|
Uitspraak
02/1965
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 1 maart 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te
kennen, onder overweging dat hij na afloop van de wettelijke wachttijd
van 52 weken op 31 december 1987, minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 23 november 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 26 februari 2002, reg.nr.
AWB 00/1640 AAW, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Namens appellant is mr. L. Bovenkamp, werkzaam bij Bureau Rechtshulp
Maastricht, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 november 2004, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bovenkamp
voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen F.P.L. Smeets, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest in de periode 29 oktober 1990
tot en met 2 december 1990 als dakdekker. Nadien heeft hij een uitkering
ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) ontvangen.
Hij heeft een op 22 mei 1993 gedateerde aanvraag voor een AAW-uitkering
ingediend bij de toenmalige stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB),
die de administratie voerde voor het bestuur van de toenmalige
Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. Hij heeft daarbij aangegeven
sedert 1990 geheel arbeidsongeschikt te zijn.
De verzekeringsgeneeskundige van de toenmalige Gemeenschappelijke
Medische Dienst (GMD) heeft, na eigen onderzoek en na informatie te
hebben ingewonnen bij de huisarts en de oogarts van appellant,
vastgesteld dat er vanaf 1 januari 1987 beperkingen gelden voor het
verrichten van arbeid en dat er vanaf 1 november 1993 sprake is van
volledige arbeidsongeschiktheid.
Bij besluit van 2 december 1994 heeft het bestuur van de
Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid een voorlopige AAW-uitkering,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
toegekend met ingang van 1 november 1993. Vervolgens is bij besluit van
25 januari 1995 geweigerd om een AAW-uitkering toe te kennen per 31
december 1987, de datum waarop de voor appellant geldende wachttijd
afliep, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25%
bedroeg. Bij hetzelfde besluit is hem met ingang van 1 november 1993
definitief een volledige AAW-uitkering toegekend.
Met ingang van 1 januari 1998 is de AAW-uitkering van appellant omgezet
in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ). In het kader van een herbeoordeling werd het
dossier van appellant in oktober 1998 nogmaals bezien, waarbij is
gebleken dat de voornoemde bedrijfsvereniging op de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag 1 januari 1987 niet bevoegd was om te
beslissen over de aanspraak van appellant op een AAW-uitkering.
Appellant is in de periode voorafgaand aan die datum niet in de bouw
werkzaam geweest maar ontving een Rww-uitkering. Daarom was destijds de
toenmalige Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging bevoegd.
Per 1 maart 1997 zijn de bedrijfsverenigingen opgeheven en zijn alle
beleidsmatige taken overgebracht naar het Lisv dat tot 1 januari 2002
heeft bestaan. Het Lisv had vrijwel alle uitvoerende taken gemandateerd
aan een vijftal uitvoeringsinstellingen, waaronder de SFB
Uitvoeringsinstelling en Gak Nederland BV (GAK). Het SFB heeft bij
besluit van 17 november 1998 namens het bestuur van het Lisv aan
appellant medegedeeld dat de toekenning van de AAW-uitkering destijds
onterecht is geweest en dat de besluiten van 2 december 1994 en 25
januari 1995 worden ingetrokken. Uit zorgvuldigheidsoverwegingen is
besloten om de WAZ-uitkering eerst met ingang van 1 januari 1999 in te
trekken. Vervolgens heeft het SFB het dossier van appellant doorgestuurd
aan het GAK, dat voorheen de administratie voerde van (onder andere) de
Nieuwe Algemene bedrijfsvereniging.
Het GAK heeft het advies van de GMD over de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag overgenomen en heeft namens het Lisv besloten
om aan appellant geen AAW-uitkering toe te kennen omdat hij in het jaar
voorafgaand aan 1 januari 1987 geen inkomen uit arbeid heeft genoten en
derhalve niet aan de in de AAW gestelde inkomenseis voldoet. In de
daarop volgende bezwaarprocedure is evenwel gebleken dat appellant van 1
juni 1984 tot 1 juni 1986 een uitkering ingevolge de Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV) heeft genoten, welke uitkering in het
kader van voormelde inkomenseis gelijk wordt gesteld aan inkomen uit
arbeid. In een beslissing op bezwaar van 2 september 1999 is het bezwaar
van appellant gegrond verklaard en is aan appellant medegedeeld dat
alsnog zal worden vastgesteld of er na afloop van de voor appellant
geldende wachttijd op 31 december 1987 sprake is van een relevant
verlies aan verdienvermogen.
Bij het in rubriek I genoemde besluit van 1 maart 2000 heeft gedaagde
geweigerd om aan appellant per 31 december 1987 een AAW-uitkering toe te
kennen omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bleek
te zijn. Bij het bestreden besluit is het namens appellant gemaakte
bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.
De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn om van
een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag uit te gaan dan 1 januari
1987. De Raad onderschrijft dat oordeel en voegt hieraan toe dat er al
eerder rechtens onaantastbaar is beslist over die datum, namelijk in de
hiervoor genoemde beslissing op bezwaar die het GAK op 2 september 1999 namens het Lisv heeft genomen. Appellant heeft tegen
die beslissing geen beroep ingesteld. Derhalve dient van deze datum te
worden uitgegaan, ook al gaat het zoals van de zijde van gedaagde is
erkend, om een arbitrair vastgestelde datum. De Raad komt derhalve niet
toe aan de beantwoording van de namens appellant opgeworpen vraag of de
eerste arbeidsongeschiktheidsdag, zo die niet op een eerdere datum dan 1
januari 1987 kan worden vastgesteld, dan niet op een latere datum moet
worden bepaald, omdat de datum 1 januari 1987 volgens appellant in elk
geval niet juist is.
Ten aanzien van de grief dat er functies zijn geselecteerd die in 1998
en 1999 in het Functie Informatie Systeem (FIS) voorkwamen terwijl de
schatting betrekking heeft op de datum 31 december 1987, verwijst de
Raad naar zijn uitspraak nr. 95/6897 AAW/WAO, gepubliceerd in RSV 1998/92. In deze uitspraak
heeft de Raad in een situatie waarin sprake is van het selecteren van
functies voor een datum in het verleden waarbij de vroeger gebruikte
zogenoemde Arbeids Complexen Documentatie (ACD) niet meer ter
beschikking staat, overwogen dat er in dat geval functies aan het FIS
ontleend mogen worden.
Namens appellant is aangevoerd dat ten onrechte het in 1987 geldende
maatmanloon is geïndexeerd en vergeleken met het mediane uurloon van de
functies die in 1998 en 1999 in het FIS voorkwamen. Volgens appellant
had moeten worden uitgegaan van het in 1987 geldende maatmanloon en
mediane loon. De Raad overweegt dat het, zoals hiervoor al is vermeld,
ten tijde van het arbeidskundig onderzoek in januari 2000 niet meer
mogelijk was om functies uit de ACD te selecteren en dat daarom gebruik
is gemaakt van het FIS. De arbeidsdeskundige heeft een praktische
oplossing gezocht voor het probleem dat het mediane loon van de functies
uit het FIS te hoog is in relatie tot het maatmanloon uit 1987. Dit is
gebeurd door het maatmanloon te indexeren naar januari 2000. Naar het
oordeel van de Raad is deze oplossing aanvaardbaar, waarbij wordt
opgemerkt dat appellant door deze handelwijze niet is benadeeld.
Namens appellant is voorts aangevoerd dat het merendeel van de
geselecteerde functies niet voor hem geschikt is vanwege zijn
oogklachten. Daarbij is gewezen op een opmerking van de
verzekeringsgeneeskundige M.A.B.J. van Hoof in een rapport van 18 maart
1996 dat appellant alleen grof visueel werk kan doen, hij geen gezichten
op afstand kan herkennen en hij geen werk kan doen waarbij gelezen moet
worden. Naar het oordeel van de Raad heeft deze opmerking echter
betrekking op de situatie in 1996 en niet op die in december 1987. Uit
de gegevens in het dossier blijkt dat het gezichtsvermogen van appellant
in 1996 is verslechterd ten opzichte van de situatie in 1987. De Raad
ziet geen aanleiding om de aan de schatting per 31 december 1987 ten
grondslag gelegde functies niet voor appellant geschikt te achten.
Namens appellant is er voorts op gewezen dat het SFB namens het Lisv
zijn uitkering heeft ingetrokken en dat het GAK vervolgens, eveneens
namens het Lisv, heeft geweigerd aan hem een uitkering toe te kennen.
Appellant is van mening dat hij erop mocht vertrouwen dat, nu de
intrekking van de uitkering alleen was gebaseerd op de onbevoegdheid van
het SFB, het GAK de uitkering ongewijzigd zou voortzetten. Door deze
gang van zaken is volgens appellant gehandeld in strijd met het
vertrouwensbeginsel. Gedaagde heeft in zijn verweerschrift aangevoerd
dat de intrekking van de WAZ-uitkering hier niet aan de orde is, nu het
bestreden besluit uitsluitend betrekking heeft op de beoordeling van de
aanspraken van appellant op een AAW-uitkering per 31 december 1987. Het
bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid heeft destijds
ook geweigerd om aan appellant met ingang van die datum een
AAW-uitkering toe te kennen, zodat van strijd met het
vertrouwensbeginsel geen sprake kan zijn. De Raad onderschrijft die
visie van gedaagde.
Ten overvloede overweegt de Raad dat hij de bezwaren van appellant tegen
de intrekking van de uitkering begrijpelijk acht omdat er twijfel kan
bestaan aan de rechtmatigheid van die intrekking, nu aan die intrekking
uitsluitend de onbevoegdheid van de Bedrijfsvereniging voor de
Bouwnijverheid ten grondslag is gelegd. Ten tijde van die intrekking
waren zowel de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid als de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging opgeheven en in rechte opgevolgd door het
Lisv, waardoor het bevoegdheidsprobleem was opgeheven. Op het moment van
intrekking van de uitkering was het Lisv immers het enige bevoegde
bestuursorgaan. De Raad kan hieraan echter geen consequenties verbinden
omdat het intrekkingsbesluit hier niet in geding is. De Raad wijst erop
dat tegen de beslissing op bezwaar van 17 augustus 1999, waarbij het SFB
namens het Lisv het bezwaar van appellant tegen de intrekking van de
WAZ-uitkering ongegrond heeft verklaard, geen beroep is ingesteld.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|