|
Uitspraak
96/7142
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B (Marokko), appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Café-, Pension- en
aanverwante bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede
verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 26 juni 1995 heeft gedaagde, naar aanleiding van een
aangifte van arbeidsongeschiktheid welke bij appellant in maart 1981 zou
zijn ingetreden, geweigerd hem uitkeringen ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 4
juni 1996 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. J.J.C. van Haren, advocaat te Utrecht, tegen
deze uitspraak hoger beroep ingesteld en gevorderd dat aan appellant
alsnog een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend.
Gedaagde heeft op 13 december 1996 een verweerschrift ingediend.
Mr. Van Haren heeft het standpunt van appellant nader toegelicht bij
brief van 15 februari 1997, waarop namens gedaagde bij brieven van 28
februari 1997 en 13 januari 1998 is gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 februari 1998. Appellant is daar verschenen bij zijn gemachtigde mr.
Van Haren, voornoemd. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde M.
Elfferich, werkzaam bij GAK Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Met betrekking tot de behandeling van het geding ter zitting
Op 1 januari 1998 is, als onderdeel van de zogenoemde Pembawetgeving
(Wet van 24 april 1997, Stb. 175, jo. Besluit van 2 september 1997, Stb.
391) in werking getreden artikel 88h van de WAO, luidende als volgt:
"1. In afwijking van artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht
vindt het onderzoek ter zitting, voor zover betrekking hebbend op
medische gegevens, met gesloten deuren plaats.
2. In de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht wordt mededeling gedaan van het
bepaalde in het vorige lid."
De Raad acht termen aanwezig om zich ambtshalve uit te spreken over de
vraag of dit voorschrift zich verdraagt met de vereisten voor een
eerlijk proces zoals onder meer besloten liggend in een ieder
verbindende verdragsbepalingen als artikel 6, eerste lid, van het
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM), en artikel 14, eerste lid, van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Zich in het bijzonder oriënterend op de rechtspraak van het Europese
Hof voor de rechten van de mens te Straatsburg inzake artikel 6 EVRM,
stelt de Raad allereerst vast dat het in dit geding gaat om een
burgerlijk recht in de zin van artikel 6 EVRM (vgl. arrest
Schuler-Zgraggen vs Zwitserland d.d. 24 juni 1993, RSV 1994/69), en dat
hier derhalve van toepassing is het voorschrift van het eerste lid van
die bepaling, inhoudende dat een ieder recht heeft op een openbare
behandeling van zijn zaak.
Dit voorschrift kent de beperkingen als neergelegd in de tweede volzin
van artikel 6, eerste lid, en binnen die beperkingen wordt in de
jurisprudentie van het Hof te Straatsburg de mogelijkheid aanvaard dat
procespartijen uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand doen van dit hun
toegekende recht, mits zulks niet in strijd is met enig gewichtig
openbaar belang (vgl arrest Hakansson en Sturesson vs Zweden d.d. 21
februari 1990, series A, vol. 171; zie ook HR 15 november 1996, NJ 1997,
275). Voorts dienen de omstandigheden van het geval een inbreuk op de
openbaarheid te rechtvaardigen (vgl arrest Diennet vs Frankrijk d.d. 26
september 1995, series A, vol. 325).
De Raad gaat ervan uit dat de wetgever bij het voorschrift van artikel
88h WAO het oog heeft gehad op de bescherming van het privéleven van
een procespartij, zijnde dit één van de belangen welke een inbreuk op
het vereiste van openbaarheid van de rechtspraak kunnen rechtvaardigen.
Evenwel moet de Raad ook vaststellen dat, gelet op de eerder vermelde
rechtspraak, een categorische uitsluiting van openbare behandeling zich
niet verdraagt met het voorschrift van artikel 6, eerste lid, van het
EVRM.
Tegemoetkoming aan zowel de belangen die door deze verdragsbepaling
zijn gewaarborgd als die welke de wetgever met artikel 88h, eerste lid,
van de WAO heeft willen beschermen, brengt naar het oordeel van de Raad
mee dat de rechter dit laatste voorschrift aldus toepast dat de
behandeling van het geding ter zitting, voorzover betrekking hebbend op
medische gegevens, in beginsel met gesloten deuren plaatsvindt en dat
hij, ambtshalve of op verzoek van één of meer partijen, kan beslissen
dat die behandeling in het openbaar zal geschieden.
De Raad acht het aangewezen dat partijen bij de uitnodiging als bedoeld
in artikel 8:56 van de Awb in deze zin worden ingelicht.
Met betrekking tot het geschil in hoger beroep
Bij brief van 6 januari 1993 heeft een Nederlandse advocaat zich tot
gedaagde gewend, onder bijvoeging van een aan het GAK gerichte - maar
destijds kennelijk niet ontvangen - brief d.d. 10 maart 1992 van
appellant, met het verzoek hem te informeren over de stand van zaken
betreffende appellants aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Bij deze brief waren gevoegd een drietal recepten uit 1986, 1988 en 1990
van dr. L. Benkirane te Oujda, voorschrijvende gardenal, respectievelijk
depakine.
Uit nadere door gedaagde bij appellant ingewonnen inlichtingen is
gebleken dat diens laatste werkgever in Nederland is geweest X Catering
B.V., en wel tot 20 februari 1981. Voorts heeft appellant meegedeeld dat
hij in maart 1981 naar Marokko is vertrokken in verband met een ongeval
in de familie en dat zijn gezondheidstoestand hem heeft belet adequate
acties - zoals ziekmelding bij zijn werkgever en bij de (Marokkaanse)
Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) - te ondernemen. Voorts
heeft appellant nog een medische verklaring d.d. 7 april 1993 van dr.
Benkirane, voornoemd, ingezonden, waarin deze verklaart dat hij
appellant sedert 1986 wegens epilepsie heeft behandeld.
Appellant is op 7 november 1994 onderzocht door een
verzekeringsgeneeskundige van het GAK. Deze heeft geen duidelijke
ziekteverschijnselen kunnen vaststellen en op basis van de door
appellant verstrekte alsmede de hierboven vermelde gegevens een eerste
arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op - arbitrair - 1 januari 1986.
In eerste aanleg en in hoger beroep heeft appellant nog de volgende
medische gegevens verstrekt:
- een verklaring d.d. 27 november 1986 van de arts dr. A. Serghini te Oujda, inhoudende dat hij appellant sinds juli 1981
psychiatrisch behandelt in verband met epileptische aanvallen;
- drie medische verklaringen d.dis 3 maart 1981, 12 april 1981 en 18 mei 1981 van dr. Benkirane, voornoemd, waarin deze
appellant in verband met ziekte rustperioden voorschrijft.
Het gaat in dit geding om de vraag of appellant tijdens een onder de
Nederlandse wetgeving verzekerde periode - of binnen een maand nadien -
arbeidsongeschikt in de zin van de AAW en de WAO is geworden en zo ja,
of die arbeidsongeschiktheid tenminste 52 weken heeft voortbestaan.
Gedaagde heeft deze vraag ontkennend beantwoord, aannemende dat de
laatste verzekeringsdag van appellant is te stellen op 20 februari 1981.
De rechtbank heeft zich bij het standpunt van gedaagde aangesloten.
Ook de Raad vindt geen grond voor een ander oordeel.
Ook indien doorslaggevende betekenis aan de medische verklaring van dr.
Serghini zou moeten worden toegekend, betreft die een niet eerder dan in
juli 1981 ingetreden arbeidsongeschiktheid, terzake waarvan appellant
aan de Nederlandse wetgeving geen aanspraken kan ontlenen. Aan de
verschillende verklaringen van dr Benkirane kan de Raad onvoldoende
betekenis hechten, nu deze elkaar tegenspreken - hij zou appellant
sedert 1986 hebben behandeld, terwijl hij hem reeds in 1981 terzake van
dezelfde klachten rust heeft voorgeschreven -, en de door deze arts vanaf
maart 1981 tot juli 1990 afgegeven verklaringen zijn gesteld op
briefpapier waarop een (zescijferig) telefoonnummer voorkomt dat, naar
uit onderzoek van gedaagde blijkt, pas in september 1990 in Marokko is
ingevoerd.
Aan appellant is terecht aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontzegd. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Er zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. H.J. Grendel en mr.
F.P. Zwart als leden, in tegen-woordigheid van mr. H.E. Scheepers-van Die als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 1998.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) H.E. Scheepers-van Die.
|
|