|
Uitspraak
96/5607
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe
Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen van een door de rechtbank te Roermond onder dagtekening 3
mei 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Appellant heeft bij brief van 9 oktober 1996 kennis gegeven van een
nader standpunt.
Namens gedaagde heeft mr. M.W. Kok, advocaat te Tegelen, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 mei 1998, waar
appellant (met bericht) niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. Kok voornoemd.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 16 december 1994 heeft appellant de
uitkeringen van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met
ingang van 28 februari 1995 ingetrokken, onder overweging dat de mate
van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25
respectievelijk 15% was.
Dit besluit berust op het standpunt dat gedaagde op 28 februari 1995, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen
ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming
van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de
voor hem geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde
van die functies met het voor gedaagde geldende maatmaninkomen levert
volgens appellant geen verlies aan verdiencapaciteit op.
Evenbedoelde functies zijn die van hulplederbewerker, operator
lasmachine en portier.
Het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak vernietigd op
twee gronden. In de eerste plaats op de grond dat de uit het FIS
geselecteerde functie van portier niet aan de schatting ten grondslag
gelegd had mogen worden aangezien deze slechts twee arbeidsplaatsen
vertegenwoordigt en derhalve moet worden beschouwd als een functie die
niet of nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigt. In de tweede plaats
op de grond dat de functies van portier en operator lasmachine
uitsluitend in wisselende diensten vervuld kunnen worden en dat in de
loonwaarde van deze functies toeslagen voor afwijkende arbeidstijden
verwerkt zijn. De rechtbank heeft overwogen dat uit de tekst en de
toelichting van het Schattingsbesluit blijkt dat bij het bepalen van de
resterende verdiencapaciteit van een verzekerde, die voor het intreden
van de arbeidsongeschiktheid werkzaam was op normale arbeidstijden,
uitsluitend dan functies met afwijkende arbeidstijden mogen worden
betrokken, wanneer geen functies met normale arbeidstijden geselecteerd
kunnen worden, doch dat daarvan in het voorliggende geval geen sprake
is. De arbeidsdeskundige heeft immers één functie geselecteerd die in
het normale arbeidspatroon van dagdienst wordt vervuld. Gedaagdes
resterende verdiencapaciteit is volgens de rechtbank dan ook niet
uitsluitend in arbeid met afwijkende arbeidstijden aan te wenden.
Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of voor gedaagde, die voor
het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid uitsluitend werkzaam was in
een normaal arbeidspatroon - en in wiens inkomen derhalve geen toeslag verwerkt was voor werk op onregelmatige
tijden - functies geselecteerd
mochten worden met een loonwaarde waarin een toeslag voor afwijkende
arbeidstijden is verdisconteerd.
De Raad, zich beperkend tot deze vraag, overweegt als volgt.
Artikel 2, aanhef en onder a van het Schattingsbesluit schrijft - voor
zover hier van belang - dwingendrechtelijk voor, dat bij het bepalen van
de arbeidsongeschiktheid van een verzekerde, die algemeen geaccepteerde
arbeid in aanmerking wordt genomen, waarmee de betrokkene het meest kan
verdienen. Onderdeel f voegt daaraan toe dat bij de toepassing van
onderdeel a functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden buiten
beschouwing blijven, tenzij deze toeslagen wel zijn meegenomen bij de
vaststelling van het maatmaninkomen. Onderdeel g bepaalt dat onderdeel f
buiten toepassing blijft, indien uitsluitend arbeid kan worden verricht
in afwijkende arbeidstijden.
Aan de artikelsgewijze toelichting op de onderdelen f en g wordt het
volgende ontleend omtrent de bedoelingen van de regelgever.
"Veel functies die in een normaal arbeidspatroon verricht worden,
kunnen en worden ook verricht in een afwijkend arbeidspatroon.
Bijvoorbeeld de functie van medisch analist kan overdag maar ook 's nachts worden verricht. De loonwaarde van de functie met een
afwijkend arbeidspatroon ligt hoger omdat bij deze functies gewerkt
wordt met een toeslag. Omdat de eisen van beide functies wat betreft
krachten en bekwaamheden niet verschillen zou, omdat in principe altijd
uitgegaan moet worden van de functies met de hoogste loonwaarde, de
functie met de toeslag altijd als eerste geselecteerd worden. In het
geval betrokkene geen arbeidsverleden heeft met een dergelijk
arbeidspatroon en derhalve het inkomen van zijn vergelijkbare gezonde
werknemer (zijn maatmaninkomen) geen toeslagen kent, is dit naar mijn
oordeel geen reële situatie. In deze situatie moet naar mijn oordeel
niet op voorhand geselecteerd worden op dergelijke functies met toeslag.
Deze voorwaarde is neergelegd in onderdeel f. Echter, dit mag niet
blokkerend werken. In het geval betrokkene nog resterende
verdiencapaciteit heeft en deze uitsluitend aangewend kan worden in
arbeid in afwijkende arbeidstijden mag en moet deze functie bij de
schatting worden betrokken. Ook in het geval dat het arbeidsverleden van
betrokkene geen afwijkende arbeidspatronen te zien geeft. Deze
voorwaarde is neergelegd in onderdeel g."
Appellant heeft aangevoerd dat het niet de bedoeling van de wet- en
regelgever kan zijn geweest om in een geval als het onderhavige, waarin
niet drie dagdienstfuncties kunnen worden geselecteerd, uit te sluiten
dat in aanvulling op wel geselecteerde dagdienstfuncties, functies in
wisseldienst kunnen worden geselecteerd. Appellant heeft er in dit
verband op gewezen dat de tekst van de onderdelen f en g van artikel 2
van het Schattingsbesluit in het licht van de bedoeling van de Wet
Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet van 7 juli 1993, Stb.
1993, 412; Wet TBA) te stringent is geformuleerd en dat
een letterlijke interpretatie van deze artikelonderdelen tot een
onbevredigende uitkomst leidt, die niet in overeenstemming is met het
doel dat de wetgever met de Wet TBA voor ogen heeft gestaan, te weten
terugdringing van het arbeidsongeschiktheidsvolume door middel van
(re)integratie van verzekerden op de arbeidsmarkt. Appellant is van
mening dat geen inbreuk wordt gemaakt op het
"rechtsbeschermende" karakter van artikel 2 onderdelen f en g
van het Schattingsbesluit, indien bij de vaststelling van de resterende
verdiencapaciteit van een verzekerde als uitgangspunt wordt gehanteerd,
dat zoveel mogelijk functies met normale arbeidstijden worden
geselecteerd, met dien verstande dat een of meer functies met afwijkende
arbeidstijden slechts mogen worden voorgehouden, wanneer (andere)
dagdienstfuncties niet voldoen aan het criterium dat zij voldoende
arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.
Dit betoog slaagt niet.
De Raad is van oordeel dat uit de op zichzelf genomen duidelijke tekst
van artikel 2, onderdelen f en g van het Schattingsbesluit volgt, dat in
geval de verzekerde vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid
geen arbeid met afwijkende arbeidstijden verrichtte, bij het bepalen van
de resterende verdiencapaciteit geen functies met toeslagen voor
afwijkende arbeidstijden mogen worden voorgehouden, wanneer één of
meer, maar een niet toereikend aantal functies met normale arbeidstijden
geselecteerd kunnen worden. Functies met toeslagen voor afwijkende
arbeidstijden mogen, in geval van zulk een maatman, uitsluitend worden
voorgehouden wanneer geen - aan de voor het overige aan de voorwaarden
van het Schattingsbesluit beantwoordende - functies zijn te selecteren.
De Raad is met appellant van oordeel dat deze letterlijke interpretatie
van evenbedoelde onderdelen van artikel 2 van het Schattingsbesluit in
het licht van de (re)integratiedoelstelling van de TBA-wetgever tot een
merkwaardig resultaat leidt, doordat het met de uitvoering van de AAW en
de WAO belaste bestuursorgaan wel functies met afwijkende toeslagen mag
duiden wanneer er geen functies met normale arbeidstijden geselecteerd
kunnen worden, maar niet wanneer het FIS bij de belastbaarheid van een
verzekerde passende dagdienstfuncties bevat, doch minder dan het in de
artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit voorgeschreven minimum
aantal.
De Raad wijst er echter op dat de duidelijke tekst van artikel 2,
onderdelen f en g van het Schattingsbesluit geen steun biedt voor de
door appellant bepleite, van die tekst afwijkende, ten nadele van de
verzekerde strekkende, interpretatie van bedoelde artikelonderdelen, en
dat de - niet ondubbelzinnige - tekst van de nota van toelichting, die in
hoofdzaak steun geeft aan een letterlijke interpretatie van deze
artikelonderdelen, in deze geen doorslaggevende rol kan spelen.
De Raad is van oordeel dat het de rechtsvormende taak van de rechter te
buiten zou gaan, wanneer hij niettegenstaande de duidelijke tekst van
het Schattingsbesluit - en de niet ondubbelzinnige nota van toelichting
daarop - het
Schattingsbesluit ten nadele van een verzekerde zou interpreteren naar
de - voor de interpretatie van het Schattingsbesluit niet tot een
specifiek resultaat dwingende - bedoeling van de TBA-wetgever.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen
uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-
voor verleende rechtsbijstand. Andere op grond van dat artikel te
vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet
gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 630,- dient te worden geheven.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van
gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,-, te betalen aan
de griffier van de Raad;
Verstaat dat van appellant een recht van f 630,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr.
R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid
van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juni
1998.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B.C. Rog.
|
|