|
Uitspraak
02/3815
AAW (Rectificatie)
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringswetten (Uwv) in de plaats van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in
dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid.
Bij besluit van 29 januari 1999 heeft gedaagde aan appellant wettelijke
rente toegekend vanaf 1 november 1996 over de hoofdsommen van het
nabetaalde ziekengeld, de werkloosheidsuitkering, en de tot en met
oktober 1996 verschenen maandelijkse termijnen uitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) tot de dag van
algehele voldoening, ten bedrage van fl. 18.317,42.
Het daartegen gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 30
augustus 1999 gegrond verklaard waarbij is beslist dat de ingangsdatum
van de wettelijke rente wordt bepaald op 3 april 1995 en dat de hoogte
van de schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt
vastgesteld op het bedrag van fl. 49.849,64.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 7 juni 2002 reg.nr. AWB
99/10243 WET het beroep tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te
‘s-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van
die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 augustus 2004, waar
appellant zoals aangekondigd niet is verschenen. Namens gedaagde is
verschenen mr. M. Scholten, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Aan de orde is de vraag of de uitspraak van de rechtbank waarbij het
bestreden besluit in stand is gelaten voor bevestiging in aanmerking
komt.
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
In verband met de werkzaamheden van appellant als meewerkend directeur
bij [naam B.V.] heeft gedaagde aan deze onderneming meegedeeld de
beslissingen van 12 december 1989 en van 2 mei 1990 inhoudende dat
appellant sedert 18 juli 1988 niet verzekerd is ingevolge de Ziektewet,
de Ziekenfondswet, de Werkloosheidswet en de WAO. Per 4 januari 1990
zijn de aandelen van de dochter van appellant overgedragen aan de heer
[naam grootaandeelhouder] die met ingang van die datum
grootaandeelhouder is geworden van [naam B.V.] Deze aandelenoverdracht
is niet ter kennis gebracht van gedaagde, zo heeft appellant meegedeeld
op de hoorzitting van 30 september 1996.
Appellant heeft op 30 juli 1992 een formulier melding Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ingevuld en ondertekend. Gedaagde heeft
bij besluit van 4 juli 1994 uitkering ingevolge de AAW geweigerd.
Daartegen heeft appellant beroep aangetekend bij brief van 9 augustus
1994. Bij afzonderlijke besluiten van 14 december 1995 heeft gedaagde
hangende het beroep alsnog met ingang van 14 december 1991 uitkering
ingevolge de AAW toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 65-80% en geweigerd om terug te komen van zijn
beslissing van 12 december 1989. Bij besluit op bezwaar van 29 oktober
1996 heeft gedaagde het bezwaar tegen laatstgenoemde beslissing
ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30
december 1996 zijn de besluiten van 4 juli 1994 en van 29 oktober 1996
vernietigd. Ten aanzien van laatstgenoemd besluit heeft de rechtbank
overwogen dat niet juist is het standpunt van gedaagde dat sprake is van
een verzoek om terug te komen op de beslissing van 12 december 1989 nu
deze beslissing niet aan gedaagde was gericht. Tegen deze uitspraak is
geen hoger beroep ingesteld.
Op 16 mei 1997 heeft gedaagde beslist dat voor appellant geen
verzekeringsplicht ingevolge de werknemersverzekeringen kan worden
aangenomen. Bij besluit op bezwaar van 26 augustus 1997 heeft gedaagde
aan appellant meegedeeld dat hij alsnog met ingang van 4 januari 1990
verzekeringsplichtig wordt geacht voor de werknemersverzekering.
Bij besluiten van 5 november 1997 heeft gedaagde aan appellant uitkering
ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend met ingang van 13 december 1990 en
ingaande 12 december 1991, uitkering ingevolge de WAO.
Bij brief van 25 november 1997 heeft appellant verzocht om definitieve
berekening van de bedragen waarop hij sedert 13 december 1990 recht
heeft op grond van de ZW, de WW en de WAO. Tevens heeft appellant in die
brief verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de te late
betalingen.
Dit heeft geleid tot de bestreden besluitvorming zoals weergegeven in
rubriek I van deze uitspraak.
Gedaagde heeft blijkens het bestreden besluit overwogen dat het
aanvullend beroepschrift van 27 december 1994 gericht tegen de
beslissing van 4 juli 1994, dient te worden aangemerkt als een aanvraag
voor een WAO-uitkering. Gedaagde heeft vervolgens, onder aansluiting bij
artikel 8 van het Besluit beslistermijnen socialeverzekeringswetten,
bepaald dat binnen 13 weken na ontvangst van die aanvraag moet zijn
beslist op die aanvraag. Via de rechtbank heeft gedaagde het
beroepschrift ontvangen op 2 januari 1995. Gedaagde heeft zich aldus op
het standpunt gesteld dat het beslisverzuim is ingetreden op 3 april
1995 en dat vanaf die datum wettelijke rente dient te worden vergoed aan
appellant.
De rechtbank heeft het beroep van appellant bij uitspraak van 7 juni
2002 ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat gedaagde aan hem
wettelijke rente verschuldigd is vanaf een eerdere datum dan 3 april
1995. Appellant is van mening dat de discussie over de
verzekeringsplicht voortvloeit uit het onjuiste standpunt van gedaagde
zoals neergelegd in de beslissingen van 12 december 1989 en van 2 mei
1990. Deze hadden - hoewel aan de werkgever gericht - directe gevolgen
voor appellant en waren jegens appellant onrechtmatig. Appellant is van
mening dat de wettelijke rente dient in te gaan per 15 december 1990.
Subsidiair is appellant van mening dat gedaagde binnen 13 weken na 30
juli 1992 een toewijzende WAO-beslissing op de aanvraag had moeten nemen
omdat gedaagde deze aanvraag als een aanvraag om een WAO-uitkering had
dienen aan te merken. In dat geval zou ingaande 1 november 1992 volgens
appellant wettelijke rente verschuldigd zijn. Voorts persisteert
appellant in zijn vordering van fl. 8.000,00 aan schadevergoeding, welk
bedrag ziet op de in de beroepsprocedure gemaakte werkuren van de vorige
gemachtigde.
De Raad overweegt als volgt.
Gelet op artikel 8, tweede lid van het Besluit beslistermijnen socialeverzekeringswetten (Stb. 1993, 779) zoals dat luidde ten tijde in geding
dient, voor zover hier van belang, een beschikking op grond van
hoofdstuk II van de WAO gegeven te worden binnen vier maanden na
ontvangst van de aanvraag. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen,
zie onder meer de uitspraken van 30 augustus 2002 en 13 januari 2004,
gepubliceerd in USZ 2002/309 en JB 2004/128, is in een situatie als de
onderhavige - waarin niet tijdig op de aanvraag is beslist - wettelijke
rente verschuldigd vanaf de eerste dag na de maand volgende op die
waarin uiterlijk op de aanvraag had moeten worden beslist.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat gedaagde in het
meldingsformulier AAW geen aanvraag om een WAO-uitkering hoefde te
lezen. Dit meldingsformulier kan derhalve geen aanknopingspunt vormen
voor het bepalen van de ingangsdatum voor de verschuldigde wettelijke
rente. Daarbij laat de Raad wegen dat uit de beslissingen van gedaagde
van 12 december 1989 en 2 mei 1990 volgde dat voor appellant per 18 juli 1988 geen verzekeringsplicht bestond voor de
werknemersverzekeringen en dat nu geen mededeling aan gedaagde is gedaan
over de wijziging in het aandelenbezit, dat met ingang van 4 januari
1990 van de dochter van appellant is overgedragen naar [naam
grootaandeelhouder], gedaagde geen aanleiding heeft gehad tot twijfel
aan het al dan niet verzekerd zijn van appellant voor de WAO.
Nu het meldingsformulier AAW in dit geval niet als een aanvraag om een
WAO-uitkering wordt gezien, heeft gedaagde voor het vaststellen van de
ingangsdatum voor de wettelijke rente met het beroepschrift van 27
december 1994 dat aangemerkt kan worden als een aanvraag om uitkering
ingevolge de WAO een juist uitgangspunt gehanteerd.
Hoewel gedaagde anders dan artikel 8, tweede lid van het Besluit
beslistermijnen socialeverzekeringswetten voorschrijft is uitgegaan van
een termijn van 13 weken na ontvangst van de aanvraag, zal de Raad
daaraan geen consequenties verbinden omdat dit in strijd zou komen met
het beginsel dat een belanghebbende door het instellen van een
beroepsprocedure niet in een nadeliger positie mag worden gebracht dan
wanneer hij die procedure niet zou hebben aangespannen (het verbod van
de reformatio in peius).
Ten aanzien van de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente van
15 december 1990 overweegt de Raad dat nog afgezien van de vraag naar de
onrechtmatigheid van de beslissingen van 12 december 1989 en 2 mei 1990
en de overige eisen voor schadevergoeding, niet geoordeeld kan worden
dat met ingang van 15 december 1990 reeds sprake was van
vertragingsschade als gevolg van het in verzuim zijn van gedaagde met de
uitbetaling van de WAO-uitkering dan wel de ZW-uitkering of WW-uitkering.
Niet is gebleken immers dat op die datum daartoe strekkende aanvragen
waarop beslist diende te worden door gedaagde waren ingediend.
Met betrekking tot de vordering van appellant ter hoogte van fl. 8000,00
aan door hem gestelde schade in verband met werkuren van de vorige
gemachtigde in het kader van de beroepsprocedure bij de rechtbank,
overweegt de Raad allereerst dat hij gelet op hetgeen hierboven is
overwogen geen reden ziet om op grond van artikel 8:75 van de Awb een
proceskostenveroordeling uit te spreken. Ten overvloede overweegt de
Raad dat volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de Raad van
26 oktober 1995, JB 1995/312.) gelet op het limitatieve en forfaitaire
karakter van de regeling van de proceskostenveroordeling zoals
neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten
bestuursrecht voor een aanvullende proceskostenveroordeling op grond van
artikel 8:73, eerste lid Awb geen plaats kan zijn.
Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|