|
Uitspraak
96/4490
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Namens appellant is mr. drs. L.B. Dijkstra, werkzaam bij AVM Juristen te
Leeuwarden, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen van een door de rechtbank te Leeuwarden onder dagtekening
29 maart 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 januari 1998, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. drs. Dijkstra voornoemd, en waar gedaagde, met voorafgaand
bericht, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant wordt aangeduid als eiser
en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"Eiser, geboren in 1943, is zelfstandig veehouder en wordt sinds 17
september 1985 door verweerder in aanmerking gebracht voor een uitkering
ingevolge de AAW, laatstelijk berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Vanaf 1978 is eiser bestuurslid van de commissie
landinrichtingsdienst/ruilverkaveling Kollumerland waarvoor hij
presentiegeld ontvangt van circa f 100,= bruto per maand, inclusief reis- en verblijfkosten. Met ingang
van 1 juli 1992 is eiser voorzitter van voornoemde commissie en ontvangt
daarvoor een vergoeding van f 19.500,= bruto per jaar, inclusief reis-
en verblijfkosten.
Eiser heeft van zijn inkomsten als voorzitter melding gemaakt op een hem
door verweerder toegezonden inlichtingenformulier.
Het formulier is door eiser ondertekend en van dagtekening voorzien op
10 juli 1993 en is bij verweerder binnengekomen op 12 juli 1993.
Bij brief van 14 december 1993 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de
betaling van zijn AAW-uitkering voorlopig wordt stopgezet met ingang van
1 januari 1994 omdat eisers uitkering, vanwege diens inkomsten als
voorzitter van de landherinrichtingsdienst, zeer waarschijnlijk vanaf 1
juli 1992 niet meer tot uitbetaling had moeten komen.
Bij brief van 25 januari 1994 heeft verweerder eiser in kennis gesteld
van zijn besluit om met ingang van 1 juli 1992 rekening te houden met de
inkomsten van eiser uit de werkzaamheden als voorzitter van de
landherinrichtingscommissie door toepassing van artikel 33 van de AAW,
waardoor zijn uitkering ingevolge de AAW vanaf 1 juli 1992 in het geheel
niet meer tot uitbetaling komt. Tegen dit besluit heeft eiser geen
beroep ingesteld. Voorts is eiser bij brief van dezelfde datum
medegedeeld dat aan eiser over de periode van 1 juli 1992 tot en met 31 december 1993 in totaal
f 11.387,37 bruto
(inclusief f 484,59 bruto aan vakantiegeld) ten onrechte aan
AAW-uitkering is uitbetaald en dat het bestuur van de
bedrijfsvereniging nog zal beslissen of het vermelde bedrag al dan niet
teruggevorderd dient te worden.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het navolgende aangegeven.
Aan eiser is door zijn toedoen over de periode van 1 juli 1992 tot en
met 31 juli 1993 f 8.359,18 bruto (inclusief f 484,59 bruto aan
vakantiegeld) ten onrechte teveel aan AAW-uitkering betaald omdat hij
niet direct spontaan heeft doorgegeven dat hij met ingang van 1 juli
1992 is gaan werken als voorzitter van de landherinrichtingscommissie en dat hij dit
feit op het op 27 augustus 1992 ontvangen formulier "toetsing en
begeleiding AAW" zelfs heeft verzwegen. Van eiser wordt daarom over
de periode van 1 juli 1992 tot en met 31 juli 1993 netto teruggevorderd
een bedrag van f 8.882,31.
Subsidiair heeft verweerder overwogen dat het eiser redelijkerwijs
duidelijk had moeten zijn dat hij teveel aan AAW-uitkering ontving.
Voorts geeft verweerder aan dat het eiser, waar het de periode van 1
augustus 1993 tot en met 31 december 1993 betreft, redelijkerwijs duidelijk heeft moeten zijn dat
er aan hem over deze periode teveel aan AAW-uitkering werd betaald. Van
eiser wordt daarom over laatstgenoemde periode netto teruggevorderd een
bedrag van f 3.237,37."
In geding is de vraag of dit bestreden besluit, dat gedagtekend is op 15
juni 1994, in rechte stand kan houden.
Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de
rechtbank, bevestigend.
De Raad stelt vast dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat het aan de
onderhavige terugvordering ten grondslag liggende kortingsbesluit van 25
januari 1994, aangezien daartegen geen beroep is ingesteld, rechtens
onaantastbaar is geworden, en dat zij appellants grieven tegen dat
besluit om die reden buiten bespreking heeft gelaten.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank,
niettegenstaande het feit dat niet in beroep is gegaan tegen het
anticumulatiebesluit, appellants grieven tegen de juistheid van dit
besluit in haar oordeel over het terugvorderingsbesluit had moeten
betrekken. Gesteld is dat artikel 33 van de AAW onjuist is toegepast en
dat dit tot het oordeel moet leiden dat ten aanzien van appellant geen
grond aanwezig is voor het onderhavige terugvorderingsbesluit.
Namens appellant is er - ter adstructie hiervan - op gewezen dat de
arbeidsdeskundige de uren die appellant heeft gewerkt als voorzitter van
de Landinrichtingscommissie niet bij het restverdienvermogen had mogen
optellen.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Naar de Raad reeds vele malen heeft overwogen, wordt een besluit,
waartegen niet tijdig bezwaar of beroep is ingesteld, in rechte
onaantastbaar.
Niettemin acht de Raad - zulks in het voetspoor van zijn uitspraken,
gepubliceerd in RSV 1994/202 en USZ 1997/229 - omstandigheden denkbaar, waarin bij de toetsing van een
terugvorderingsbesluit dat voortborduurt op een in rechte onaantastbaar
kortingsbesluit, betekenis toekomt aan hetgeen door een belanghebbende
wordt aangevoerd met betrekking tot feiten en omstandigheden waarvan
het bestuursorgaan bij het nemen van het rechtens onaantastbaar geworden kortingsbesluit is uitgegaan.
Daarvan uitgaande, heeft de Raad noch in hetgeen namens appellant is
aangevoerd, noch in de beschikbare gegevens, aanknopingspunten kunnen
vinden voor het oordeel dat het bestreden terugvorderingsbesluit niet
zou mogen voortbouwen op het rechtens onaantastbare kortingsbesluit van
25 januari 1994.
Hetgeen van de zijde van appellant tegen het terugvorderingsbesluit van
15 juni 1994 in hoger beroep is aangevoerd komt overeen met hetgeen ook
reeds in eerste aanleg was gesteld en door de rechtbank is weerlegd op
de gronden die in de aangevallen uitspraak worden vermeld. Die gronden
worden door de Raad onderschreven.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr.
R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid
van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 april
1998.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B.C. Rog.
|
|