|
Uitspraak
02/4993
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel
de rechtsvoorganger van het Lisv, te weten in dit geval het bestuur van
de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten.
Namens appellante heeft mr. H.F.A. Bronneberg, advocaat te Geleen, op de
daartoe bij beroepschrift van 24 september 2002 aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gegeven uitspraak van de
rechtbank Maastricht van 21 augustus 2002, nr. AWB 2001/407 AAWAO.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 4 december 2002, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 november
2004. Aldaar is appellante verschenen bij mr. M.M.J.P. Penners,
kantoorgenoot van mr. H.F.A. Bronneberg voornoemd. Gedaagde heeft zich
laten vertegenwoordigen door E.W. Huiskamp, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Van 1 december 1991 tot 1 september 1994 heeft appellante een uitkering
ontvangen op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers.
Vanuit deze uitkeringssituatie is appellante op 1 september 1994 als
assistent begeleidster van zwerfjongeren in dienst getreden bij
Stichting Gemeentelijke Werkgelegenheidsprojecten (banenpool) te
Heerlen. Op 11 juni 1995 heeft appellante zich wegens psychische
klachten ziek gemeld.
Op 3 juni 1996 is appellante gezien door de verzekeringsarts P.J. Rutten
die op basis van zijn bevindingen een belastbaarheidspatroon heeft
opgesteld waarbij is uitgegaan van een aantal medische beperkingen, met
name op het psychische vlak. In zijn rapportage heeft Rutten aangegeven
dat deze beperkingen ook op 1 september 1994 al aanwezig waren. De
arbeidskundige A.F.M. van Belkom heeft vervolgens functies geselecteerd
die appellante ondanks haar door verzekeringsarts Rutten vastgestelde
medische beperkingen moet kunnen vervullen. Daarbij is berekend dat
appellante uitgaande van het inkomen dat zij had als assistent
begeleidster een verlies aan verdiencapaciteit heeft van minder dan 15%.
Bij besluit van 5 september 1996 heeft gedaagde geweigerd aan appellante
een uitkering toe te kennen ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), op de grond dat appellante na afloop
van de wachttijd van 52 weken, op 8 juni 1996, respectievelijk minder
dan 15% en minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak
van 24 oktober 1997, nr. AWB 96/2803 AAWAO, door de rechtbank Maastricht
ongegrond verklaard.
Hiertegen is door appellante hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep
is geregistreerd onder nr. 97/11644 AAW/WAO. Appellante stelde zich
daarbij op het standpunt dat zij op 8 juni 1996 in psychische zin
volstrekt niet in staat was om de door gedaagde voorgehouden functies
uit te oefenen.
Vervolgens is door de Raad aanleiding gezien de psychiater A.M.A. Groot
als deskundige te benoemen. Deze concludeerde in diens rapport van 8
oktober 1999, gelezen in samenhang met zijn toelichting bij dit rapport
van 6 september 2000, dat appellante lijdt aan een posttraumatische
stressstoornis die reeds bestond op 8 juni 1996 en ook al op 1
september 1994. Door deze stoornis was er sprake van een extreem hoog
risico op uitval wegens ziekte of gebreken, hetgeen appellante
ongeschikt maakte om de per einde wachttijd voorgehouden functies te
bekleden.
Hierop heeft gedaagde het besluit van 5 september 1996 niet gehandhaafd
en is het hoger beroep van appellante met het nummer nr. 97/11644
AAW/WAO door de Raad niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 6 oktober 2000 is door gedaagde opnieuw geweigerd aan
appellante in aansluiting op de wachttijd een uitkering toe te kennen
ingevolge de WAO en de AAW. Deze beslissing is primair gebaseerd op de
aan artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO
respectievelijk artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW
ontleende grond dat appellante bij aanvang van de verzekering casu quo
inkomensverwerving reeds algeheel arbeidsongeschikt was. Subsidiair is
de weigering om aan appellante op grond van de WAO een uitkering toe te
kennen bij besluit van 6 oktober 2000 gebaseerd op artikel 18, tweede lid van die wet.
Bij besluit van 19 februari 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 oktober 2000
ongegrond verklaard. De weigering om aan appellante in aansluiting op de
wachttijd op grond van de AAW een uitkering toe te kennen is daarbij
alsnog subsidiair gebaseerd op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder d,
van die wet.
Hiertegen is door appellante bij de rechtbank Maastricht beroep
ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder nr. AWB 2001/407 AAWAO.
Appellante heeft daarbij onder meer aangevoerd dat het standpunt van
gedaagde dat appellante reeds op 1 september 1994 algeheel
arbeidsongeschikt was onvoldoende is gefundeerd.
Door de rechtbank is aanleiding gezien de psychiater A.M.A. Groot
opnieuw als deskundige te benoemen. In diens nadere rapport van 18 maart
2002 concludeerde deze dat appellante op 1 september 1994 nog niet
algeheel arbeidsongeschikt was en dat haar gezondheidstoestand op die
datum zodanig was dat het voor een medicus niet stellig was te
verwachten dat die toestand binnen een half jaar tot ongeschiktheid voor
het verrichten van passende arbeid in algemene zin zou leiden.
In reactie op voormeld rapport van 18 maart 2002 is door gedaagde, onder
verwijzing naar een rapportage van bezwaarverzekeringsarts J. Jonker van
23 april 2002, geponeerd dat op basis van het geheel van de beschikbare
gegevens toch moet worden aangenomen dat appellante op 1 september 1994
algeheel arbeidsongeschikt was, dan wel dat haar gezondheidstoestand op
die datum zodanig was dat stellig was te verwachten dat algehele
arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar in zou treden.
Vervolgens is het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 21 augustus 2002 door de rechtbank Maastricht
ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat - zakelijk weergegeven -
appellante al op 1 september 1994 ongeschikt was voor de functie van
assistent begeleidster van zwerfjongeren, zodat het bestreden besluit in
rechte stand houdt op de primair daartoe aangevoerde gronden.
Appellante heeft zich met het oordeel van de rechtbank niet kunnen
verenigen en heeft in hoger beroep in hoofdzaak haar reeds eerder naar
voren gebrachte standpunt herhaald dat appellante op 1 september 1994
weliswaar al te kampen had met reële psychische klachten maar dat zij
op dat moment niet algeheel arbeidsongeschikt was en dat toen evenmin
stellig te verwachten was dat algehele arbeidsongeschiktheid binnen een
half jaar alsnog in zou treden.
De Raad overweegt als volgt.
Het bestreden besluit is door gedaagde primair gebaseerd op artikel 30,
eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO en artikel 21, eerste lid,
aanhef en onder b, van de AAW. Op grond van deze bepalingen is (en acht)
gedaagde (zich) bevoegd om uit de WAO en AAW voortvloeiende aanspraken
geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten
indien er bij aanvang van de verzekering casu quo inkomensverwerving al
sprake was van algehele arbeidsongeschiktheid.
De door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke psychiater A.M.A.
Groot heeft in diens rapport van 18 maart 2002 geconcludeerd dat
appellante op 1 september 1994, bij aanvang van de verzekering ingevolge
de WAO casu quo bij aanvang van de inkomensverwerving, niet algeheel
arbeidsongeschikt was. Daarbij is Groot er naar het oordeel van de Raad
terecht vanuit gegaan dat het bestaan van algehele arbeidsongeschiktheid
bij aanvang van de verzekering dan wel bij aanvang van de
inkomensverwerving niet uitsluitend kan worden bepaald op basis van de
uitkomst van een onderzoek naar het bij aanvang ongeschikt zijn voor de
arbeid die laatstelijk door betrokkene is verricht.
In ’s Raads constante jurisprudentie ligt besloten dat het oordeel van
een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige
wordt gevolgd, tenzij er sprake is van omstandigheden die aanleiding
geven tot het maken van een uitzondering op deze regel. Naar het oordeel
van de Raad doen zodanige omstandigheden zich in dit geval niet voor. De
Raad merkt in dit verband op dat er geen uit de betrokken periode
daterende objectieve medische stukken zijn overgelegd die
aanknopingspunten bieden om de juistheid van de (uiteindelijk) door
psychiater A.M.A. Groot getrokken conclusies in twijfel te trekken.
Uit het voorgaande volgt dat gedaagde er op onjuiste gronden vanuit is
gegaan dat zij bevoegd is te achten om toepassing te geven aan artikel
30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO en artikel 21, eerste lid,
aanhef en onder b, van de AAW.
Gedaagde heeft de in het besluit van 6 oktober 2000 neergelegde
weigering om aan appellante een uitkering toe te kennen op grond van de
WAO evenwel subsidiair gebaseerd op artikel 18, tweede lid, van die wet,
waarin is bepaald dat iemand die bij aanvang van de verzekering al
gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, slechts aanspraak op uitkering heeft
bij een relevante afname van de op dat moment nog bestaande
verdiencapaciteit.
Dienaangaande is de Raad van oordeel dat het op grond van de in het
dossier aanwezige medische gegevens, waaronder met name het rapport van
verzekeringsarts Rutten van 3 juni 1996 en de rapportages van psychiater Groot van 8 oktober 1999 en
6 september 2000, aannemelijk is dat appellante bij aanvang van de
verzekering ingevolge de WAO al gedeeltelijk arbeidsongeschikt was.
Verder acht de Raad het niet aannemelijk dat de bij aanvang van de
verzekering bestaande verdiencapaciteit na afloop van de wachttijd van
52 weken, op 8 juni 1996, in relevante mate afgenomen was.
Dat gedaagde eerst na voornoemde rapportages van psychiater Groot alsnog
toepassing heeft gegeven aan het (dwingendrechtelijke) artikel 18,
tweede lid, van de WAO acht de Raad niet strijdig met het
rechtszekerheidsbeginsel of de beginselen van een goede procesorde.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep inzake de bij het
bestreden besluit gehandhaafde weigering om aan appellante een uitkering
ingevolge de WAO toe te kennen niet slaagt en dat de aangevallen
uitspraak in zoverre, met verbetering van gronden, voor bevestiging in
aanmerking komt.
De in het besluit van 6 oktober 2000 neergelegde weigering om aan
appellante een uitkering toe te kennen op grond van de AAW is door
gedaagde subsidiair gebaseerd op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder
d, van die wet. Op grond van deze bepaling is (en acht) gedaagde (zich)
bevoegd om uit de AAW voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele,
tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten indien binnen een half
jaar na aanvang van de inkomensverwerving alsnog algehele
arbeidsongeschiktheid is ingetreden en de gezondheidstoestand van
betrokkene bij aanvang van de inkomensverwerving zodanig was dat dit
destijds kennelijk was te verwachten.
Dienaangaande is de Raad van oordeel dat niet aannemelijk geworden is
dat appellante al binnen een half jaar na aanvang van de
inkomensverwerving is uitgevallen voor haar werk als assistent
begeleidster van zwerfjongeren, zodat de bij het bestreden besluit
gehandhaafde beslissing om appellante geen uitkering op grond van de AAW
toe te kennen reeds daarom niet in stand kan worden gelaten.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de Raad de aangevallen
uitspraak en het bestreden besluit gedeeltelijk moet vernietigen.
Gedaagde dient met inachtneming van deze uitspraak een nadere beslissing
op het bezwaarschrift van appellante te nemen. Daarbij moet gedaagde
tevens aandacht besteden aan het verzoek van appellante om
schadevergoeding toe te kennen in de vorm van wettelijke rente over de
na te betalen uitkering.
De Raad acht in verband met hetgeen hiervoor is overwogen termen
aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante,
die zijn begroot op € 1.449,- als kosten van in beroep en in hoger
beroep verleende rechtsbijstand. Verder zijn geen proceskosten gevorderd
en is evenmin gebleken van andere proceskosten die in aanmerking komen
voor ambtshalve toewijzing.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op
het gedeelte van het bestreden besluit dat ziet op het bezwaar van
appellante tegen de beslissing van 6 oktober 2000 om haar geen uitkering toe te kennen op grond van de AAW,
en bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond voor zover dit betrekking
heeft op voormeld gedeelte van het bestreden besluit en vernietigt dat
besluit in zoverre;
Bepaalt dat gedaagde een nader besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en
hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.449,-, te betalen door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de
Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal van € 109,23,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|