|
Uitspraak
96/7008
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Mr. J.N.R.M. Aarts, advocaat te Veghel, heeft als gemachtigde van
appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 17 juni 1996, waarbij
het verzoek van appellant om herziening van een eerdere uitspraak van
die rechtbank is afgewezen.
Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingegediend.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6
maart 1998, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. P.J.M.
Mommers, advocaat te Veghel. Gedaagde is niet verschenen.
II. MOTIVERING
Bij uitspraak van 25 september 1995 heeft de rechtbank het beroep van
appellant tegen een besluit van gedaagde inzake de herziening van
appellants uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met toepassing van
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk
verklaard op de grond dat het beroepschrift niet de gronden van het
beroep bevat en appellant de hem geboden gelegenheid om dit verzuim
binnen de hem daartoe gestelde termijn te herstellen niet heeft benut.
Bij uitspraak van 16 februari 1996 heeft de rechtbank het door appellant
tegen de uitspraak van 25 september 1995 gedane verzet met toepassing
van artikel 8:55 van de Awb ongegrond verklaard.
Appellant heeft herziening verzocht van de uitspraak van 16 februari
1996. Dit verzoek, door de rechtbank opgevat als een verzoek om
herziening van de uitspraak van 25 september 1995, is bij de aangevallen uitspraak met toepassing van
artikel 8:88 van de Awb afgewezen.
Appellant heeft tegen laatstbedoelde uitspraak hoger beroep ingesteld.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet is bepaald dat een
belanghebbende en het bestuursorgaan bij de Centrale Raad van Beroep
hoger beroep kunnen instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als
bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb en tegen een uitspraak van de
president van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van die wet,
inzake:
a. - kort gezegd - ambtenarenzaken, en
b. besluiten, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is
opgenomen in de bijlage die bij de Beroepswet behoort.
Het bestreden besluit is een besluit als bedoeld in artikel 18, eerste
lid, onder b, van de Beroepswet.
De aangevallen uitspraak, inhoudende afwijzing van een verzoek om
herziening, is echter niet een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6
van de Awb, noch een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb of
een daarmee op een lijn te stellen uitspraak ten gronde die volgt na
toewijzing van het verzoek om herziening, doch een uitspraak als bedoeld
in titel 8.4 van de Awb.
Voorts wijst de Raad op het karakter van het bijzondere rechtsmiddel
herziening, dat in zijn ogen tevens grond biedt voor het oordeel dat ter
zake van de beslissing op het verzoek om herziening niet het gewone
rechtsmiddel van hoger beroep open kan staan.
Tegen de aangevallen uitspraak kan mitsdien geen hoger beroep worden
ingesteld. De Raad is bijgevolg niet bevoegd van het hoger beroep kennis
te nemen.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr.
J.W.
Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Maurik als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 1998.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.M. van Maurik.
|
|