|
Uitspraak
96/8745
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen van een door de rechtbank te Rotterdam onder dagtekening
9 augustus 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. P.E. Vos, advocaat te Rotterdam, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 september 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. W.H.C. van Eck, werkzaam bij Gak Nederland B.V., terwijl gedaagde
niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 10 november 1994 heeft appellant de
uitkeringen van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke
laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80 tot 100%, met ingang van 1 januari 1995 ingetrokken, onder overweging
dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum
minder dan 15% was.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit besluit vernietigd.
Zij heeft zich hierbij laten leiden door de rapporten van de door haar
geraadpleegde psychiater W.A.F. Sondermeijer van 20 november 1995, 22
januari 1996, 11 maart 1996 en 17 april 1996. Deze deskundige is tot het
oordeel gekomen dat gedaagde slechts voor 20 uren per week belastbaar
is.
De rechtbank heeft het volgende overwogen.
"De rechtbank merkt hierbij op dat zij - mede gelet op de uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep van 6 maart 1996, gepubliceerd in RSV
1996/118- geen reden ziet om het bij eiseres geconstateerde
hyperventilatiesyndroom niet aan te merken als ziekte of gebrek. Het
feit dat de ernst van de hyperventilatieklachten, en dus ook de mate
waarin deze klachten tot beperkingen leiden, mede wordt bepaald door de
karakterstructuur van eiseres maakt dit niet anders. Immers, op zichzelf
genomen is iemands karakterstructuur geen ziekte of gebrek, maar wel kan
zij een factor vormen, die bijdraagt tot het ontstaan van een als ziekte
of gebrek te kwalificeren toestand. De rechtbank verwijst in dit verband
naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 augustus 1983, gepubliceerd in RSV 1983/234."
In hoger beroep heeft appellant het volgende naar voren gebracht.
"Als arbeidsongeschikt in het kader van de WAO en AAW wordt volgens
de wetsbepalingen aangemerkt degene die als rechtstreeks en objectief
vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk
niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen de vergelijkbare
gezonde persoon verdient. Bij het vaststellen van (de mate van)
arbeidsongeschiktheid is het dus van belang vast te stellen of de geuite
klachten gezien moeten worden als uitingen van ziekte of gebrek in
engere zin. Ondergetekende begrijpt uw jurisprudentie aldus, dat
afwijkende persoonlijkheidsvormen op zichzelf niet gezien kunnen worden
als ziekte of gebrek. Ook met betrekking tot hyperventilatieklachten
geldt dat deze klachten niet zijn aan te merken als een op zichzelf
staande ziekte-entiteit. Steun voor deze opvatting vindt ondergetekende
in de uitspraken van uw Raad gepubliceerd in RSV 1983/234 en RSV
1996/118. In eerstgenoemde uitspraak oordeelde uw Raad dat iemands
karakterstructuur een factor kan vormen die bijdraagt tot het ontstaan
van een als ziekte of gebrek te kwalificeren toestand. Het is deze
uiteindelijke toestand die bepaalt of van ziekte of gebrek gesproken kan
worden. In het betreffende geval was dit aan de orde omdat sprake was
van surmenage als gevolg van stress. Met betrekking tot hyperventilatieklachten oordeelde uw Raad in
laatstgenoemde uitspraak dat deze klachten niet op zichzelf moeten
worden beschouwd. De klachten zijn aan te merken als een somatisch reactiepatroon dat voorkomt bij stoornissen die wel als ziekte of gebrek
zijn aan te merken (bijvoorbeeld een angstneurose, posttraumatische
stress en angststoornissen). In bedoelde uitspraak van uw Raad waren de
hyperventilatieklachten terug te voeren op een als ziekte of gebrek aan
te merken stoornis, te weten een angstsyndroom.
In het licht van deze jurisprudentie vermag ondergetekende niet in te
zien dat de combinatie van hyperventilatieklachten en een
persoonlijkheidsstoornis maakt dat gesproken moet worden van ziekte of
gebrek. De karakterstructuur van mevr. A.leidt op zichzelf niet tot
arbeidsongeschiktheid. Haar hyperventilatieklachten zijn terug te voeren
op haar persoonlijkheid en niet op een ziekte of gebrek aan te merken
stoornis. Naar de mening van ondergetekende is derhalve geen sprake van
een rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte of
gebrek. Van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en WAO kan dus
niet gesproken worden. De conclusie die de Rechtbank uit uw
jurisprudentie lijkt te trekken, wordt door ondergetekende dan ook niet
gedeeld. Voor zover de rechtbank bedoelt dat ook bij mevr. A. sprake zou
zijn van de situatie waarbij de hyperventilatieklachten zouden zijn
terug te voeren op een angststoornis, hetgeen overigens niet in de
uitspraak is overwogen, wenst ondergetekende het volgende op te merken.
In de rapportage van de deskundige zijn naar de mening van
ondergetekende onvoldoende aanwijzingen te vinden om een dergelijk
angstsyndroom aan te nemen. Ondergetekende baseert zich voor dit
standpunt op bijgevoegde rapportage van stafverzekeringsarts Nelemans d.d.
29 augustus 1996. Naast genoemde argumenten is ondergetekende bovendien
van mening dat kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij de mate waarin
het arbeidsvermogen van gedaagde door de deskundige en de Rechtbank
beperkt is geacht. Zo heeft gedaagde ondanks haar klachten aanvankelijk
wel fulltime kunnen werken maar wordt zij hiertoe -met dezelfde
klachten- op de omstreden datum niet meer in staat geacht. Dat gedaagde
met haar klachten niet fulltime maar wel parttime zou kunnen werken,
hetgeen impliceert dat de klachten slechts optreden bij een
overschrijding van deze tijdsduur, acht ondergetekende niet aannemelijk.
Dat de urenbeperking gerechtvaardigd zou worden door een verhoogd
'afbreukrisico' is naar de mening van ondergetekende bovendien moeilijk
te rijmen met het wel aanwezig geachte arbeidsvermogen van halve
dagen."
Deze grieven treffen naar het oordeel van de Raad geen doel.
De deskundige Sondermeijer vermeldt in zijn rapportages diverse klachten
van gedaagde. Het moge zo zijn dat elk van deze klachten op zich niet
als ziekte of gebrek valt aan te merken, maar dit sluit niet uit dat uit
de combinatie van deze verschijnselen moet worden afgeleid dat sprake is
van beperkingen op grond van ziekte of gebrek. De Raad stelt vast dat de
deskundige Sondermeijer gedaagde op grond van de combinatie van haar
karakterneurose, haar forse, onbehandelbare hyperventilatie en de
daardoor steeds toenemende gevoelens van woede, machteloosheid en angst
op grond van ziekte of gebrek beperkt acht. De deskundige spreekt in dit
verband van een paniekstoornis.
De Raad ziet geen aanleiding dit oordeel van de deskundige voor onjuist
te houden.
De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad dan ook terecht
geoordeeld dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De
aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,-
voor verleende rechtsbijstand. Andere op grond van dat artikel te
vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet
gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 630,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 710,-;
Verstaat dat van appellant een recht van f 630,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 1998.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B.C. Rog.
|
|