|
Uitspraak
99/1675
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 28 augustus 1997 heeft gedaagde, in reactie op
appellants aanvraag van 14 maart 1997, geweigerd appellant met ingang
van 29 december 1993 in aanmerking te brengen voor een uitkering
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij
besluit van 31 maart 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank Breda heeft het door appellant tegen laatstvermeld besluit
ingestelde beroep bij uitspraak van 3 maart 1999 ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. P.A.M.M. Dingemans, advocaat te Ulvenhout, van
deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij hoger beroepschrift van 31
maart 1999 aangegeven gronden.
Gedaagde heeft op 26 augustus 1999 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 8 januari
2002, waar namens appellant is verschenen mr. P.A.M.M. Dingemans
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
M.H.A.H. Smithuijsen, werkzaam bij Uwv Bouwnijverheid.
II. MOTIVERING
Allereerst stelt de Raad vast dat appellants aanvraag van 14 maart 1997,
mede gelet op de door appellant op 29 april 1997 op deze aanvraag
gegeven toelichting, erop was gericht om met ingang 29 december 1993 in
aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Nu gedaagde bij het besluit in
primo van 28 augustus 1997 enkel een beslissing heeft genomen over
appellants aanspraak op een uitkering ingevolge de AAW, is dit besluit
naar het oordeel van de Raad geen adequate reactie op de desbetreffende
aanvraag. Gedaagde heeft dit verzuim bij het bestreden besluit op
bezwaar van 31 maart 1998 evenwel hersteld door hierbij alsnog (mede)
een besluit te nemen over appellants aanspraak op een uitkering
ingevolge de WAO.
De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak alleen expliciet
uitgelaten over het besluit van 31 maart 1998 voorzover het een
beslissing inhoudt over appellants aanspraak op een uitkering ingevolge
de AAW. De Raad vat dit in het licht van het vorenstaande op als een
kennelijke misslag en zal hieraan geen verdere gevolgen verbinden.
Ten gronde overweegt de Raad het volgende.
Appellant heeft bij zijn hiervoor genoemde toelichting op zijn aanvraag
om een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangegeven dat hij op 29 december
1993 en op 20 oktober 1995 een delict heeft begaan en dat hij ter zake
van beide delicten strafrechtelijk is veroordeeld. Hierbij heeft hij
erop gewezen dat voor het tweede delict naast een gevangenisstraf tevens
TBS is opgelegd. Appellant acht zich gelet hierop arbeidsongeschikt
vanwege beperkingen op psychisch vlak.
Verzekeringsarts E. den Boon heeft appellant onderzocht en hierover op
24 juni 1997 gerapporteerd. De psychiater I.C. van den Burgh, werkzaam
bij de Districtspsychiatrische Dienst te 's Hertogenbosch, heeft bij
brief van 15 juli 1997 desverzocht informatie verstrekt aan voornoemde
verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft vervolgens in zijn rapport
van 25 juli 1997 de conclusie getrokken dat bij appellant geen ziekte of
gebrek kan worden vastgesteld en dat appellant geschikt is te achten
voor zijn laatstelijk verrichte functie van schilder. Hierop is het
besluit van 28 augustus 1997 genomen. In de bezwaarfase heeft
bezwaarverzekeringsarts H.J. Smeele na eigen onderzoek van appellant en
kennisname van de in het dossier aanwezige medische stukken op 13
januari 1998 gerapporteerd. Deze bezwaarverzekeringsarts is tot de
conclusie gekomen dat het er op lijkt dat er bij appellant een stoornis
in de impulscontrole is onder invloed van cocaïnegebruik en dat geen
periode van 52 weken van onafgebroken arbeidsongeschiktheid valt aan te
wijzen. Appellants bezwaren tegen het besluit van 28 augustus 1997 zijn
door gedaagde bij het bestreden besluit van 31 maart 1998 ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het besluit van 31 maart 1998 in stand gelaten. Zij
heeft hierbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het op haar
verzoek door de psychiater A.R. Hertroijs op 25 oktober 1998
uitgebrachte rapport. Deze deskundige is tot de conclusie gekomen dat er
bij appellant op en na 29 december 1993 niet is gebleken van andere
psychiatrische stoornissen of gebreken dan de impulsdoorbraken die tot
de door appellant begane delicten hebben geleid, en dat appellant op en
na 29 december 1993 in staat was zijn eigen functie van schilder uit te
oefenen.
Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij, gelet op de
oplegging van TBS, op medische gronden buiten staat was reguliere arbeid
te verrichten en dat de conclusie van het rapport van de deskundige A.R.
Hertroijs derhalve niet juist kan worden geacht.
De Raad overweegt hierover als volgt.
De psychiater I.C. van den Burgh heeft in haar bovengenoemde brief van
15 juli 1997 aangegeven dat zij appellant in februari en maart 1994
alsmede februari 1995 heeft onderzocht in het kader van justitieel
onderzoek. Deze psychiater heeft toen bij appellant een enigszins
gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling kunnen constateren, waarbij zij
aantekent dat van een persoonlijkheidsstoornis in engere zin niet mag
worden gesproken. De door de rechtbank benoemde deskundige A.R.
Hertroijs is na eigen onderzoek van appellant en kennisname van de door
I.C. van den Burgh verstrekte informatie tot de bovenomschreven
conclusie gekomen.
De Raad is op basis van deze medische gegevens van oordeel dat niet is
komen vast te staan dat bij appellant ten tijde in dit geding van belang
sprake was van uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen ten
aanzien van het verrichten van arbeid. Hierbij merkt de Raad in lijn met
zijn eerdere jurisprudentie - zie onder meer de uitspraak van 23
november 1990, gepubliceerd in RSV 1991/177 - nog op dat uit de enkele
omstandigheid dat in het kader van een strafrechtelijke veroordeling TBS
is opgelegd niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P.
van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19
februari 2002.
(get.) Ch. Van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.
|
|