|
Uitspraak
96/10451
AAW en 96/11148 AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, (hierna: het Lisv),
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene).
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder
het Lisv tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 21 januari 1994 (besluit 1) heeft het Lisv de uitkering
van betrokkene op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW),
welke laatstelijk berekend werd naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 55 tot 65%, met ingang van 1 januari 1987 herzien en nader
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij besluit van 2 augustus 1995 (besluit 2) heeft het Lisv genoemde
uitkering met ingang van 1 januari 1987 nader herzien en vastgesteld
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van
17 oktober 1996 het beroep van betrokkene tegen besluit 1 gegrond
verklaard, dit besluit vernietigd en het Lisv veroordeeld tot betaling
van wettelijke rente aan betrokkene als in die uitspraak aangegeven. Het
beroep van betrokkene tegen besluit 2 heeft de rechtbank bij deze
uitspraak ongegrond verklaard.
Het Lisv heeft tegen deze uitspraak, voorzover hij daarbij is
veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, op bij aanvullend
beroepschrift van 6 februari 1997 (met bijlage) aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft op 23 februari 1997 een verweerschrift ingediend,
waarop door het Lisv bij schrijven van 30 september 1997 is gereageerd.
Bij brief van 1 december 1997 heeft het Lisv nog stukken toegezonden.
Betrokkene heeft tegen genoemde uitspraak van de rechtbank, voorzover
daarbij zijn beroep tegen besluit 2 ongegrond is verklaard, op bij
aanvullend beroepschrift van 8 maart 1997 aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld.
Het Lisv heeft terzake bij brief van 7 februari 1997 van verweer
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 januari
2001, waar het Lisv zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.L.C. de
Jonge, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.,
en waar betrokkene in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
Betrokkene was werkzaam als zelfstandig aannemer in de bouw.
Nadat hij wegens cementeczeem (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was
geworden, is hem met ingang van 29 oktober 1979 een uitkering op grond
van de AAW toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 55 tot 65%.
Met ingang van 1 februari 1988 is de uitbetaling van deze uitkering
geschorst omdat betrokkene de jaarstukken over 1986 niet had
toegezonden.
Blijkens zijn rapport van 9 maart 1989 heeft de arbeidsdeskundige F.
Bennenbroek een berekening gemaakt van het aantal uren dat betrokkene
achtereenvolgens in de jaren 1984 tot en met 1987 heeft gewerkt. Daartoe
heeft hij allereerst het totale aantal per afzonderlijk jaar door
betrokkene in rekening gebrachte werkuren bepaald door de omzet van
betrokkene te verminderen met de materiaalkosten en het resultaat
hiervan te delen door een (aan de klanten in rekening gebracht) uurloon
van f 42,-. Het aldus verkregen aantal uren heeft hij vervolgens
verminderd met het aantal werkuren van derden (personeel), welk aantal
werkuren hij heeft vastgesteld door de betaalde loonkosten op jaarbasis
te delen door het door betrokkene aan zijn personeel uitbetaalde uurloon
van (ongeveer) f 18,75 (inclusief vakantietoeslag).
Op het hieruit resulterende, door betrokkene gewerkte aantal uren heeft
de arbeidsdeskundige ten slotte nog een vermenigvuldigingsfactor van
1.3 toegepast wegens door betrokkene bovendien verrichte administratieve
en beheerstaken. De conclusie van de arbeidsdeskundige was dat
betrokkene in 1984 42 uren, in 1985 59 uren, in 1986 49 uren en in 1987
38 uren per week heeft gewerkt, derhalve gemiddeld 47 uren per week in
deze jaren. Dit laatste getal heeft de arbeidsdeskundige afgezet tegen
het vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid gewerkte aantal
uren per week van 55, hetgeen leidde tot een mate van
arbeidsongeschiktheid van 15%. Spiegeling hiervan aan de
bedrijfsresultaten in de onderscheidene jaren gaf de arbeidsdeskundige
geen reden om tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid te
concluderen.
Gelet op dit rapport van de arbeidsdeskundige heeft het Lisv bij besluit
van 13 juli 1989 de uitkering van betrokkene op grond van de AAW met
ingang van 2 januari 1984 ingetrokken.
Op de in het kader van het door betrokkene tegen dit besluit ingestelde
beroep door de rechtbank op 8 juni 1993 gehouden zitting heeft het Lisv
het standpunt ingenomen dat de intrekking van de uitkering van
betrokkene niet per 2 januari 1984 doch eerst per 1 januari 1987 had
behoren te geschieden.
De rechtbank heeft vervolgens in verband met dit gewijzigde standpunt
van het Lisv bij uitspraak van 1 juli 1993 het besluit van 13 juli 1989
vernietigd. Ten overvloede heeft de rechtbank onder meer nog overwogen
dat betrokkene per 1 januari 1987 medisch in staat moet worden geacht de
feitelijk uitgevoerde werkzaamheden in zijn bedrijf te verrichten
alsmede dat een intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht per
1 januari 1987 op zichzelf niet in strijd met het
zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn.
De arbeidsdeskundige W.T. Dekkers heeft de zaak op 29 september 1993
opnieuw bezien en heeft, bij vergelijking van een in 1987 gewerkt aantal
uren van 38 per week met de maatmanuren van 55 per week, geconcludeerd
tot een mate van arbeidsongeschiktheid van ongeveer 31%. Toetsing van
het maatmaninkomen aan de bedrijfsresultaten van 1987 leidde tot een
mate van arbeidsongeschiktheid van slechts 14%. De arbeidsdeskundige zag
derhalve geen belemmering om betrokkene per 1 januari 1987 in te delen
in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
In overeenstemming hiermede is besluit 1 genomen.
Betrokkene heeft tegen besluit 1 beroep ingesteld bij de rechtbank en
hangende dit beroep ten aanzien van eerdergenoemd arbeidskundig rapport
van 9 maart 1989, onder overlegging van een factuur, aangevoerd dat hij
in 1987 een aantal machines heeft verkocht voor een bedrag van f 5.500,-
(exclusief BTW) en dat dit bedrag moet worden afgetrokken van de omzet
om het totale aantal in 1987 in zijn bedrijf gewerkte uren op juiste
wijze te kunnen berekenen. Indien dit alsnog wordt gedaan, blijkt van
een door betrokkene in 1987 gewerkt aantal uren van 35 per week, hetgeen
leidt tot een arbeidsongeschiktheid van 36,5%.
De arbeidsdeskundige J. Ramaekers heeft in een rapport van 12 juli 1995
vorenbedoelde zienswijze van betrokkene overgenomen en het standpunt
ingenomen dat voor betrokkene de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%
van toepassing is. Hoewel de arbeidsdeskundige in zijn rapport aangaf
dat ook door betrokkene nog ter sprake gebrachte loonkosten in mindering
dienden te worden gebracht op de omzet, heeft hij daaraan bij zijn
uiteindelijke conclusie geen aandacht meer besteed.
Het rapport van 12 juli 1995 heeft het Lisv gebracht tot het nemen van
besluit 2 waarbij betrokkene met ingang van 1 januari 1987 is ingedeeld
in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.
Ten aanzien van het hoger beroep van het Lisv
Bij haar uitspraak van 17 oktober 1997 heeft de rechtbank besluit 1
vernietigd omdat het Lisv dit niet langer handhaafde. De rechtbank heeft
het Lisv daarbij veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en
omtrent de wijze waarop deze vergoeding diende te worden berekend,
voorzover hier van belang, het volgende overwogen:
"Waar eiser gedurende de periode van 1 januari 1987 tot 1 februari
1988 nog AAW-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot
65% heeft ontvangen, heeft eiser voor het eerst over februari 1988 recht
op nabetaling als gevolg van het besluit van 2 augustus 1995. De
uitkering over februari 1988 had uiterlijk 29 februari 1988 moeten zijn
uitgekeerd, zodat voor wat betreft de eerste uitkeringstermijn vanaf 1
maart 1988 wettelijke rente is verschuldigd en ten aanzien van de nadien
verschijnende termijnen telkens met ingang van een maand later, tot aan
de dag der voldoening toe. Daarbij dient telkens na afloop van een jaar
het bedrag waarover de wettelijke rente is berekend, te worden
vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente."
Het Lisv heeft in zijn hoger beroep tegen dit onderdeel van de uitspraak
van de rechtbank aangevoerd dat het besluit van 21 januari 1994, gelet
op de jurisprudentie van deze Raad terzake, dient te worden gezien als
een voortzetting van het eerder door de rechtbank vernietigde besluit
van 13 juli 1989. Dit betekent dat in dit geval aangesloten moet worden
bij artikel 1286 van het tot 1 januari 1992 van kracht zijnde Burgerlijk
Wetboek en de wettelijke rente eerst na aanmaning/ingebrekestelling door
betrokkene verschuldigd is. Deze aanmaning heeft pas plaatsgevonden bij
brief van 25 april 1994. In deze brief is het Lisv niet aangemaand tegen
een bepaalde datum zodat van gehoudenheid tot betaling van wettelijke
rente niet eerder kan worden gesproken dan na verloop van een redelijke
termijn van veertien dagen na de aanmaning, derhalve 9 mei 1994.
De Raad stemt in met dit betoog van het Lisv.
Wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente acht de Raad van
belang dat het onrechtmatige besluit van 13 juli 1989 dateert van vóór
de inwerkingtreding van het nieuw Burgerlijk Wetboek op 1 januari 1992.
In de lijn van zijn uitspraak van 28 juni 1996 inzake 94/1337 AAW,
gepubliceerd in RSV 1997/15, is de Raad van oordeel dat in dit geschil
sprake is van een voortzetting van de tekortkoming in de nakoming van
een verbintenis die is voortgevloeid uit bedoelde onrechtmatige
besluitvorming van vóór 1 januari 1992. Gelet op de Overgangswet Nieuw
Burgerlijk Wetboek, acht de Raad het derhalve aangewezen aan te knopen
bij hetgeen in artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek (oud) is
neergelegd. Dit houdt in dat het oude recht van toepassing is, zowel
voor nog verschuldigde uitkeringen waarvan de termijn vóór 1 januari
1992 is vervallen als voor nog verschuldigde uitkeringen waarvan de
termijn na deze datum is vervallen. Toepasselijkheid van het oude recht
impliceert dat de wettelijke rente eerst verschuldigd is na een
schriftelijke aanzegging of dagvaarding en dat geen rente op rente
verschuldigd is. In de brief van 25 april 1994 is het Lisv wel
aangemaand doch niet tegen een bepaalde datum. Van gehoudenheid van het
Lisv tot vergoeding van wettelijke rente kan te dezen mitsdien eerst
gesproken worden na het verstrijken van een redelijke termijn van
veertien dagen na de aanmaning, derhalve vanaf 9 mei 1994, waar het de
op die datum reeds vervallen termijnen betreft, tot aan de dag der
voldoening toe. Ten aanzien van de uitkering over de maand mei 1994 is
het Lisv, gelet op de jurisprudentie van de Raad, wettelijke rente
verschuldigd met ingang van 1 juni 1994 en vervolgens ten aanzien van de
nadien verschenen termijnen telkens met ingang van een maand later, tot
aan de dag der voldoening toe.
In aanmerking genomen dat het Lisv op 1 februari 1994 reeds een
nabetaling aan betrokkene heeft gedaan over de periode van februari 1988
tot en met januari 1994, zulks uitgaande van een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, als in besluit 1 neergelegd,
alsook dat de Raad hierna zal bepalen dat betrokkene met ingang van 1
januari 1987 recht heeft op een uitkering naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, is het Lisv wettelijke rente
verschuldigd over het verschil tussen de uitkeringsbedragen die voor
betrokkene uit deze beide arbeidsongeschiktheidsklassen voortvloeien, en
dit dan tot de voldoening(en). Wat dit laatste betreft kan het Lisv er
uiteraard rekening mee houden dat op 17 augustus 1995 een nabetaling is
gedaan waarbij overeenkomstig besluit 2 is uitgegaan van een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, en dat vervolgens vanaf augustus
1995 naar deze laatste arbeidsongeschiktheidsklasse is uitbetaald.
Voorts is in december 1995 al een gedeelte van de wettelijke rente
betaalbaar gesteld.
Ten aanzien van het hoger beroep van betrokkene
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen besluit 2 ongegrond
verklaard. Naar haar oordeel is het Lisv terecht en op goede gronden tot
het oordeel gekomen dat betrokkene ingaande 1 januari 1987 niet langer
voor 55 tot 65% doch voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt is.
Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat hem na opnieuw alle
stukken te hebben bestudeerd, is gebleken dat ook aan besluit 2 geen
juiste berekening ten grondslag ligt waar het gaat om het door hem in
1987 in zijn bedrijf gewerkte aantal uren per week. Naar hij in dit
verband heeft aangevoerd, staat op de balans een inkoopwaarde van
materialen van f 4.626,- vermeld en had hierbij nog 20% moeten worden
opgeteld om de verkoopwaarde te verkrijgen welke, in het geheel van de
berekening van de omzet moest worden afgetrokken.
Voorts is er, naar betrokkene ook reeds in de procedure bij de rechtbank
had vermeld, een controle gehouden door de belastingdienst waarbij is
gebleken dat er in 1987 ten onrechte een post lonen van f 2.585,- netto
en f 5.434,- bruto niet was opgevoerd. Indien dit laatste bedrag alsnog
in beschouwing wordt genomen, leidt een berekening volgens de door de
arbeidsdeskundigen gehanteerde methode tot een arbeidsongeschiktheid van
ongeveer 53%, aldus betrokkene.
Ter zitting is van de zijde van het Lisv als zijn zienswijze naar voren
gebracht dat voormeld bedrag van f 5.434,- bruto in de berekening van
het aantal door betrokkene in 1987 gewerkte uren had moeten worden
betrokken in die zin dat dit bedrag op de omzet in mindering had moeten
worden gebracht, hetgeen niet is gebeurd. De Raad deelt deze zienswijze.
Evenmin als het Lisv acht de Raad voorts voldoende grond aanwezig voor
het oordeel dat de te dezen zijdens het Lisv gemaakte berekeningen
verder nog correctie behoeven.
Een berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene
waarbij het vorenstaande in aanmerking wordt genomen, leidt tot indeling
van betrokkene in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.
Dit brengt mee dat het hoger beroep van betrokkene in dit geding slaagt
en dat besluit 2 alsmede de uitspraak van de rechtbank, in zoverre dit
besluit daarbij in stand is gelaten, moeten worden vernietigd.
De Raad acht grond aanwezig in dit laatste geding zelf in de zaak te
voorzien.
De Raad acht termen aanwezig om het Lisv op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
betrokkenen in hoger beroep.
Gezien de desbetreffende, gedocumenteerde, opgave van betrokkene worden
deze kosten begroot op f 44,25 aan reiskosten en f 208,74 aan
verletkosten.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op artikel 24 en 25,
eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad ten slotte vast dat het door
betrokkene in hoger beroep betaalde griffierecht door het Lisv dient te
worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover door partijen
aangevochten;
Verklaard het beroep, voorzover het wordt geacht mede te zijn gericht
tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat betrokkene met ingang van 1 januari 1987 wordt ingedeeld in
de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%;
Veroordeelt het Lisv tot betaling van wettelijke rente als hiervoor is
aangegeven;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep
tot een bedrag, groot f 252,99;
Bepaalt dat het Lisv aan betrokkene het betaalde recht van f 150,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr.
J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2001.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|