
deeltijdfuncties terecht door appellant niet is onderzocht of de
functies in combinatie met elkaar kunnen worden verricht qua tijd en
geografie, nu dit ziet op het feitelijk kunnen verkrijgen van arbeid en
dit als arbeidsmarktfactor na de stelselherziening in 1987 buiten
beschouwing dient te blijven;
- dat de regels van het Schattingsbesluit in casu in acht zijn genomen;
- dat de functie van bewerker/verpakker dagversvlees niet aan de
schatting ten grondslag heeft gelegen en dat de functie van inpakker wel
passend is te achten, waarbij indien die laatste functie buiten
beschouwing wordt gelaten geen andere arbeidsongeschiktheidsklasse aan
de orde is.
De Raad overweegt als volgt.
In het voetspoor van 's Raads uitspraak d.d. 28 januari 1997, nummer
95/2731 AAW/WAO, gepubliceerd in RSV 1997/127, is de Raad van oordeel dat geen rechtsregel zich ertegen
verzet dat de resterende verdiencapaciteit van een verzekerde die
geschikt wordt geacht voor arbeid gedurende het in de oorspronkelijke
arbeid verrichte aantal arbeidsuren van 55 uur per week, wordt
vastgesteld door een combinatie van voltijd- en deeltijdfuncties tot
een totaal van 55 uur per week, waarbij als resterende verdiencapaciteit
geldt de som van de mediane loonwaarde van beide functiereeksen.
Om redenen van zorgvuldigheid is het volgen van deze schattingsmethode
echter alleen dan aanvaardbaar wanneer vaststaat:
- dat er medisch gezien geen bezwaar bestaat tegen het in combinatie
vervullen van twee functies gedurende in totaal 55 uur per week, mede in
aanmerking genomen de omstandigheid dat het vervullen van twee functies
in het algemeen belastender is voor een belanghebbende dan het vervullen
van ้้n functie gedurende hetzelfde aantal uren;
- dat de voorgehouden passende functies blijkens arbeidskundig onderzoek
in een zodanige omvang voorkomen dat zij tezamen in een omvang van 55
uur per week kunnen worden vervuld;
- dat de aan betrokkene voorgehouden functies ook feitelijk kunnen
worden gecombineerd.
De Raad stelt vast dat appellant naar bovenstaande omstandigheden geen
onderzoek heeft verricht, zodat het bestreden besluit wegens
onzorgvuldige voorbereiding voor vernietiging in aanmerking komt. De
Raad tekent hier evenals de rechtbank bij aan dat blijkens de
gehanteerde arbeidsmogelijkhedenlijsten vrijwel alle aan gedaagde
voorgehouden functies in dagdienst en op gebruikelijke werktijden dienen
te worden vervuld, zodat een combinatie van de betreffende functies tot
een totaal van 55 uur per week vooralsnog op die grond niet haalbaar
lijkt.
Met betrekking tot hetgeen van de zijde van appellant naar voren is
gebracht ten aanzien van twee van de aan gedaagde voorgehouden functies
overweegt de Raad dat deze grieven doel treffen, nu de functie van
bewerker/verpakker dagvers vlees niet aan de schatting ten grondslag is
gelegd en de functie van inpakker ook naar het oordeel van de Raad op
grond van de voorhanden zijnde gegevens passend voor gedaagde moet
worden geacht.
Voorts overweegt de Raad nog dat, nu gedaagde ten tijde van zijn uitval
werkzaam was in een (royaal) volledig dienstverband de mate van
arbeidsongeschiktheid in casu ten onrechte is vastgesteld op basis van
een vergelijking van uurlonen. De Raad verwijst in dit kader naar
hetgeen is overwogen in zijn uitspraak van 2 april 1997, gepubliceerd in
RSV 1997/142.
Gezien het vorenstaande, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking en acht de Raad termen aanwezig om appellant met
toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te
veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op f 1.420,- als kosten van rechtsbijstand.
Ten slotte stelt de Raad vast dat, gelet op het vorenstaande en het
bepaalde in artikel 22, derde lid van de Beroepswet, van appellant een
recht van f 630,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,-;
Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van f 630,-.
Aldus gegeven door mr. C.G.L. Plomp als voorzitter en mr. H.J. Grendel en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid
van P.R. Bax als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24
september 1997.
(get.) C.G.L. Plomp.
(get.) P.R. Bax.
|
|