|
Uitspraak
99/5995
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, op bij
(aanvullend) beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen
tegen de uitspraak van rechtbank Middelburg van 27 oktober 1999, nr. AWB
98/693, waarnaar hierbij wordt verwezen
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 februari 2003, waar
voor appellant is verschenen mr. Nadaud voornoemd, en waar gedaagde met
voorafgaand bericht niet is verschenen.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen. Partijen zijn bij brief van 20
maart 2003 hiervan in kennis gesteld.
Bij brief van 24 maart 2003 heeft de Raad aan gedaagde verzocht om
inzending van een nader stuk, aan welk verzoek door gedaagde bij brief
van 8 mei 2003 gehoor is gegeven.
Bij brief van 3 juli 2003 heeft de Raad de psychiater B.J. van Eyk
verzocht om van verslag en advies te dienen, aan welk verzoek door Van
Eyk bij rapportage van 26 september 2003, aangevuld bij brief van 4 oktober 2003, is voldaan.
Bij brief van 14 juni 2004 heeft de Raad de internist prof. Dr.
Abraham-Inpijn verzocht om van verslag en advies te dienen, aan welk
verzoek door Abraham-Inpijn bij rapportage van 30 juli 2004 is voldaan.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 november 2004,
waar appellante in persoon is verschenen samen met haar gemachtigde mr.
Nadaud voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen E.W. Huiskamp,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren op 19 oktober 1948, heeft de Duitse nationaliteit en
is woonachtig in Nederland. Appellante is vanaf 1 april 1963 in
Duitsland voor diverse werkzaamheden verzekerd geweest. In de periode
van 10 november 1982 tot en met 10 mei 1983 is zij in Nederland
verzekerd geweest voor, onder meer, arbeidsongeschiktheid. Daarna is
appellante tot 1 augustus 1986 werkzaam geweest als zelfstandig
verkoopster, waarna zij tot en met 31 maart 1990 diverse, niet
verzekerde, werkzaamheden in Duitsland heeft verricht. In de periode van
1 april 1990 tot en met 31 januari 1991 werkte appellante als
zelfstandig verkoopster van bloemen. Appellante is met de laatst
genoemde werkzaamheden gestopt wegens duizeligheidsklachten. In maart
1991 is diabetis vastgesteld. In juli 1992 is appellante in elkaar
gezakt wegens buikklachten. Oorzaak bleek een torsie van een ovarium
cyste links. In augustus 1992 is zij deswege tweemaal geopereerd.
In het kader van een aanvraag om een Duitse ‘Rente’ is appellante op
16 december 1992 gezien door de verzekeringsarts P. Meels. Meels
omschrijft appellante, blijkens een door hem opgemaakt formulier E 213,
als emotioneel labiel. De stemming is gedrukt, appellante denkt
fatalistisch. Als diagnose stelt hij: ovarium carcinoom gemetastaseerd;
endometrium carcinoom; diabetis mellitus. Als datum van het begin van de
huidige arbeidsongeschiktheid geeft hij aan 1 februari 1991.
Bij besluit van 30 april 1993 is de aanvraag door de
Bundesversicherungsanstalt für Angestellte afgewezen. Als motivering
wordt gegeven dat appellante ‘in der Lage (ist) in ihrem bisherigen
Beruf und auf dem algemeinem Arbeitsmarkt vollsichtig tätig zu sein’.
Bij brief van 4 mei 1993 is aan appellante door het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor, het administratiekantoor van de rechtsvoorganger
van gedaagde, medegedeeld dat zij geen aanspraak kan maken op een
Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering, aangezien appellante nooit
op grond van werkzaamheden in Nederland verzekerd is geweest.
Van 1 oktober 1994 tot 1 mei 1995 heeft appellante in loondienst gewerkt
in Duitsland. Zij is in die werkzaamheden uitgevallen wegens klachten
van psychische aard. Aan haar is tot 7 oktober 1996 door het Duitse
orgaan ‘Krankengeld’ betaald.
Appellante is op 14 juni 1996 onderzocht door de verzekeringsarts C.M.
Pijnappel. Blijkens een rapportage van 8 juli 1996 stelt Pijnappel als
diagnose: persoonlijkheidsstoornis; theatraal hyperesthetisch beeld,
depressief getint; status na ovariectomie, DM II en uitgebreide varicose.
Pijnappel acht beperkingen op grond hiervan aanwezig sinds in elk geval
16 december 1992 en acht appellante blijvend beperkt om te werken.
Bij besluit van 23 mei 1997 is appellantes aanvraag om een ‘Rente
wegens Berufsunfähigkeit bzw. Erwerbungsunfähigkeit’ door het Duitse
orgaan afgewezen. Appellante wordt, in haar eigen werk, en op de
algemene arbeidsmarkt, vol inzetbaar geacht.
Bij besluit van 3 juni 1997 heeft gedaagde appellantes aanvraag om een
arbeidsongeschiktheidsuitkering afgewezen. Aangegeven wordt dat uit
medisch onderzoek is gebleken dat sedert 16 december 1992 beperkingen
bestaan ten aanzien van appellantes belastbaarheid. Op 16 december 1992
was appellante evenwel naar nationaal recht niet verzekerd voor
arbeidsongeschiktheid, terwijl zij ook aan EEG-Verordening1408/71 geen
aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan ontlenen.
In de procedure in bezwaar is namens appellante de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag bestreden. Appellante stelt arbeidsongeschikt
te zijn geworden op 1 mei 1995 en niet op 16 december 1992. Nu
appellante voorts over het tijdvak 10 november 1982 tot en met 10 mei 1983 is verzekerd geweest ingevolge de Nederlandse
invaliditeitsverzekeringen en zij ten tijde van het staken van de
werkzaamheden op 1 mei 1995 verzekerd was ingevolge de Duitse
Angestelten Krankenkasse, voldoet zij aan de voorwaarden genoemd in
artikel 45, vierde lid, van Verordening (EEG) 1408/71, zodat aan haar
een (pro rata) arbeidsongeschiktheidsuitkering toekomt.
De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker rapporteerde op 16 april 1998, dat
hoewel aannemelijk is dat de thans geconstateerde psychiatrische
aandoening al vóór 1 mei 1995 en mogelijk al vóór 1 oktober 1994
bestond, dat niet met zekerheid is na te gaan. In dat verband wordt
overwogen dat appellante in 1993 door het Duitse orgaan volledig
arbeidsgeschikt werd geacht en dat zij in de periode 1992 tot 1994 niet
bij de huisarts is geweest. Jonker concludeert dat aan appellante het
voordeel van de twijfel moet worden gegund. Daaropvolgend heeft gedaagde
aan appellante een tweetal conceptbesluiten uitgereikt. Blijkens deze
concepten wordt op basis van 1 mei 1995 als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag aan appellante met ingang van 8 oktober 1996
een pro rata WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, alsmede, met ingang van dezelfde
datum, een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Blijkens een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Jonker van 14
oktober 1998 is, teneinde de gezondheidstoestand van appellante in de
hier aan de orde zijnde periode te beoordelen, contact opgenomen met het
Bundesversicherungsambt für Angestellte te Berlijn. Op basis van, met
name, het gegeven dat appellante in de beroepsprocedure naar aanleiding
van de afwijzing van de aanvraag om een Duitse ‘Rente’ in 1993 als
volledig arbeidsongeschikt werd beschouwd, gevoegd bij het feit dat
appellante ‘krap een half jaar parttime heeft gewerkt en vermoedelijk
maar matig heeft gefunctioneerd’, concludeert Jonker dat sprake is van
doorlopende arbeidsongeschiktheid sedert 1 februari 1991.
Daarop heeft gedaagde het in deze procedure bestreden besluit van 21
oktober 1998 genomen, waarbij het besluit van 3 juni 1997 is
gehandhaafd, met dien verstande dat als eerste arbeidsongeschiktheidsdag
is aangemerkt 1 februari 1991.
In de procedure in eerste aanleg is namens appellante onder meer als
grief verder naar voren gebracht dat de bestreden beslissing in strijd
is met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het
bestreden besluit, gezien de inhoud van de aan appellante toegezonden
conceptbeslissingen, in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank heeft aan de internist prof. P. Pop verzocht van verslag en
advies te dienen. Pop geeft in zijn rapportage aan dat hij appellante
niet zelf heeft onderzocht. Pop heeft geen informatie ingewonnen bij de
behandelende sector. Zijn oordeel rust op de anamnese van appellante met
als leidraad de ‘documenten in het lijvige dossier’. Daarbij merkt
Pop merkt dat de anamnese nogal moeizaam is verlopen. Appellantes
herinnering aan een aantal zaken uit het verleden is niet goed. Pop komt
tot het oordeel dat appellante vanaf februari 1991 doorlopend
arbeidsongeschikt is geweest.
De rechtbank heeft, op basis van het advies van de deskundige, het
beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de Duitse instanties
hebben geconcludeerd dat appellante bij de aanvang van haar
werkzaamheden in 1994 arbeidsgeschikt was. Gedaagde had zich aan de
opvatting van het Duitse orgaan dienen te conformeren. Daarnaast wordt
betoogd dat het rapport van prof. Pop niet zorgvuldig genoeg is
onderbouwd. Tot slot wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen
gevolgen heeft verbonden aan de schending door gedaagde van artikel 7:9
van de Awb.
In verweer is namens gedaagde betoogd dat op grond van het EG-recht er
geen gehoudenheid voor gedaagde bestond om de in Duitsland getrokken
conclusies te volgen. In de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts
Jonker van 14 oktober 1998 worden voldoende argumenten aangedragen om
appellante vanaf 1 februari 1991 doorlopend als volledig
arbeidsongeschikt aan te merken. Het rapport van Pop kan worden gezien
als bevestiging van dit standpunt.
De Raad oordeelt als volgt.
Het bestreden besluit, waarbij aan appellante een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is geweigerd, neemt als uitgangspunt dat
als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt 1 februari
1991. Vanaf die datum is appellante, in de opvatting van gedaagde,
doorlopend arbeidsongeschikt geweest. Op 1 februari 1991 was appellante
evenwel naar nationaal recht niet verzekerd voor arbeidsongeschiktheid,
terwijl zij ook aan EEG-Verordening1408/71 geen aanspraken op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering kon ontlenen. De rechtbank heeft zich,
na het inwinnen van verslag en advies van de internist Pop, aan de
opvatting van gedaagde aangaande de eerste arbeidsongeschiktheidsdag
geconformeerd.
De Raad is evenwel van oordeel dat het onderzoek door de deskundige Pop
niet voldoet aan de aan zo’n onderzoek te stellen
zorgvuldigheidseisen. De Raad wijst er in dat verband onder meer op dat
de bevindingen van Pop in hoofdzaak zijn gebaseerd op de anamnese van
appellante. Daarbij geeft Pop zelf aan dat die anamnese weinig
betrouwbaar is.
De Raad heeft in het vorenstaande aanleiding gevonden verslag en advies
in te winnen van de psychiater Eyk en de internist Abraham-Inpijn.
Volgens Eijk kan niet worden gezegd dat appellante op en na 1 februari
1991, op psychische gronden, niet in staat was loonvormende arbeid te
verrichten. Abraham-Inpijn concludeert dat appellante, met inachtneming
van de door haar beschreven beperkingen, vanaf 1991 - met uitzondering
van een beperkte tijdsspanne vanaf de operatie in augustus 1992 - in
staat was loonvormende arbeid te verrichten. Abraham-Inpijn geeft nog
aan dat er geen grond is om een gynaecoloog te raadplegen, aangezien
zich sinds de operatie in 1992 op dat gebied geen problemen meer hebben
voorgedaan.
De Raad is niet gebleken van gronden om de bevindingen van de door hem
ingeschakelde deskundigen niet te volgen. De rapportages rusten op eigen
onderzoek van appellante, informatie ingewonnen bij de behandelende
sector, de anamnese van appellante en de medische stukken uit het
procesdossier. Gedaagde heeft de bevindingen in de rapportages van de
deskundigen ook niet bestreden.
De Raad concludeert dan ook dat het bestreden besluit op een onjuiste
grondslag rust. Apellante was op de door gedaagde in aanmerking genomen
eerste arbeidsongeschiktheidsdag - 1 februari 1991 - blijkens de door de
Raad ingeschakelde deskundigen zeer wel in staat om loonvormende arbeid
te verrichten. Daarmee ontvalt tevens de grondslag aan de gevolgtrekking
van gedaagde, namelijk dat appellante, voorafgaande aan het intreden van
haar arbeidsongeschiktheid, geen verzekerde arbeid had verricht. De Raad
concludeert dat het bestreden besluit, en de uitspraak van de rechtbank
waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking
komen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de overige grieven van appellante
geen bespreking behoeven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten
worden als volgt begroot. In eerste aanleg € 644,- voor beroepsmatig
verleend rechtsbijstand en € 39,50 voor reiskosten. In hoger beroep
€ 966,- voor verleende rechtsbijstand en € 70,80 voor reiskosten.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
groot € 1720,30, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het gestorte recht van € 102,10 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. H.J. Simon
en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2004.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|