|
Uitspraak
96/5353 AAW/WAO en 96/5354 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B (Spanje), nader te noemen: betrokkene,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, nader te noemen: het Lisv.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Koopvaardij. In deze uitspraak wordt onder
het Lisv mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij brief van 7 juni 1994 is aan betrokkene kennis gegeven van een
besluit ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft naar aanleiding van
het beroep van betrokkene bij uitspraak van 22 april 1996 het beroep
tegen dit besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het Lisv
veroordeeld in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van f 355,- alsmede tot vergoeding van rente over de aan betrokkene
toekomende uitkering op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
Beide partijen zijn van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Zij
hebben over en weer verweer gevoerd, terwijl namens betrokkene nog is
gereageerd op het door het Lisv gevoerde verweer.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 maart 1998. Betrokkene is daar verschenen bij zijn gemachtigde mr.
C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam. Het Lisv is
verschenen bij gemachtigde M. Elfferich, werkzaam bij GAK Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Preliminair:
Betrokkenes gemachtigde heeft aan het slot van haar verweerschrift tegen
het hoger beroep van het Lisv gesteld:
"Tenslotte maakt A bezwaar tegen de ongelijke toegang tot de
rechter nu (lees:) het Lisv in zijn hoger beroep is ontvangen zonder dat
het Lisv griffierecht heeft hoeven voldoen en A pas in zijn hoger beroep
wordt ontvangen indien het verschuldigde griffierecht tijdig is
voldaan."
De Raad merkt met betrekking tot deze, aldus summier uitgewerkte,
stelling allereerst op dat daarin niet is aangegeven waartoe het
onderschrijven van het betoog namens betrokkene zou moeten leiden, en
voorts dat er geen aanwijzingen zijn - en evenmin is gesteld - dat in deze
procedure de justitiabele van de gewraakte ongelijkheid in positie van
partijen enig concreet nadeel heeft ondervonden.
Als in deze stelling een beroep kan worden gelezen op verdragsbepalingen
als artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), mogelijk in verband met
artikel 14 van dat zelfde verdrag, en artikel 26 van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), overweegt de
Raad nog het volgende.
De Raad wijst erop, dat blijkens de wetsgeschiedenis de heffing van een
recht ten opzichte van bestuursorganen niet (geheel) dezelfde doeleinden
dient als ten opzichte van justitiabelen. Het (in vergelijking met de
eerste aanleg hogere) griffierecht in hoger beroep voor de justitiabele
als appellant dient er vooral toe om de burger, nadat zijn zaak al
eenmaal door een rechter is beoordeeld, ertoe te brengen een
verantwoorde afweging te maken met betrekking tot de keuze om al dan
niet verder te procederen, en moet tevens zichtbaar maken dat aan
rechtsbedeling - met name in twee instanties - kosten zijn verbonden.
Wat betreft de regeling van de heffing van een recht ten laste van
bestuursorganen, wordt in de wetsgeschiedenis van doelstellingen als de
vorengenoemde niet gerept; gewezen wordt slechts op een
"praktisch" argument, berustend op de uitgangspunten dat de in
hoger beroep verwerende partij, niet zijnde bestuursorgaan, bij verlies
van de procedure niet het recht ten laste van de wederpartij behoeft te
vergoeden, en dat de griffies niet belast zijn met de restitutie van
griffierechten. Niettemin is duidelijk dat er een relatie ligt tussen
het eerste, ten gunste van de justitiabele gekozen, uitgangspunt en de
regel dat van het bestuursorgaan niet tevoren een recht wordt geheven.
Naar het oordeel van de Raad ligt in het vorenstaande een als redelijk
te aanvaarden grondslag voor de zienswijze dat de justitiabele en het
bestuursorgaan in het bestuursrechtelijke geding in hoger beroep op het
punt van het griffierecht niet als (volledig) vergelijkbaar zijn aan te
merken.
De Raad ziet dan ook voorshands geen grond voor het oordeel dat de
wetgever bij het tot stand brengen van de onderhavige regeling in zodanige
mate afbreuk heeft gedaan aan -i n algemene zin - het beginsel van een
gelijke positie van procespartijen dat van strijd met de eerdergenoemde
verdragsbepalingen zou kunnen worden gesproken. Daarbij laat de Raad ook
nog wegen dat tegenover de door betrokkenes gemachtigde gestelde
vergelijkenderwijs ongunstige aspecten ook voordelen vallen aan te
wijzen, te weten dat het griffierecht voor een partij in de positie van
betrokkene aanmerkelijk lager is dan dat voor het bestuursorgaan en, als
reeds aangestipt, dat eerstgenoemde niet het risico loopt dat hij in
verband met de afloop van de procedure het door dat orgaan verschuldigde
recht moet vergoeden.
Weliswaar brengt de regeling mee dat uitsluitend voor de partij, niet
zijnde bestuursorgaan, een ontvankelijkheidsrisico aan de betaling van
het griffierecht is verbonden, maar gezien het vereiste van een
duidelijke aanzegging van de verschuldigdheid en van de betalingstermijn
(in de praktijk steeds zonodig gevolgd door een rappel), alsmede de
mogelijkheid van het achterwege laten van niet-ontvankelijkverklaring
als neergelegd in artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet, acht de
Raad dit aspect niet van doorslaggevende betekenis, waarbij nog
opmerking verdient dat de overige ontvankelijkheidsvereisten in hoger
beroep gelijkelijk voor beide partijen gelden.
Ten gronde:
Bij besluit van 21 februari 1991 heeft het Lisv de aan betrokkene eerder
toegekende uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO naar een
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van 1 maart 1991
herzien en vastgesteld naar een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 7
februari 1994 dit besluit vernietigd wegens strijd met artikel 51,
eerste lid, van de EG-verordening nr. 574/72, houdende voorschriften van
medische controle op migrerende werknemers.
Betrokkenes gemachtigde heeft vervolgens bij brief van 10 maart 1994 het Lisv verzocht uitvoering te geven aan deze uitspraak
en betaling van rente over de achterstallige uitkering gevorderd.
Het Lisv heeft onder dagtekening 7 juni 1994 het thans in geding zijnde
besluit genomen, inhoudend dat berust wordt in de uitspraak van de
rechtbank, zodat het besluit tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen naar 80 tot 100% is herleefd, en dat
de uitbetaling van die uitkeringen wordt geschorst in zoverre een
berekening naar de klasse 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid wordt
overstegen, dit op grond van het vermoeden dat de mate van
arbeidsongeschiktheid per 1 maart 1991 45 tot 55% bedraagt.
Nadat tegen dit besluit wederom beroep was ingesteld, heeft het Lisv bij
brieven van 21 maart 1996 aan betrokkenes gemachtigde en aan de
rechtbank laten weten dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd
en dat aan betrokkene per 1 maart 1991 uitkeringen ingevolge de AAW en
de WAO worden verleend naar - onveranderd - 80 tot 100%.
Betrokkenes gemachtigde heeft vervolgens bij brief van 25 maart 1996 aan het Lisv (naar luid van die brief:) haar vordering
vermeerderd met betaling van rente over de achterstallige uitkering en
die rentevordering gespecificeerd.
Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst
overwogen dat betrokkene, mede gelet op de vordering tot
schadevergoeding, nog een belang heeft bij de handhaving van zijn
beroep. De rechtbank heeft voorts het Lisv veroordeeld in de
proceskosten van betrokkene en deze bepaald op f 355,-, overwegende dat
het gaat om een zaak van licht gewicht (wegingsfactor 0,5) en één
proceshandeling, namelijk een beroepschrift. Voorts heeft de rechtbank
het Lisv veroordeeld tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van
de Awb, daarbij een splitsing makend tussen de voor en na 1 januari 1992
verschuldigde uitkeringstermijnen.
Het hoger beroep namens betrokkene richt zich tegen de uitgesproken
veroordeling in de proceskosten. Naar zijn inzicht is er sprake van een
tweede proceshandeling, te weten de hierboven vermelde brief van 25
maart 1996, en van een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1).
De Raad is, evenals het Lisv blijkens diens verweer, van oordeel dat er
geen grond is om de onderhavige zaak anders dan als van gemiddeld
gewicht te waarderen, zodat van wegingsfactor 1 als bedoeld in het
Besluit proceskosten bestuursrecht dient te worden uitgegaan. Anderzijds
ziet de Raad, gelet op evenvermeld Besluit en op zijn uitspraak van 28
juli 1994 (JB 1994/221, AB 1995,40 en RSV 1995/19), de aanvulling d.d. 25 maart 1996 op het beroepschrift niet
als een extra proceshandeling, zodat hieraan geen punten op grond van
het Besluit kunnen worden toegekend. Een en ander leidt ertoe dat het
bedrag van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg dient te worden
gesteld op f 710,- en dat de aangevallen uitspraak op dit punt moet
worden vernietigd.
Wat betreft de veroordeling tot schadevergoeding op grond van artikel
8:73 van de Awb is de Raad met - thans - beide partijen van oordeel dat op
het punt van de datum met ingang waarvan aanspraak op vergoeding van
renteschade kan worden gemaakt, geen onderscheid moet worden gemaakt
tussen uitkeringstermijnen verschuldigd voor en na 1 januari 1992. De onrechtmatigheid van het handelen van het Lisv
bestaat in het niet betalen van het juiste bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vanaf 1 maart 1991. Blijkens inmiddels vaste rechtspraak wordt in een geval
als het onderhavige aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel
1286, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (oud) en is schadevergoeding
in de vorm van wettelijke rente pas verschuldigd nadat zij is gevorderd;
daarbij wordt het in gebreke blijven terzake van de uitbetaling van het
juiste bedrag aan uitkering vanaf 1 januari 1992 aangemerkt als een voortzetting van het reeds voordien
gepleegde onrechtmatig handelen.
Naar door het Lisv uitdrukkelijk is aanvaard, is de hierbovenvermelde
brief van betrokkenes gemachtigde van 10 maart 1994 te beschouwen als de
eerste daad van rentevordering, zodat wettelijke rente is verschuldigd
na afloop van een redelijke termijn, te stellen op 14 dagen, na 10 maart
1994.
Derhalve dient de aangevallen uitspraak ook op dit punt te worden
vernietigd.
Wat betreft de kosten van de onderhavige procedure in hoger beroep
overweegt de Raad dat beide hoger beroepen gelet op het vorenstaande,
althans gedeeltelijk, doel treffen. Er is echter geen aanleiding om
betrokkene, als natuurlijke persoon, in de proceskosten van de
wederpartij te veroordelen, gegeven het bepaalde in artikel 8:75, eerste
lid, tweede volzin, van de Awb. Anderzijds is er geen grond om ten
aanzien van het Lisv een veroordeling in de kosten van betrokkene
achterwege te laten. Deze kosten worden begroot op f 1420,- aan kosten
van rechtsbijstand. Tevens dient het Lisv het door betrokkene in hoger
beroep betaalde griffierecht van f 150,- te vergoeden. Er is geen grond
om terzake van het hoger beroep een recht van het Lisv te heffen.
Beslist wordt als hieronder aangegeven.
III. BESLISSING
Vernietigt de aangevallen uitspraak op het punt van de veroordeling van
het Lisv in de proceskosten van betrokkene alsmede op het punt van de
veroordeling tot schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb,
en bevestigt die uitspraak voor het overige;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van betrokkene, begroot op f
710,- + f 1420,- is f 2130,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste
aanleg, respectievelijk in hoger beroep;
Veroordeelt voorts het Lisv tot vergoeding van betrokkenes renteschade
in voege als hierboven in rubriek II aangegeven;
Bepaalt dat het Lisv het door betrokkene in hoger beroep betaalde
griffierecht van f 150,- aan hem vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. H.J. Grendel en mr.
F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr
S. Breuls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 1998.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) S. Breuls.
|
|