|
Uitspraak
00/2689
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te Marokko, appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 17 april 1998 heeft gedaagde:
- gelet op artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de
aanvraag van appellant om uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) niet in behandeling genomen;
- op grond van de artikelen 16 van de AAW en 25 van de WAO de eventuele
rechten van appellant op een AAW/WAO-uitkering geheel of ten dele,
tijdelijk of blijvend buiten aanmerking gelaten;
- op grond van de artikelen 41, tweede lid, van de AAW en 50, tweede
lid, van de WAO de AAW/WAO-uitkering met ingang van 13 maart 1991
opgeschort.
Bij brief van 14 mei 1998 heeft mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht,
tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Gedaagde heeft bij besluit van 13 juli 1998 dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft het door de gemachtigde van appellant bij
beroepschrift van 21 augustus 1998 ingestelde beroep tegen het besluit
van 13 juli 1998 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 15
februari 2000, verzonden op 30 maart 2000, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en
bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven, een en ander met beslissingen inzake de proceskosten en het
griffierecht.
De gemachtigde van appellant heeft bij beroepschrift van 10 mei 2000
tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Deze gemachtigde heeft bij
brief van 18 augustus 2000 de gronden van het hoger beroep ingediend.
Gedaagde heeft bij brief van 5 oktober 2000 van verweer gediend en heeft
bij brief van 7 september 2001 vragen van de Raad beantwoord omtrent de
wettelijke grondslag van het bestreden besluit.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 april 2002, waar
appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen M.
Elfferich, werkzaam bij het Uwv.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen en in dit kader aan gedaagde heeft
verzocht de van zijn zijde ter zitting genoemde ongepubliceerde
jurisprudentie met betrekking tot artikel 50, derde lid, van de WAO in
het geding te brengen.
Gedaagde heeft bij brief van 23 mei 2002 op dit verzoek gereageerd.
Na verkregen toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat
onderzoek op een nadere zitting achterwege blijft en heeft hij het
onderzoek gesloten.
II. MOTIVERING
Uit de gedingstukken blijkt dat het bij het bestreden besluit
gehandhaafde primaire besluit van 17 april 1998 voortvloeit uit de
noodzaak om naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Utrecht
van 8 mei 1996, welke tot gevolg had dat gedaagdes rechtsvoorganger
uiteindelijk heeft besloten aan appellant ook over de periode van 20
februari 1991 tot en met 12 maart 1991 ziekengeld ingevolge de Ziektewet
toe te kennen, de aanspraak van appellant op uitkeringen ingevolge de
AAW en de WAO in aansluiting op deze periode te beoordelen.
De voor de oordeelsvorming van de Raad verder van belang zijnde feiten
en omstandigheden zijn uitvoerig en in essentie met juistheid
weergegeven in de aangevallen uitspraak. Het komt er kort samengevat op
neer dat appellant, die zich vanaf 20 juni 1990 vanuit Marokko - wederom - had ziek gemeld voor zijn werk
als productiemedewerker en die in het kader van de beoordeling van zijn
recht op een AAW/WAO-uitkering na afloop van de wachttijd van 52 weken
in 1996 is beoordeeld door een arts van de CNSS te Marokko, na
aanvankelijk bij brief van gedaagdes rechtsvoorganger van 9 januari 1997
te zijn geïnformeerd over een oproep om voor een geneeskundig onderzoek
in Nederland te verschijnen, uiteindelijk na voorafgaande berichten van
verhindering niet is verschenen op - op initiatief van gedaagde - aan
hem verzonden uitnodigingen vanwege de Nederlandse Ambassade te Marokko
onderscheidenlijk de CNSS om voor een medisch onderzoek op 3 juli 1997
respectievelijk 31 maart 1998 te Casablanca te verschijnen. Naar
aanleiding van een en ander heeft gedaagde bij het bestreden besluit het
in rubriek I van deze uitspraak weergegeven primaire besluit van 17
april 1998 gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde het volgende overwogen:
"- op basis van de op dit moment in ons bezit zijnde medische
stukken niet is vast te stellen wat uw beperkingen zijn ten aanzien van
het verrichten van arbeid,
- het voor ons gelet op de door de CNSS overgelegde zogenaamde MN 214
duidelijk is dat u reisvaardig bent, en in staat moet worden geacht voor
medisch onderzoek naar Nederland af te reizen,
- dat er voor u, gelet op beschikbare gegevens, geen enkele aanleiding
was niet te verschijnen op oproepen van de CNSS voor 3 juli 1997 en 31
maart 1998,
- het, op basis van de op dit moment in ons bezit zijnde medische
gegevens en het derhalve niet kunnen vaststellen van de voor u geldende
beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, het voor ons
onmogelijk is de voor u geldende mate van arbeidsongeschiktheid in het
kader van de WAO en de AAW te bepalen."
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat gedaagde
door het bestreden besluit te baseren op de artikelen 16 van de AAW en
25 van de WAO, zoals deze artikelen tot 1 augustus 1996 luidden, een
onjuiste wettelijk grondslag heeft gehanteerd, zodat het bestreden
besluit reeds om die reden moet worden vernietigd. Voorts heeft de
rechtbank aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde
lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
te laten. Verder oordeelde de rechtbank dat uit het systeem van de AAW
en de WAO, zoals deze wetten ten tijde hier van belang luidden,
voortvloeit dat gedaagde, indien de belanghebbende weigert mee te werken
aan een noodzakelijk geacht medisch onderzoek waardoor eventueel bij hem
bestaande arbeidsongeschiktheid niet kan worden vastgesteld, de
uitkering kan weigeren. Hierbij tekende de rechtbank, gelet op onder
andere de uitspraak van de Raad van 10 december 1997 (RSV 1998/111) nog
aan dat deze maatregel ook kan worden ingeroepen ter zake van mogelijke
aanspraken per einde wachttijd zonder dat eerst
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn toegekend. Vervolgens
concludeerde de rechtbank dat gedaagde, nu appellant meerdere keren
heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen, de bij appellant bestaande
mate van arbeidsongeschiktheid niet heeft kunnen vaststellen en dat
gedaagde dan ook niet heeft kunnen bepalen of appellant recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
In hoger beroep heeft appellant onder andere aangevoerd dat er geen
sprake is van een weigering om op medische onderzoeken te verschijnen,
maar van mededelingen zijnerzijds dat hij niet in staat was te
verschijnen en dat de rechtbank niet heeft bezien of appellant terecht
deze mededelingen heeft gedaan.
Met betrekking tot de reisvaardigheid van appellant heeft gedaagde in
hoger beroep nogmaals gewezen op het bevestigende oordeel van de CNSS
ter zake in het rapport van 30 oktober 1996.
De Raad overweegt in de eerste plaats aan de gedingstukken geen
aanknopingspunten te kunnen ontlenen om het in het bestreden besluit
neergelegde oordeel dat er voor appellant geen enkele aanleiding was
niet te verschijnen op oproepen voor onderzoek door de CNSS op 3 juli
1997 en 31 maart 1998, onjuist te achten.
De Raad overweegt voorts als volgt.
Gelet op de brief van gedaagde van 7 september 2001, waarin hij
desgevraagd stelt dat het bestreden besluit zich primair had dienen te
richten op handhaving van de opschorting van een eventueel toe te kennen
uitkering per einde wachttijd op de grondslag van artikel 50, derde lid,
van de WAO, alsmede op het verhandelde ter zitting omtrent de grondslag
van het bestreden besluit en de brief van gedaagde van 23 mei 2002,
houdt de Raad het, een en ander in hun onderling verband bezien, ervoor
dat gedaagde aan het bestreden besluit in elk geval niet meer artikel
4:5 van de Awb alsmede de artikelen 16 van de AAW en 25 van de WAO ten grondslag gelegen acht. Voorts stelt
de Raad vast dat de opschorting van de AAW/WAO-uitkering met ingang van 13 maart 1991 niet kan berusten op de daarin vermelde artikelen 41,
tweede lid, van de AAW en 50, tweede lid, van de WAO maar op het derde
lid van die artikelen. Het tweede lid van deze artikelen ziet immers op
verstrekking van voorschotten.
Voor zover het bestreden besluit, gelet op de brief van gedaagde van 23
mei 2002 nog moet worden geacht te berusten op de artikelen 41, derde
lid, van de AAW en 50, derde lid, van de WAO, wijst de Raad er op dat
deze artikelen, gelet op zijn uitspraak van 28 juli 1976 (RSV 1976/314),
slechts grondslag kunnen bieden voor opschorting van een uitkering,
indien daaraan een beslissing tot toekenning is voorafgegaan. Het
bestreden besluit komt dan ook in zoverre - en derhalve in aanvulling op
de door de rechtbank gegeven grond - eveneens voor vernietiging in
aanmerking.
In zijn brief van 23 mei 2002 heeft gedaagde als mogelijke grondslag van
het bestreden besluit aangegeven dat de daarin vervatte weigering berust
op het beleid dat analoog aan het bepaalde in artikel 50, derde lid, van
de WAO niet tot verstrekking van voorschotten wordt overgegaan indien
aannemelijk is dat niet tot toekenning van uitkering zal worden
overgegaan. Gedaagde verwees hiervoor naar de uitspraak van de Raad van
29 april 1998 (USZ 1998/168). Dienaangaande overweegt de Raad dat die
uitspraak betrekking heeft op destijds gevoerd beleid dat mede inhield
dat niet tot de verstrekking van voorschotten werd overgegaan indien op
grond van de beschikbare gegevens aannemelijk kon worden geacht dat niet
tot toekenning van uitkering zou worden overgegaan. Daargelaten de vraag
of het in die uitspraak beoordeelde geval inhoudelijk op één lijn valt
te stellen met het thans voorliggende geding, stelt de Raad vast dat dit
beleid in dit geding reeds hierom niet analoog van toepassing kan worden
geacht omdat artikel 50, derde lid, van de WAO ziet op de opschorting
van een reeds verstrekte uitkering. De Raad wijst in dit verband ook op
zijn hiervoorgenoemde uitspraak van 28 juli 1976.
Wat betreft de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden
besluit overweegt de Raad dat zulks, anders dan de rechtbank met haar
verwijzing naar de eveneens hiervoor genoemde uitspraak van de Raad
van 10 december 1997 kennelijk van oordeel is, niet kan worden gegrond
op het inroepen van enigerlei maatregel als bedoeld in de artikelen 16
van de AAW en 25 van de WAO, zoals deze luidden na 1 augustus 1996. Dit
onderdeel van de aangevallen uitspraak kan derhalve geen stand houden.
Met betrekking tot appellants aanspraak op uitkeringen ingevolge de AAW
en de WAO zal gedaagde een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Met
het oog hierop overweegt de Raad ten overvloede dat de thans in het
dossier aanwezige gegevens, waaronder informatie van de appellant in
Marokko behandelend artsen, zoals deze in december 1996 door de
verzekeringsarts is beoordeeld, vooralsnog onvoldoende aanleiding geven
tot het aannemen van arbeidsongeschiktheid van appellant. De Raad merkt
daarbij voorts nog op dat in het bijzondere geval als hier aan de orde,
waarin betrokkene iedere medewerking aan een door gedaagde noodzakelijk
geacht nader medisch onderzoek in Nederland of Marokko weigert en niet
is gebleken dat hem terzake van die weigering geen verwijt kan worden
gemaakt, niet onaanvaardbaar is te achten dat gedaagde een beslissing
neemt omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de
beschikbare medische en andere gegevens over betrokkene.
Gelet op het vorenstaande ziet de Raad aanleiding gedaagde te
veroordelen tot vergoeding aan appellant van de in hoger beroep gemaakte
proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 322,= voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat
de rechtsgevolgen van het bij die uitspraak vernietigde bestreden
besluit in stand blijven;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, met dien verstande
dat tevens wordt bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt
met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 77,14 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10
oktober 2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|