|
Uitspraak
96/6855
AAW en 96/6856 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Hout- en Meubelindustrie en Groothandel in
Hout. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur
van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 17 januari 1995 heeft gedaagde de uitkering van
appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), die
werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%,
met ingang van 21 januari 1995 ingetrokken op de grond dat appellants
arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan
25% (besluit I).
Bij besluit van 1 maart 1995 heeft gedaagde de uitkering van appellant
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met
ingang van 1 juli 1991 ingetrokken, primair onder toepassing van artikel
30, eerste lid, aanhef en onder a van de WAO, subsidiair onder
toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b van de WAO, en
meer subsidiair onder toepassing van artikel 18, eerste en tweede lid
van de WAO (besluit II).
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 25 juni
1996 de tegen de besluiten I en II ingestelde beroepen ongegrond
verklaard.
Appellant is bij gemachtigde mr. B.I. Klaassens, advocaat te Groningen,
van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In een aanvullend
beroepschrift van 2 december 1996 zijn de gronden van het hoger beroep
uiteengezet.
Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd zijn namens gedaagde bij brief van 12 juni 1998 aanvullende
stukken ingezonden.
Van de zijde van appellant zijn nadien nadere medische gegevens in het
geding gebracht.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4
september 1998, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van
mr. Klaassens, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. T. Martens, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als
zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.
De Raad staat in de onderhavige gedingen voor beantwoording van de
volgende vragen:
1. Is bij besluit van 17 januari 1995 terecht de aan appellant per 30
september 1986 toegekende uitkering ingevolge de AAW ingaande 21 januari
1995 ingetrokken op de grond dat op die laatste datum de mate van
appellants arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW minder dan 25%
bedroeg (besluit I)?
2. Is bij besluit van 1 maart 1995 terecht de aan appellant per 25 april
1991 toegekende uitkering ingevolge de WAO ingaande 1 juli 1991
ingetrokken, primair op de grond dat de mate van appellants
arbeidsgeschiktheid op laatstgenoemde datum niet tenminste 15% minder is
dan bij aanvang van de WAO-verzekering op 12 maart 1990, en subsidiair
op de grond dat op 1 juli 1991 de mate van appellants
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO minder dan 15% bedroeg
(besluit II)?
Ten aanzien van besluit I
Blijkens de daaraan ten grondslag liggende gegevens van de voormalige
Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), berust dit besluit op het
oordeel dat appellant op de datum in geding met zijn beperkingen in
staat moet worden geacht tot het vervullen van de hem voorgehouden
loondienstfuncties, en hij daarmee een zodanig inkomen zou kunnen
verwerven, dat er gelet op het voor hem in aanmerking te nemen
maatmaninkomen niet langer sprake is van een voor de toepassing van de
AAW relevante mate van arbeidsongeschiktheid.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat 5 van de aan
appellant voorgehouden functies uit medisch oogpunt niet geschikt voor
hem zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant rapporten
van de reumatoloog H.G. Lim van 28 april 1998 en van de neuroloog E.V. van Zuilen van 27 mei 1998 overgelegd. Voorts is aangevoerd dat de
geselecteerde functies slijper, puntlasser en bezorger leesportefeuille
niet passend zijn voor appellant vanwege de daarvoor vereiste opleiding
en vaardigheden.
Bovengenoemde bezwaren heeft appellant eveneens bij de rechtbank, maar
dan eerst ter zitting, naar voren gebracht. De rechtbank was
dienaangaande van oordeel dat het in een dergelijk laat stadium
aanvoeren van nieuwe grieven bezwaren ontmoet uit een oogpunt van
behoorlijke procesvoering en heeft die grieven derhalve buiten
beschouwing gelaten.
Naar aanleiding van hetgeen dienaangaande van de zijde van gedaagde naar
voren is gebracht, merkt de Raad op dat een vaststelling door de
rechtbank van strijd met een goede procesorde in de hiervoor aangegeven
zin geen zodanige doorwerking heeft in de procedure in hoger beroep dat
een inhoudelijke behandeling van de door de rechtbank wegens strijd met
een goede procesorde buiten beoordeling gelaten grieven, in hoger beroep
op voorhand niet meer mogelijk is. Wanneer, zoals in het onderhavige
geval, appellant in hoger beroep de door de rechtbank wegens het late
tijdstip van kenbaar maken, onbesproken gelaten grieven tijdig aan de
Raad kenbaar heeft gemaakt en gedaagde in de gelegenheid is geweest
gemotiveerd op bedoelde grieven te reageren, staat geen geschreven of
ongeschreven rechtsregel eraan in de weg dat alsnog een inhoudelijke
beoordeling van die grieven plaats vindt.
Met betrekking tot de passendheid in medisch opzicht van de
geselecteerde functies overweegt de Raad het volgende. Bij 6 van de 8
voorgehouden functies kan de vraag rijzen of de belastbaarheid van
appellant wordt overschreden, nu bij de 'verwoording functiebelasting'
van die functies bij een aantal aspecten een markering is aangegeven in
de vorm van een asterisk.
Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde, gelet op de in hoger beroep
overgelegde arbeidskundige rapportage van 23 januari 1997, gelezen in
samenhang met het zogeheten Formulier Functie Informatie Systeem vg/ad
van 28 juli en van 25 augustus 1994, voldoende inzichtelijk gemaakt
waarom de aan appellant voorgehouden functies ondanks de aanwezigheid
van de gemarkeerde belastende factoren toch als geschikt voor appellant
kunnen worden aangemerkt.
De namens appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie
werpt -voor zover zij al betrekking heeft op de in geding zijnde datum
21 januari 1995- geen ander licht op de vastgestelde beperkingen en op
het aangenomen geschiktheidsoordeel ten aanzien van appellant voor de
aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
Voorts kan de Raad zich ook stellen achter de zienswijze van gedaagde,
als nader toegelicht in het arbeidskundig rapport van 23 januari 1997,
dat appellant gelet op zijn arbeidsverleden, ervaring en vaardigheden
geacht kan worden voldoende te zijn gekwalificeerd voor de aan de
schatting ten grondslag gelegde functies. Het is de Raad niet gebleken
dat er specifieke functie- en opleidingseisen worden gesteld waaraan
appellant niet zou kunnen voldoen.
De Raad tekent hierbij nog aan dat de bij de functies slijper en
puntlasser gestelde opleidingseisen niet moeten worden opgevat als
strikte diploma-eisen doch veeleer gezien moeten worden als niveaueisen.
Tenslotte faalt naar het oordeel van de Raad ook de grief dat gedaagde
ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 12, tweede lid,
aanhef en onder a (oud) van de AAW, welke bepaling met ingang van 1
januari 1987 is komen te vervallen, maar op grond van artikel 52, eerste
en derde lid van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid in
beginsel op appellant van toepassing is gebleven. Gezien de toelichting
in het verweerschrift en hetgeen ter zitting namens gedaagdes
gemachtigde dienaangaande naar voren is gebracht, is de Raad met
gedaagde van oordeel dat in het onderhavige geval, waarin met name niet
is gebleken van een voldoende actieve opstelling van appellant om
functies als voorgehouden te verwerven, niet kan worden uitgegaan van
een door de handicap van appellant veroorzaakte verminderde gelegenheid
tot het verkrijgen van passende arbeid als bedoeld in evenvermelde
bepaling.
Uit het vorenoverwogene volgt dat besluit I in rechte stand kan houden.
Ten aanzien van besluit II
Blijkens de ad informandum toegevoegde gedingstukken heeft gedaagde
reeds eerder en wel bij besluit van 21 juni 1991 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 juli 1991
ingetrokken. Dit besluit berustte op het oordeel dat appellant ingaande
genoemde datum geschikt werd bevonden tot het verrichten van zijn sedert
12 maart 1990 verrichte werk als zaagspecialist.
Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door de
Arrondissementsrechtbank te Groningen bij uitspraak van 19 oktober 1992
ongegrond verklaard.
De Raad heeft die uitspraak en gedaagdes besluit d.d. 21 juni 1991 bij uitspraak van 1 maart 1994 vernietigd
(registratienummer WAO 1992/190). De Raad heeft daarbij onder meer
overwogen dat - op basis van de op dat moment beschikbare gegevens -
appellants laatstelijk, slechts gedurende zes weken, verrichte arbeid
als zaagspecialist van meet af aan ongeschikt voor hem is geweest en
derhalve als maatman dient te gelden de gewezen zelfstandige die is
aangewezen op passende arbeid in loondienst.
Appellant stelt zich in het onderhavige geding op het standpunt dat
gedaagde niet zonder meer de conclusie van de Raad in de hierboven
genoemde beroepsprocedure dat appellants werk als zaagspecialist van
meet af aan ongeschikt voor hem was, had mogen volgen. Er had een nader
arbeidskundig onderzoek moeten plaatsvinden naar de inhoud van dat werk.
Appellant stelt zich op het standpunt dat hij bij aanvang van de
werkzaamheden nog wel in staat was tot het verrichten van het werk als
zaagspecialist en de ongeschiktheid voor dit werk pas zes weken later als gevolg van een val in een kelder is ingetreden.
Met betrekking tot het voorafgaande wordt overwogen dat de overweging in
's Raads eerdergenoemde uitspraak betreffende de van meet af aan
bestaande ongeschiktheid voor het laatstelijk verrichte werk van
zaagspecialist, mede de vernietiging van het toen in geding zijnde
besluit droeg. Nu de bewuste overweging van de Raad van belang was voor
het dictum van die uitspraak, is gedaagde bij het geven van het thans in
geding zijnde besluit, wederom betreffende appellants aanspraken
ingevolge de WAO, terecht uitgegaan van hetgeen de Raad met betrekking
tot die kwestie heeft beslist. De Raad tekent daarbij aan dat er ten
tijde van het nemen van het thans in geding zijnde besluit geen sprake
was van nader gebleken feiten of omstandigheden die noopten tot een
andersluidend antwoord op de vraag of appellant van meet af aan ongeschikt was voor
het werk van zaagspecialist. Overigens heeft ook appellant in hoger
beroep geen melding gemaakt van zodanige feiten of omstandigheden.
Nu appellant op de datum in geding geschikt moet worden geacht tot het
vervullen van de aldus als maatgevende arbeid aan te merken functies in
loondienst als door de arbeidsdeskundige aan hem voorgehouden, heeft
gedaagde terecht besloten tot intrekking van appellants uitkering met
ingang van 1 juli 1991.
In verband met het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat het hoger
beroep niet kan slagen en komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden
besluit kan worden gedragen door artikel 18, tweede lid, van de WAO.
Ten aanzien van beide besluiten
Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr.
J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16
oktober 1998.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|