|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/3756 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 4 februari 1998 heeft gedaagde de aan appellant
toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die
laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
45 tot 55%, met ingang van 1 januari 1997 herzien naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij besluit van 11 februari 1998 heeft gedaagde de over de periode van 1
januari 1997 tot en met 31 januari 1998 onverschuldigd betaalde
uitkering tot een bedrag van f 4.634,53 van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 13 oktober 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde de bezwaren van appellant tegen voormelde besluiten ongegrond
verklaard.
Bij uitspraak van 28 juni 2000 heeft de rechtbank Roermond het door
appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op door zijn
gemachtigde mr. J.T.R. Lucassen, advocaat te Blerick, aangevoerde
gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 12 november 2001 heeft de gemachtigde van appellant een
aantal nadere stukken in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 november
2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn
gemachtigde. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.C.F.
Bollen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst ten einde
gedaagde in de gelegenheid te stellen zich nader te beraden.
Bij brief van 18 januari 2002 heeft gedaagde de Raad bericht dat de mate
van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 1997 ongewijzigd
dient te worden vastgesteld op 45 tot 55%, aangezien sociaal loon bij de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing
dient te blijven en er verder geen enkele wijziging in de werkzaamheden
van appellant heeft plaatsgevonden.
Bij brief van 1 februari 2002 heeft de gemachtigde van appellant de Raad
bericht dat hij, gelet op het gewijzigde standpunt van gedaagde, zijn
vordering - te weten de vernietiging van de besluiten van 4 en 11
februari 1998 - handhaaft en dat appellant aanspraak maakt op vergoeding
van wettelijke rente en belastingschade alsmede vergoeding van
proceskosten.
Bij brief van 15 april 2002 heeft gedaagde bericht dat zijn gewijzigde
standpunt uiteraard consequenties heeft voor de terugvordering; hetgeen
appellant op die terugvordering heeft betaald, zal worden gerestitueerd.
Over die restitutie en de eventueel nog na te betalen uitkering zal
gedaagde, conform de daarvoor in de jurisprudentie van de Raad gevormde
regels, de wettelijke rente vergoeden. Indien er door het nabetalen, en
ná toepassing van de uitsmeerregeling in de belastingsfeer,
belastingschade zou zijn, dan zal gedaagde die schade eveneens
vergoeden.
Partijen hebben schriftelijk ingestemd met afdoening zonder verdere
zitting.
De meervoudige kamer heeft de zaak ter afdoening verwezen naar de
enkelvoudige kamer.
II. MOTIVERING
Nu gedaagde nader van mening is dat appellant per 1 januari 1997
ongewijzigd aanspraak heeft op een uitkering, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, en dat de terugvordering
teruggedraaid dient te worden, ligt het bestreden besluit voor
vernietiging gereed. In verband hiermee zal de Raad de aangevallen
uitspraak vernietigen, het inleidend beroep alsnog gegrond verklaren en
het bestreden besluit vernietigen. De Raad acht voorts termen aanwezig
om voorts, zelf in de zaak voorziende, de besluiten van 4 en 11 februari
1998 te vernietigen.
De door appellant gevorderde wettelijke rente komt, conform 's Raads
vaste jurisprudentie, met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vergoeding in aanmerking.
Aangezien nog niet bekend is of appellant belastingschade zal lijden, en
zo ja, tot welk bedrag zal de Raad ter voorbereiding van een nadere
uitspraak daarover het onderzoek met toepassing van artikel 8:73, tweede
lid, van de Awb heropenen. Aan gedaagde wordt bij dezen opgedragen om,
op basis van door appellant aan te leveren gegevens, een standpunt in te
nemen omtrent (de hoogte van) de belastingschade en dit standpunt aan de
Raad kenbaar te maken.
De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door
appellant gemaakte proceskosten, welke kosten met toepassing van het
Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 644,- ter
zake van in beroep verleende rechtsbijstand en op € 644,- ter zake van
in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede € 37,59 aan
reiskosten voor het bijwonen van de zitting, derhalve in totaal €
1.325,59.
Het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen dient ten slotte het
door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten
bedrage van € 27,23 (f 60,-) respectievelijk € 77,14 (f 170,-),
derhalve in totaal € 104,37, aan hem te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Vernietigt de besluiten van 4 en 11 februari 1998;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot
vergoeding van renteschade als hierboven vermeld;
Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een
nadere uitspraak over de vergoeding van belastingschade;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van proceskosten tot een bedrag van
€ 1.325,59, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door
appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 104,37 aan hem
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter in tegenwoordigheid van
mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 mei
2002.
(get.) J. Janssen.
(get.) P.E. Broekman.
|
|