|
Uitspraak
96/3957
AAW en 96/3958 AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van (het
bestuur van) de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB).
Het bestuur van de NAB is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven
gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank
te Breda onder dagtekening 22 februari 1996 tussen partijen gewezen
uitspraak (de aangevallen uitspraak), inhoudende onder meer
gegrondverklaring van gedaagdes beroepen tegen de door genoemd bestuur
in het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) genomen
beslissingen van 6 augustus 1993 en 16 november 1993 (de bestreden
beslissingen) en vernietiging van die beslissingen.
Namens gedaagde heeft mr. J.W. Potasse, advocaat te Utrecht, op 21
augustus 1997 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 mei 1999, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.J. Loontjens en mr.
M.H. Beersma, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar namens gedaagde is
verschenen mr. H. Koelewijn, advocaat te Utrecht.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin het bestuur van de NAB als
verweerder is aangeduid en gedaagde als eiser, ontleent de Raad de
volgende feiten en omstandigheden:
"Eiser, geboren [in] 1972, is sedert zijn geboorte geestelijk en
lichamelijk gehandicapt. Eiser is als een zogenoemde vroeggehandicapte
aan te merken en is blijvend ongeschikt voor het verrichten van betaalde
werkzaamheden.
Gelet hierop heeft verweerder besloten aan eiser met ingang van 30 mei
1990 een uitkering ingevolge de AAW toe te kennen naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gelet op het bepaalde in artikel
13 van de AAW, heeft verweerder met ingang van 30 mei 1990 de grondslag
waarop de hoogte van eisers AAW-uitkering is gebaseerd, verhoogd van 80
tot 100%. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser in een althans
voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeerde, welke
geregeld oppassing en verzorging nodig maakt.
Bij de bestreden besluiten heeft verweerder beslist dat voormelde
verhoogde uitkering dient te worden teruggebracht tot 85% van de
AAW-grondslag, ingaande 3 maanden na 6 augustus 1993, waarbij is
overwogen dat de hulpbehoevendheid van eiser minder kosten met zich
meebrengt, aangezien eiser inmiddels een volledige dagbehandeling
heeft."
De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden beslissingen gegrond
verklaard en die beslissingen vernietigd. Zij heeft daartoe allereerst
overwogen dat zij het sinds 1 januari 1993 ter uitvoering van artikel 13
van de AAW door het bestuur van de NAB gevoerde beleid in beginsel in
overeenstemming met een redelijke beleidsbepaling acht. De rechtbank
heeft evenwel tevens vastgesteld dat aan gedaagde op geen enkele wijze
bekend gemaakt is wat het nieuwe beleid inhield en wat de consequenties
daarvan voor hem waren en dat pas naar aanleiding van door de rechtbank
gestelde vragen bij brief van 16 juni 1995 een adequate weergave van het
beleid is gegeven. Eerst uit die brief is de rechtbank gebleken dat door
appellant ten aanzien van gedaagde de noodzaak aanwezig wordt geacht om
hem min of meer constant onder toezicht te houden en dat hulp nodig
wordt geacht bij alle of nagenoeg alle dagelijkse levensverrichtingen,
zodat gedaagde in beginsel in aanmerking zou komen voor verhoging tot 100% van de grondslag, ware
het niet dat in het specifieke beleid van de NAB de omstandigheid dat
gedaagde een dagverblijf bezoekt tot een vermindering van die verhoging
met 15% leidt. De rechtbank heeft daarom de bestreden beslissingen
vernietigd wegens strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk
bestuur dat de gebezigde motivering de beslissing moet kunnen dragen.
De rechtbank heeft zich vervolgens gebogen over de vraag of er
aanleiding bestond om gebruik te maken van de bevoegdheid om te bepalen
dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissingen geheel of ten dele
in stand blijven. De rechtbank is niet overgegaan tot het gebruiken van
die bevoegdheid op de grond dat van de kant van de NAB geen enkel
onderzoek is ingesteld naar de aard en omvang van gedaagdes feitelijk
gebruik van een dagverblijf, zodat zij het toepassen van een
dagverblijftoets in strijd acht met het algemeen beginsel van behoorlijk
bestuur inhoudende dat een bestuursorgaan een besluit zorgvuldig dient
voor te bereiden en te nemen. Voorts heeft de rechtbank doen wegen dat
door appellant met de in casu gehanteerde uitlooptermijn geen juiste
toepassing is gegeven aan zijn in het kader van de beleidswijziging per
1 januari 1993 gevoerde afbouwbeleid.
In hoger beroep keert appellant zich uitsluitend tegen het oordeel van
de rechtbank omtrent de wijze van toepassing van de in casu gehanteerde
dagverblijftoets. Appellant is in dat verband in het bijzonder van
opvatting dat het door de rechtbank gevergde onderzoek naar de aard en
omvang van het feitelijk gebruik van een dagverblijf een inbreuk zou
betekenen op het - in de jurisprudentie van de Raad erkende -
forfaitaire karakter van artikel 13 van de AAW.
Van de kant van gedaagde is bij verweerschrift het in hoger beroep
aangevochten oordeel van de rechtbank onderschreven. Verder is naar
aanleiding van de vanwege de NAB in eerste aanleg in het geding
gebrachte gegevens ernstig in twijfel getrokken of het in casu
toegepaste beleid wel op 1 januari 1993 van kracht is geworden. Uit de
gedingstukken leidt gedaagde namelijk af dat een eigen, van een
richtlijn van de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) afwijkend,
beleid pas op 9 maart 1995 door de NAB is vastgesteld en vastgelegd.
Volgens gedaagde is er sprake van willekeur, nu er soms is
vooruitgelopen op het nieuwe beleid en soms niet.
Het voorgaande leidt ertoe dat in hoger beroep slechts aan de orde is of
appellants rechtsvoorganger terecht op basis van de omstandigheid dat
gedaagde een dagverblijf bezoekt de verhoging van de grondslag van diens
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaande 6 november 1993 heeft
teruggebracht van 100% naar 85%. Naar aanleiding van hetgeen zijdens
gedaagde is gesteld omtrent de willekeurige wijze waarop het bestuur van
de NAB in het kader van artikel 13 van de AAW betekenis zou hebben
gehecht aan het bezoeken van een dagverblijf, heeft de Raad in het
bijzonder stil gestaan bij de vraag of in die stelling reden is gelegen
om de voormelde wijziging van gedaagdes uitkering onrechtmatig te
achten.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Artikel 13 van de AAW, zoals dat luidde tot 1 januari 1998, bepaalde -
voor zover thans van belang - dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, in
geval de betrokkene verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand
van hulpbehoevendheid welke geregeld oppassing en verzorging nodig
maakt, voor de duur van die hulpbehoevendheid wordt verhoogd tot ten
hoogste zijn grondslag.
Vóór april 1990 werd in de wetsuitvoering en rechtspraak een
restrictieve uitleg gegeven aan die bepaling. In de uitspraken van 12
april en 19 april 1990 (RSV 1990, 305 en 307) heeft de Raad echter
aangegeven dat een terughoudende toepassing van artikel 13 van de AAW
niet zo ver mag gaan dat aan die bepaling een uitleg zou worden gegeven
die niet strookt met de tekst daarvan of deze tot een dode letter zou
maken. De Raad heeft in dat verband overwogen dat aan het vereiste van
de noodzaak van geregelde verzorging niet eerst dan voldaan is wanneer
een belanghebbende voor elk, of de meeste, van de essentiële en steeds
terugkerende levensverrichtingen hulp behoeft, doch in beginsel ook
wanneer die hulp nodig is bij een aantal daarvan. De Raad heeft daaraan
toegevoegd in zoverre wel een zekere beleidsruimte voor terughoudende
toepassing aanwezig te achten dat, als de betrokkene uit hoofde van
andere voorzieningen, zoals een dagverblijf, oppassing en verzorging
geniet, er aanleiding zou kunnen zijn de verhoging te beperken, waar de
woorden "ten hoogste" in de tekst van het artikel de
mogelijkheid toe bieden.
Door de FBV is in de "mededeling M 92.60" van 25 november 1992
de aanbeveling aan de toenmalige bedrijfsverenigingen gedaan om bij de
toepassing van artikel 13 van de AAW een beleid te gaan voeren,
gebaseerd op indeling in twee categorieën. Dat beleid komt erop neer
dat de uitkering verhoogd wordt tot 100% van de grondslag in die
gevallen, waarin voldaan is aan het restrictieve criterium zoals dat
voorafgaand aan de voormelde uitspraken werd gehanteerd, terwijl in de
(overige) gevallen waarin aan de minder stringente voorwaarden is
voldaan, verhoging tot 85% plaatsvindt. In zijn uitspraak van 14
februari 1995 (RSV 1995, 154) heeft de Raad in het kader van de toetsing
van een door het bestuur van de NAB genomen besluit geoordeeld dat het
zojuist omschreven beleid de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De
Raad was namelijk van oordeel dat hij weliswaar in zijn uitspraken van
april 1990 een mogelijke invulling heeft gegeven van de marge die
artikel 13 van de AAW biedt, maar dat zulks niet betekent dat dit de
enig mogelijke invulling is. De Raad heeft daarbij nog aangegeven dat
een bestuursorgaan zich bij de vaststelling van zijn beleid mede mag
laten leiden door de uitvoeringsproblemen die bij de verschillende
alternatieven zijn te voorzien.
In zijn uitspraak van 29 december 1995 oordeelde de Raad vervolgens over
een beslissing van 16 april 1993 van het bestuur van de NAB waarbij een
uitkering was verhoogd naar 85% van de grondslag, waarvoor in dat geval
doorslaggevend werd geacht dat de betrokken uitkeringsgerechtigde vijf
dagen per week in een dagverblijf doorbracht. De Raad heeft in die
uitspraak in extenso de criteria geciteerd zoals deze aan hem ter
terechtzitting van 29 november 1995, als vanaf 1 januari 1993 door de
NAB gehanteerd beleid, zijn voorgehouden. Als onderdeel van dat beleid
is daarbij vermeld dat, bij wijze van aanvulling op en aanscherping van
hetgeen door de FBV is geadviseerd, het bezoeken van een dagverblijf als
criterium wordt gehanteerd. Dat wil zeggen dat bij het in beduidende
omvang - hetgeen betekent ten minste vier dagen per week - bezoeken van
een dagverblijf of een school voor speciaal of regulier onderwijs, in
gevallen die op basis van de overige criteria voor verhoging tot 100% in
aanmerking zouden komen, de verhoging wordt beperkt tot 85% en in
gevallen, waarin die andere criteria tot verhoging naar 85% zouden
leiden, de uitkering op 70% blijft gehandhaafd. Vorenbedoeld beleid,
voor zover toegepast op besluiten waarbij het uitkeringspercentage op
85% is gesteld, is door de Raad niet alleen in laatstgenoemde uitspraak,
maar ook in enkele latere uitspraken, waaronder laatstelijk de uitspraak
van 24 november 1998 (USZ 1999, 24), rechtens aanvaardbaar geacht.
Naar aanleiding van het vanwege gedaagde ingenomen standpunt dat aan het
zojuist omschreven beleid op willekeurige wijze toepassing is gegeven,
zodat de dagverblijftoets in casu buiten toepassing had moeten blijven,
acht de Raad het allereerst van belang te constateren dat appellant,
desgevraagd, niet in staat is gebleken enig schriftelijk stuk uit de
periode rond 1 januari 1993 over te leggen waaruit blijkt dat de
vorenomschreven dagverblijftoets toen onderdeel van zijn
uitvoeringsbeleid ten aanzien van artikel 13 van de AAW uitmaakte. Wel
is de Raad op verschillende stukken gestuit waaruit naar voren komt dat
ook de NAB het door de FBV geadviseerde beleid per 1 januari 1993 is
gaan toepassen. Zo is op 16 december 1992 vanuit het hoofdkantoor van
het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) aan het
districtskantoor Breda meegedeeld dat de NAB zich heeft geconformeerd
aan het FBV-advies. Voorts wordt in de incidentele mededeling uit
januari 1993 in de "Leidraad AAW" van het GAK van 22 maart
1993 betreffende het nieuwe beleid bij verhoging van de uitkering wegens
hulpbehoevendheid zonder enig voorbehoud ten aanzien van de zaken van de
NAB gesteld dat de FBV-circulaire de voortaan geldende criteria bevat.
Ook in de incidentele mededeling aan de houders van het Juridisch
basisboek van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), waarin het
nieuwe beleid ten aanzien van de toepassing van artikel 13 van de AAW is
uiteengezet, is niet vermeld dat er bij de advisering in zaken van de
NAB op enigerlei wijze rekening zou moeten worden gehouden met het
bezoeken van een dagverblijf. Wel is daarin een passage opgenomen over
bewoners van zogeheten ADL-clusterwoningen. Zelfs in de specifiek voor
de NAB geldende incidentele mededeling in de Leidraad AAW van 27
december 1993, waarin is aangeven dat alle lopende gevallen waarin in
het verleden de uitkering naar 100% is verhoogd, aan de hand van de
nieuwe criteria dienen te worden herbeoordeeld, wordt niet gerept van
een afwijkend of aanvullend NAB-beleid, maar wordt integendeel gesteld
dat de NAB vanaf 1 januari 1993 het algemene gewijzigd beleid volgt.
In het op 15 januari 1994 in de Leidraad AAW opgenomen bijzonder beleid
van de NAB ten aanzien van de mogelijkheid om terugwerkende kracht te
geven aan toekenningen ex artikel 13 van de AAW is voor het eerst wel
iets vermeld over het bezoeken van een dagverblijf. In het kader van de
mandateringsregeling is namelijk aangegeven dat in geval de GMD positief
adviseert over de toepassing van artikel 13, terwijl de betrokkene een
dagverblijf blijkt te bezoeken, de beslissing daarover niet aan het GAK
is gemandateerd, maar als twijfelgeval aan de Kleine Commissie van de
NAB moet worden voorgelegd onder vermelding van het aantal dagen dat de
betrokkene in een dagverblijf vertoeft.
Op 9 maart 1995 heeft de Kleine Commissie algemene zaken van de NAB een
nota besproken en geaccordeerd, waarin de dagverblijftoets in de eerder
omschreven vorm als onderdeel van het beleid is genoemd. Volgens de
gemachtigden van appellant is de aanleiding voor die nota geweest dat
bij de districtskantoren van het GAK en bij de GMD grote onduidelijkheid
bestond over het door de NAB gehanteerde beleid. Uit een zich onder de
gedingstukken bevindende notitie vanuit het hoofdkantoor van het GAK aan
het districtskantoor Breda van 20 april 1995 blijkt dat als ingangsdatum
van het op 9 maart 1995 vastgestelde beleid 10 maart 1995 geldt. In die
notitie is voorts het volgende opgemerkt:
"Op Uw volgende vraag wat voor beleid er voordien gevoerd werd is
moeilijk antwoord te geven. In principe zou vanaf 1 januari 1993 het
algemene beleid gevoerd worden.
(...).
Dit is echter lang niet altijd het geval geweest. Er is in een heleboel
gevallen al vooruitgelopen op het huidige beleid, zodat op uw vraag geen
eenduidig antwoord kan worden gegeven."
De op 9 maart 1995 vastgestelde criteria zijn vervolgens op 15 mei 1995
opgenomen in de voornoemde Leidraad AAW. Het zijn ook deze criteria die
vanwege de NAB nadien in lopende gedingen aan de Raad, en in casu ook
aan de rechtbank, zijn gepresenteerd als haar reeds vanaf 1 januari 1993
geldende beleid.
Gelet op het voorgaande houdt de Raad het ervoor dat van een
schriftelijk vastgelegd beleid van de NAB om een dagverblijftoets te
hanteren geen sprake is geweest tot 10 maart 1995. De Raad acht wel
aannemelijk dat tussen 1 januari 1993 en 10 maart 1995 bij de Kleine
Commissie van de NAB de intentie heeft bestaan om in enige vorm gevolg
te gaan geven aan de in de uitspraken van april 1990 door de Raad gedane
suggestie om in het kader van artikel 13 van de AAW een beleid te voeren
waarin rekening wordt gehouden met de besparing op kosten van oppassing
en verzorging als gevolg van het gebruiken van andere voorzieningen op
dat terrein. Uit de door de Raad eerder berechte zaken blijkt immers
reeds dat zulks in een aantal gevallen daadwerkelijk is gebeurd en ook
uit de mandateringsregeling van voormeld op 15 januari 1994 in de
Leidraad AAW opgenomen bijzonder beleid is zulks op te maken. Uit
laatstgenoemde vermelding in de leidraad blijkt evenwel ook dat in
januari 1994 het aspect bezoeken van een dagverblijf nog de status van
twijfelgeval had, zodat op basis daarvan niet aannemelijk is dat toen
reeds sprake was van een enigszins uitgekristalliseerde benadering op
dit punt.
De Raad acht in dit verband nog van belang dat op grond van de tot 15
januari 1994 geldende mandateringsregels de voor toekenning in
aanmerking komende gevallen, behalve als daarin een terugwerkende kracht
van meer dan een jaar aan de orde was, niet aan de Kleine Commissie
behoefden te worden voorgelegd, maar zelfstandig door de diverse
districtskantoren van het GAK konden worden afgehandeld. Aannemelijk is
dat vanaf 15 januari 1994 op grotere schaal gevallen waarin
dagverblijfbezoek speelde aan de Kleine Commissie zijn voorgelegd, maar
de Raad is er bepaald niet van overtuigd dat dit in alle gevallen is
gebeurd. Met name valt dat te betwijfelen wat betreft de
herbeoordelingsgevallen waarop eerdergenoemd bijzonder beleid van 27
december 1993 betrekking had, nu in het bijzonder beleid van 15 januari
1994 geen relatie is gelegd met die categorie gevallen.
Uit het voorgaande leidt de Raad af dat in de periode waarin het op 9
maart 1995 vastgestelde beleid nog niet gold, in veel gevallen de bij de
voorbereiding van besluiten in het kader van artikel 13 van de AAW
betrokken functionarissen van de toenmalige GMD en het GAK, bij gebreke
van informatie daarover in de hen ter beschikking staande interne
richtlijnen, niet op de hoogte waren van voormelde beleidsintentie van
de Kleine Commissie van de NAB en dat het voorts mede heeft afgehangen
van de betrekkelijk toevallige omstandigheid of een zaak aan die
commissie is voorgelegd, of het aspect bezoeken van een dagverblijf in
de besluitvorming althans in enigerlei vorm een rol heeft gespeeld. De
Raad acht dan ook onaannemelijk dat in de zojuist bedoelde periode in
voorkomende gevallen steeds rekening is gehouden met dat aspect. Het
komt de Raad al helemaal onaannemelijk voor dat de dagverblijftoets in
de vorm waarin deze op 9 maart 1995 is uitgewerkt en als beleid is
vastgesteld vanaf 1 januari 1993 consequent is toegepast. Een
bevestiging van die conclusie ziet de Raad niet alleen in de eerder
geciteerde notitie van 20 april 1995, maar ook in de omstandigheid dat
uit de soortgelijke - uit de periode tussen 1 januari 1993 en 10 maart
1995 daterende - zaken die op dezelfde zitting als dit geding zijn
behandeld naar voren komt dat in het merendeel daarvan de
dagverblijftoets niet, althans niet in de vorm zoals op 9 maart 1995
vastgesteld, bij de voorbereiding en het nemen van besluiten betreffende
de toepassing van artikel 13 van de AAW is betrokken, doch pas achteraf
aan de rechter is voorgehouden.
Het vorenstaande heeft de Raad tot de gevolgtrekking gebracht dat het,
in elk geval tot het moment dat de dagverblijftoets uitdrukkelijk als
onderdeel van het beleid van de NAB is gaan gelden, afhankelijk is
geweest van min of meer toevallige factoren of er al dan niet in enige
vorm toepassing is gegeven aan die toets, waardoor een verschil in
behandeling is ontstaan tussen niet wezenlijk van elkaar verschillende
gevallen. De Raad is van oordeel dat het in de betrokken periode
daardoor op dit punt in die mate heeft ontbroken aan een consistente
beleidsvorming en -uitvoering dat, wanneer destijds op enige wijze ten
nadele van een uitkeringsgerechtigde toepassing aan de dagverblijftoets
is gegeven, moet worden gezegd dat dit heeft plaatsgevonden in strijd
met het verbod van willekeur, welk verbod vanaf 1 januari 1994 mede
besloten ligt in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Zulks geldt derhalve ook voor het onderhavige
geval.
De Raad merkt nog op dat aan het zojuist verwoorde oordeel niet afdoet
dat de Raad in eerdere uitspraken de dagverblijftoets op zichzelf
rechtens aanvaardbaar heeft geacht. In die zaken is immers dat criterium
steeds aan de Raad voorgehouden alsof dit reeds vanaf 1 januari 1993
onderdeel van het beleid van de NAB uitmaakte, terwijl er in die zaken
geen aanleiding bestond om in twijfel te trekken dat vanaf dat tijdstip
die maatstaf daadwerkelijk als vaste gedragslijn is toegepast.
De Raad is derhalve, evenals de rechtbank maar op andere gronden, van
oordeel dat toepassing van de dagverblijftoets in casu de rechterlijke
toetsing niet kan doorstaan. De aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking met
verbetering van de gronden als voormeld.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor verleende
rechtsbijstand. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn
niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 675,-- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met
verbetering van de gronden als aangegeven in rubriek II van deze
uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van
't Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.
|
|