|
Uitspraak
01/4677
AAW/WAO, 01/5549 WAO en 03/2552 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 9 juni 1998 (besluit 1) heeft gedaagde met ingang van 13
februari 1997 de uitkering van appellant op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke laatstelijk werd berekend naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, ingetrokken en de
uitkering van appellant op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) herzien en nader vastgesteld
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij besluit van 24 juli 1998 (besluit 2) heeft gedaagde appellant
medegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is
vastgesteld op 15 tot 25%.
Bij besluit van 4 augustus 2000 (bestreden besluit I), voorzover hier
van belang, heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen deze beide
besluiten ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 juli 2001 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep
van appellant tegen bestreden besluit I gegrond verklaard en dit besluit
vernietigd voorzover daarbij het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond is
verklaard en bedoeld beroep voor het overige ongegrond verklaard, met
bijkomende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en
griffierecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van
5 november 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 18 oktober 2001 heeft gedaagde een besluit van diezelfde
datum (bestreden besluit II) toegezonden waarbij hij, naar aanleiding
van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslissende op het bezwaar
tegen besluit 2, de uitkeringen van appellant op grond van de AAW en de
WAO met ingang van 16 juli 1998 heeft herzien en nader vastgesteld naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Gedaagde heeft vervolgens een verweerschrift (met bijlage) ingediend,
gedateerd 28 november 2001.
In verband met een vanwege de Raad gestelde vraag heeft gedaagde bij
brief van 27 februari 2003 een besluit van diezelfde datum (besluit III)
toegezonden waarbij hij, wederom beslissende op het bezwaar tegen
besluit 2, meergenoemde uitkeringen van appellant ingaande 16 juli 1998
heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij brief van 15 april 2003 (met bijlage) heeft gedaagde desgevraagd nog
informatie verstrekt.
Bij brief van 21 mei 2003 heeft gedaagde desgevraagd een besluit van 1
mei 2003 (bestreden besluit IV) toegezonden waarbij de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van appellant ingaande 15 september
1997 zijn herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij brief van 10 juli 2003 heeft appellant nog een reactie ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 juli
2003, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is op 30 januari 1995 uitgevallen voor zijn werk als
productiemedewerker wegens een beenbreuk ten gevolge van een
bedrijfsongeval. In verband hiermede is hem bij besluit van 16 februari
1996 met ingang van 29 januari 1996 een uitkering op grond van de WAO
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot
25%.
In het kader van de eerstejaars herbeoordeling is appellant op 17
oktober 1996 onderzocht door de verzekeringsarts A.J. Colijn die tot de
conclusie kwam dat het eerder in oktober 1995 ten aanzien van appellant
opgestelde belastbaarheidspatroon nog onverminderd van toepassing was.
Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige J.W. Roosen een
theoretische schatting uitgevoerd die leidde tot het inzicht dat de
arbeidsongeschiktheid van appellant op 18,4% diende te worden gesteld.
Gelet hierop is appellant bij besluit van 2 januari 1997 medegedeeld dat
de mate van zijn arbeidsongeschiktheid onveranderd is vastgesteld op 15
tot 25%.
In rapporten van 8 april 1998 en 18 mei 1998 heeft de arbeidsdeskundige
Roosen, voornoemd, aangegeven dat bij de eerdere berekeningen van de
mate van appellants arbeidsongeschiktheid ten onrechte een
uurloonvergelijking in plaats van een maandloonvergelijking is
toegepast. Bij een berekening volgens deze laatste methodiek dient
appellant per einde wachttijd (29 januari 1996) als 29% en in het kader
van de eerste jaarsherbeoordeling als 24,8% arbeidsongeschikt te worden
beschouwd, aldus de arbeidsdeskundige.
Op grond van deze bevindingen heeft gedaagde appellant bij besluit van 8
juni 1998 ingaande 29 januari 1996 alsnog ingedeeld in de
arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
Voorts heeft gedaagde bij besluit 1 met ingang van 13 februari 1997 de
uitkering van appellant krachtens de AAW ingetrokken en diens uitkering
krachtens de WAO herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Nadat de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van
appellant wegens langdurig verblijf in het buitenland, waarvoor geen
toestemming was verleend, was opgeschort, is appellant op 16 juli 1998
gezien door de verzekeringsarts Colijn, voornoemd. Deze arts kwam tot de
conclusie dat er geen relevante wijzigingen in de gezondheidstoestand
van appellant waren opgetreden en derhalve ook niet in zijn
belastbaarheid.
Op basis hiervan heeft gedaagde besluit 2 genomen waarbij de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd is bepaald op 15 tot
25%.
De bezwaarverzekeringsarts H.J. Schaap heeft zich blijkens zijn rapport
van 28 mei 1999 gesteld achter de bevindingen en conclusies van de
verzekeringsarts Colijn welke aan de besluiten 1 en 2 ten grondslag
liggen.
Op verzoek van de rechtbank heeft gedaagde met het oog op besluit 2
onderzocht of de bij de eerstejaars herbeoordeling voor appellant
geselecteerde functies in juli 1998 nog actueel waren. Gedaagde heeft de
rechtbank hieromtrent op 14 februari 2001 bericht dat van de
desbetreffende functies alleen die van loempiavouwer op 1 juli 1998 niet
meer in het Functie Informatie Systeem (FIS) voorkwam. Dientengevolge
verschoof de mediane loonwaarde en diende de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant te worden gesteld op 26,2%.
De rechtbank heeft geen grond gezien om de medische beoordeling vanwege
gedaagde ten aanzien van de beide bij bestreden besluit I gehandhaafde
besluiten 1 en 2 voor onjuist te houden.
Waar het gaat om de handhaving van besluit 1 heeft de rechtbank het
beroep van appellant ook overigens ongegrond geacht. Voorzover bij
bestreden besluit I besluit 2 is gehandhaafd, was de rechtbank evenwel
van oordeel dat dit besluit geen stand kon houden, nu uit de door
gedaagde op 14 februari 2001 verstrekte informatie was gebleken dat de
mate van de arbeidsongeschiktheid van appellant in juli 1998 op
arbeidskundige gronden was toegenomen naar 25 tot 35%. De rechtbank
heeft bestreden besluit I dan ook voor dit deel vernietigd.
Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft gedaagde
bestreden besluit II genomen waarbij appellant met ingang van 16 juli
1998 is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
Bij besluit III heeft gedaagde zich nader op het standpunt gesteld dat
per 16 juli 1998 niet voldoende functies voor appellant konden worden
geselecteerd. De belastingen die zijn vastgesteld voor drie van de
eerder in aanmerking genomen functies overschrijden de belastbaarheid
van appellant terwijl voor één functie een ervaringseis geldt waaraan
appellant niet voldoet. Gedaagde heeft appellant bij even genoemd
besluit derhalve ingaande 16 juli 1998 alsnog ingedeeld in de
arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.
Naar aanleiding van vervolgens vanwege de Raad bij brief van 20 maart
2003 aan gedaagde voorgelegde vragen, heeft deze bij brief van 15 april
2003 bericht dat de functies monteur koffiezetters en monteuse/assembleerster
die aan de eerstejaars herbeoordeling per 13 februari 1997 ten grondslag
liggen, niet geschikt zijn voor appellant wegens overschrijding van
diens belastbaarheid op aspect 6 (knielen, kruipen, hurken). Aangezien
aldus slechts twee functies resteren, kan de schatting per 13 februari 1997 niet gehandhaafd worden en dient appellant ook te dezen
als 80 tot 100% arbeidsongeschikt te worden beschouwd. Met betrekking
tot de vraag met ingang van welke datum appellant in deze klasse dient
te worden ingedeeld, heeft gedaagde als zijn mening gegeven dat die
datum op 52 weken na 16 september 1996 moet worden gesteld. Daartoe is
opgemerkt dat voormelde functie van monteur koffiezetters op 16 september 1996 in het FIS is geactualiseerd. Voordien was op de
verwoording functiebelasting van deze functie vermeld dat knielen,
kruipen en hurken niet was vereist doch per deze datum is de verwoording
functiebelasting in die zin gewijzigd dat knielen, kruipen en hurken tot
een half uur per werkdag vijf minuten aaneengesloten voorkomt. Hierdoor
werd de functie ongeschikt voor appellant.
Bij brief van 21 mei 2003 heeft gedaagde in dit verband nader opgemerkt
dat in geval van toegenomen arbeidsongeschiktheid op uitsluitend
arbeidskundige gronden, zoals hier aan de orde is, als datum van het
einde van de wachttijd wordt aangehouden de datum waarop het gesprek met
de arbeidsdeskundige plaatsvond, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat
de wachttijd eerder dan wel later eindigt. In het onderhavige geval doet
zich naar de mening van gedaagde een concrete aanwijzing als hier
bedoeld voor. Onder verwijzing naar zijn brief van 15 april 2003 heeft
gedaagde aangevoerd dat de wijziging van de functiebelasting per 16
september 1996 een concrete aanwijzing vormt dat de wachttijd van 52
weken op deze datum is aangevangen. Daarenboven heeft gedaagde erop
gewezen dat het gesprek met de arbeidsdeskundige met appellant op 26
november 1996 heeft plaatsgevonden; op deze datum was nog geen periode
van 52 weken verstreken na 29 januari 1996, zijnde de ingangsdatum van de aan appellant toegekende
uitkeringen krachtens de AAW en de WAO. Ook dit levert naar de mening
van gedaagde een concrete aanwijzing op in de hiervoor bedoelde zin.
In overeenstemming met het vorenstaande heeft gedaagde op 1 mei 2003
bestreden besluit IV genomen, waarbij de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van appellant ingaande 15 september
1997 zijn herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De Raad overweegt dat het hoger beroep op grond van artikel 6:19, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 6:24, eerste
lid, van die wet geacht wordt mede te zijn gericht tegen de bestreden
besluiten II en IV, welke in de plaats zijn gesteld van bestreden
besluit I. Dit zelfde geldt niet voor besluit III nu bij dit besluit
geheel aan de bezwaren van appellant ter zake van de
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per juli 1998 is tegemoetgekomen.
Het vorenstaande brengt mee dat appellant geen belang meer heeft bij een
beoordeling en vernietiging van de aangevallen uitspraak zodat het hoger
beroep in zoverre voor niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking komt.
Aangezien besluit III in de plaats is gekomen van bestreden besluit II
heeft appellant ook geen belang meer bij vernietiging van dit laatste
besluit zodat het beroep, voorzover dit geacht moet worden tegen dit
besluit te zijn gericht, eveneens niet-ontvankelijk dient te worden
verklaard.
Ten aanzien van bestreden besluit IV, waarbij appellants
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen alsnog met ingang van 15 september
1997 zijn herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 80 tot 100%, is voor appellant nog wel sprake van belang bij
vernietiging, te weten waar het gaat om die ingangsdatum.
Gelet op de in artikel 29a van de AAW en artikel 39a van de WAO vermelde
wachttijd van vier weken, dient de Raad in dit verband ook het medisch
aspect van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in beschouwing te
nemen.
Wat voormeld medisch aspect betreft, is de Raad van oordeel dat de
beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten opleveren voor de
opvatting dat gedaagde zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld
dat in het kader van de eerstejaars herbeoordeling niet kon worden
gesproken van een verslechtering van de gezondheidstoestand van
appellant en derhalve evenmin van toegenomen arbeidsbeperkingen.
Appellant heeft van zijn kant ook geen van bevoegde medische zijde
afkomstige stukken aangedragen die tot een ander oordeel zouden kunnen
leiden. Dit brengt mee dat een wachttijd van vier weken in casu niet aan
de orde is.
De Raad overweegt vervolgens dat hij in zijn uitspraak van 28 november
2000, gepubliceerd in USZ 2001/25, als zijn oordeel heeft gegeven dat
een als vast beleid toepassen van artikel 26, tweede lid, van de AAW en
artikel 36, tweede lid, van de WAO op een wijze die ertoe leidt dat de
datum van een gesprek met een functionaris van een uitvoeringsinstelling
- als datum van het einde van de wachttijd - beslissend is voor de
bepaling van de datum waarop een herziening van de uitkering plaatsvindt
in een geval waarin de medische belastbaarheid van de betrokkene niet is
gewijzigd en de arbeidsongeschiktheid binnen het herbeoordelingsjaar
uitsluitend op arbeidskundige gronden is toegenomen, niet onaanvaardbaar
is.
Toepassing van dit beleid zou in het onderhavige geval evenwel, zoals
gedaagde terecht heeft aangegeven, als consequentie hebben dat de
wachttijd aanvangt in een periode waarin de (eerste) wachttijd na de
ziekmelding op 30 januari 1995 nog liep. Nu het hier gaat om een toename
van arbeidsongeschiktheid op louter arbeidskundige gronden, is dit een
consequentie die zich niet verdraagt met inhoud en strekking van de AAW
en de WAO. In het onderhavige geval, waarin het - anders dan in
voormelde uitspraak van 28 november 2000 - gaat om een wachttijd van 52 weken, kan voor de
vaststelling van de datum van aanvang van de wachttijd bijgevolg niet
worden aangeknoopt bij de datum waarop het gesprek met de
arbeidsdeskundige heeft plaatsgevonden. De Raad acht het alleszins
aanvaardbaar om in het onderhavige geval de wachttijd te laten aanvangen
op de datum waarop de wijziging van de functiebelasting in het FIS is
ingevoerd.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep voorzover dat geacht wordt te
zijn gericht tegen bestreden besluit IV ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Deze kosten zijn begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht
tegen bestreden besluit II niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht
tegen bestreden besluit IV ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 77,14 (f 170,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr.
A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3
oktober 2003.
(get.) J.Th. Wolleswinkel.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|