|
Uitspraak
02/5076
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 1 maart 2001 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld
van een ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) (bestreden besluit).
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 26 augustus 2002 (AWB
01/375 AAW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand
te Leusden, op in het aanvullend beroepschrift - met bijlagen - vermelde
gronden hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 november 2004, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar broer, [naam
broer], en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door W.
Hophener, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren in 1949, heeft blijkens het rapport van de
arbeidsdeskundige J. Beurskens van 27 november 1991 op 8 december 1979
de antiekzaak [naam antiekzaak] gestart. Vanaf 1983 betreft de
onderneming mede damesmode. Op 2 april 1984 is de naam veranderd in
[naam onderneming]. Sedert 29 november 1991 is de onderneming bij de
Kamer van Koophandel ingeschreven als [naam onderneming] BV, met
appellante als enig directeur.
Appellante heeft op 19 april 1990 bij gedaagde een aanvraag om een
AAW-uitkering ingediend wegens een op 7 oktober 1983 aangevangen
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
De verzekeringsarts L.T.P. van Rossum heeft in verband met de
beoordeling van de psychische gezondheidstoestand van appellante advies
gevraagd aan de psychiater J. Roelofs te Beek. Deze psychiater vermeldt
in zijn rapport van 28 september 1991 dat appellante gedurende een reeks
van jaren een aantal keer per week paniekaanvallen heeft met somatische
symptomatologie. Zij is wegens deze psychische stoornis
psychotherapeutisch en psychiatrisch behandeld. Roelofs concludeert dat
sprake is van een paniekstoornis met agorafobe vermijding. Hij acht
appellante in staat gemiddeld 15 uur per week in haar eigen zaak te
werken. De prognose is afhankelijk van de intensiteit van de
behandeling.
De verzekeringsarts Van Rossum stelt in een nader rapport van 11
november 1991 op grond van het psychiatrische rapport vast dat
appellante slechts gedeeltelijk in het eigen bedrijf inzetbaar is.
Gezien de lange duur van de klachten is spoedig herstel niet te
verwachten. Hij stelt de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 oktober
1983.
Hij acht appellante gemiddeld 15 uur per week inzetbaar.
De arbeidsdeskundige Beurskens heeft blijkens zijn vermelde rapport het
naar 1991 geïndexeerde maatmanjaarinkomen berekend op f 3.137,37. De
mate van arbeidsongeschiktheid stelt hij op 65-80%.
Bij besluit van 9 juli 1992 heeft gedaagde dienovereenkomstig aan
appellante met ingang van 19 april 1989 een AAW-uitkering toegekend naar
de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%. Tevens is met ingang van 19
april 1989 - wegens de inkomsten van appellante uit haar onderneming -
toepassing gegeven aan het kortingsartikel 34 van de AAW.
De arbeidsdeskundige M.A. Blom heeft bij rapport van 19 januari 1994
verslag gedaan van een nader arbeidskundig onderzoek naar de
inkomensgegevens met betrekking tot appellante. Hij concludeert dat,
gezien enerzijds het maatmaninkomen en anderzijds de maandelijkse
verdiensten van f 1649,71, haar fictieve mate van arbeidsongeschiktheid
met ingang van 1 augustus 1993 kleiner is dan 25%. Zij heeft daarom met
ingang van 1 augustus 1993 geen recht op uitbetaling van de
AAW-uitkering.
Bij besluit van 4 oktober 1994 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld
dat op grond van het kortingsartikel 33 van de AAW met ingang van 1
augustus 1993 haar AAW-uitkering niet wordt uitbetaald.
Bij brief van 25 juni 1996 heeft de fiscaal adviseur van appellante, mr.
A.M.P. Nuy, namens haar aan gedaagde meegedeeld dat zij sinds 1 januari
1996 geen inkomsten uit arbeid meer geniet. Bij formulier van 1 juli
1996 heeft appellante zelf vermeld dat zij sedert 1 januari 1996 als
gevolg van haar klachten geen werkzaamheden meer verricht en geen
inkomsten uit arbeid ontvangt.
De verzekeringsarts R.L.M. Neuhaus heeft naar aanleiding van de
meldingen appellante op 25 april 1997 onderzocht. Blijkens het rapport
van die datum heeft appellante meegedeeld dat het klachtenpatroon in de
laatste jaren niet is veranderd. Zij heeft nog steeds last van angst- en
paniekaanvallen en van agorafobie. Zij werkt nog steeds gemiddeld 15 uur
per week in de zaak. Zij kan haar inzet aanpassen aan haar
gezondheidstoestand. De verzekeringsarts concludeert dat er geen
wijziging is opgetreden in de medische situatie.
De arbeidsdeskundige P. Hartmans heeft vervolgens op 3 juni 1997 een
gesprek gehad met appellante. Appellante heeft blijkens het rapport van
Hartmans d.d. 6 juni 1997 meegedeeld dat zij nog wel incidenteel
aanwezig is in de winkel, maar daar geen werkzaamheden meer verricht.
Appellante ontvangt ook geen loon meer van [naam onderneming] BV. Wel
ontvangt zij van [naam onderneming] BV nog huur voor het winkelpand. De
verzekeringsarts Neuhaus rapporteert nader op 9 juni 1997.
Hij stelt dat uit het onderzoek van de arbeidsdeskundige is gebleken dat
appellante geen werkzaamheden meer verricht. Hij concludeert nader dat
appellante ten gevolge van haar klachten niets meer in de zaak kan
ondernemen. Gezien de ernst van haar klachten acht hij de volledige
arbeidsongeschiktheid reëel. Gezien de lange duur van de fobie verwacht
hij in de toekomst weinig verandering.
Bij een eerste besluit van 15 juli 1997 heeft gedaagde op grond van het
medisch/arbeidskundig onderzoek aan appellante meegedeeld dat besloten
is met ingang van 1 januari 1996 de toepassing van artikel 33 van de AAW
te laten vervallen. Bij een tweede besluit van 15 juli 1997 heeft
gedaagde meegedeeld dat appellante met ingang van 29 januari 1996 wordt
ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%.
Appellante heeft op de inlichtingenformulieren met betrekking tot 1996,
1997 en 1998 aangegeven dat zij geen werkzaamheden in loondienst of als
zelfstandige heeft verricht en geen inkomsten als werkneemster of als
zelfstandige heeft ontvangen.
Blijkens het Rapport Werknemersfraude d.d. 20 mei 1999 heeft de
belastingdienst in november 1998 aan gedaagde meegedeeld dat appellante
als beherend vennoot in een commanditaire vennootschap (CV) met haar
dochter optreedt. Gedaagde heeft naar aanleiding van deze melding een
onderzoek ingesteld naar de werkzaamheden en de inkomsten van
appellante.
Blijkens het rapport heeft appellante in het kader van het onderzoek
verklaard dat de ondernemingsvorm van [naam onderneming] per 1 januari
1996 is omgezet in een CV.
Als beherend vennoot in deze CV is [naam onderneming] BV benoemd.
Appellante vertegenwoordigde in 1996 als enig aandeelhouder [naam
onderneming] BV.
Vanaf 1 januari 1997 is appellante, als natuurlijk persoon, beherend
vennoot in de CV.
Aan [naam onderneming] BV is over het boekjaar 1996 een winstaandeel van
f 25.000, - toegekend.
Blijkens het door de belastingdienst in 1998 ingestelde boekenonderzoek
is voorts gebleken dat appellante dagelijks het kasboek bijhoudt. Ook is
vastgesteld dat appellante in de jaren 1996-1999 overeenkomsten namens
de onderneming is aangegaan.
Ex-werkneemsters die in de jaren 1995-1999 bij appellante werkzaam zijn
geweest, hebben blijkens het Rapport Werknemersfraude verklaard dat
appellante evenals voorheen na 1 januari 1996 de dagelijkse leiding had
in de onderneming, personeel aannam, instructies gaf en
verkoopwerkzaamheden verrichtte.
Naar aanleiding van het rapport heeft gedaagde een onderzoek ingesteld
naar het recht van appellante op een AAW-uitkering vanaf 1 januari 1996.
De verzekeringsarts Neuhaus heeft in dat kader op 8 juni 1999 een
medisch onderzoek ingesteld en op 15 juni 1999 gerapporteerd. Appellante
heeft blijkens het rapport te kennen gegeven dat haar medische toestand
ongewijzigd is. Zij heeft nog steeds dezelfde klachten.
De verzekeringsarts overweegt dat uit het Rapport Werknemersfraude
blijkt dat appellante in de jaren 1996 en volgende dagelijks in de zaak
aanwezig was en leiding gaf. Iemand met een angststoornis zou naar zijn
mening nooit op een dergelijke wijze gehandeld hebben. Hij concludeert
dat vanaf 1 januari 1996 geen sprake is van ziekte en beperkingen.
Appellante is vanaf die datum volledig arbeidsgeschikt te achten.
Bij besluit van 12 juli 1999 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld
dat gebleken is dat zij op en na 1 januari 1996 werkzaamheden heeft
verricht en uit deze werkzaamheden inkomsten heeft ontvangen. Haar mate
van arbeidsgeschiktheid wordt met ingang van 1 januari 1996 gesteld op
minder dan 25%. Zij is daarom met ingang van die datum niet langer
arbeidsongeschikt te achten. De AAW-uitkering wordt met ingang van 1
januari 1996 ingetrokken. De onverschuldigd betaalde uitkering ad f
69.160,24 wordt teruggevorderd.
Appellante ontkent in haar bezwaarschrift tegen het besluit van 12 juli
1999 de gestelde werkzaamheden te hebben verricht en inkomsten te hebben
ontvangen. Tevens stelt zij dat zij onverminderd haar psychische
klachten heeft.
Naar aanleiding van het bezwaar heeft de bezwarenverzekeringsarts P.
Bavelaar blijkens het rapport van 19 juli 2000 het dossier bestudeerd.
Hij verenigt zich met de overwegingen en de conclusie van
verzekeringsarts Neuhaus. In een nader rapport van 3 oktober 2000
handhaaft Bavelaar zijn zienswijze.
Bij brief van 26 februari 2001 is vanwege appellante een verklaring van
de huisarts d.d. 13 februari 2001 ingezonden. De huisarts deelt mee dat
appellante vanaf 1984 bekend is met klachten die vooral tussen 1990-1994
meer problemen in de zin van agorafobie hebben gegeven.
Bij het bestreden besluit is naar aanleiding van het bezwaar overwogen
dat appellante op en na 1 januari 1996 niet langer beperkingen
ondervindt als rechtstreeks en objectief medisch gevolg van ziekte of
gebrek. Het bezwaar is ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep haar grieven herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
Hij acht het op grond van de in het Rapport Werknemersfraude
gereleveerde feiten en omstandigheden genoegzaam aannemelijk dat
appellante op en na 1 januari 1996 - evenals voorheen - in de onderneming werkzaamheden heeft verricht en
leiding heeft gegeven aan de bedrijfsvoering.
Blijkens de samenvatting in dat rapport van de verklaringen van
appellante tijdens het opsporingsonderzoek heeft appellante tijdens dat
onderzoek zelf erkend dat zij ook na 1 januari 1996 werkzaamheden heeft
verricht. Appellante heeft haar latere ontkenning van werkzaamheden niet
gestaafd met enig concreet bewijs. Voorts is niet gebleken dat het
onderzoek terzake niet zorgvuldig is geweest.
Uit het rapport blijkt ook dat over het jaar 1996 aan [naam onderneming]
BV - waarvan blijkens het rapport appellante directeur/enig
aandeelhoudster is - f 25.000,- winst is uitgekeerd. Deze winst van de
BV kan, gezien de positie van appellante in de onderneming en in de BV,
in de lijn met vaste jurisprudentie van de Raad aan appellante zelf
worden toegerekend als inkomsten uit arbeid in de zin van de AAW.
Gedaagde heeft verder, gezien de gedingstukken, terecht vastgesteld dat
appellante in strijd met haar inlichtingenverplichting geen mededeling
heeft gedaan van de werkzaamheden en de inkomsten daaruit.
Gedaagde baseert de intrekking van de AAW-uitkering met terugwerkende
kracht tot 1 januari 1996 en de terugvordering van onverschuldigd
betaalde uitkering op het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen
Neuhaus en Bavelaar.
Op grond van dit onderzoek is gesteld dat appellante - mede gezien haar
werkzaamheden vanaf 1 januari 1996 - vanaf die datum niet langer
beperkingen ondervindt in de belastbaarheid als rechtstreeks en
objectief medisch vaststelbaar gevolg van ziekte of gebrek. Zij is
daarom op medische gronden vanaf 1 januari 1996 niet langer
arbeidsongeschikt te achten.
De Raad is evenwel van oordeel dat het onderzoek vanwege de
verzekeringsarts Neuhaus in 1999 en de bezwaarverzekeringsarts Bavelaar
in 2000 niet voldoet aan de eisen die daaraan vanuit het oogpunt van
zorgvuldigheid en motiveringsplicht gesteld kunnen worden.
Uit het rapport van de psychiater Roelofs d.d. 28 september 1991 blijkt
dat appellante lijdt aan een paniekstoornis met agorafobe vermijding. De
verzekeringsarts Van Rossum concludeert in zijn rapport van 11 november
1991 dat, gezien de lange duur van de klachten, spoedig herstel niet te
verwachten is.
De verzekeringsarts Neuhaus geeft - na onderzoek - in zijn rapporten van
25 april 1997 en 9 juni 1997 aan dat appellante nog steeds lijdt aan
haar stoornis. Hij stelt dat, gezien de lange duur van haar fobie, er in
de toekomst weinig verandering zal optreden. De huisarts stelt in zijn
brief van 13 februari 2001 dat appellante vanaf 1984 bekend is met haar
klachten.
Uit onder meer deze gegevens valt af te leiden dat het klachtenbeeld van
appellante ook in de jaren 1996 en volgende aanwezig is.
De verzekeringsarts Neuhaus baseert het oordeel in het rapport van 15
juni 1999 dat er vanaf 1 januari 1996 geen sprake meer is van een
relevante psychische stoornis mede op het feit dat appellante op en na 1
januari 1996 in de onderneming werkzaamheden heeft verricht en leiding
heeft gegeven. Blijkens het psychiatrisch rapport van Roelofs is
appellante evenwel in staat met haar psychische klachten werkzaamheden
te verrichten, zij het in een verminderde omvang. Uit de gedingstukken
is niet af te leiden dat appellante op en na 1 januari 1996 in haar
onderneming in een ander patroon dan voorheen arbeid heeft verricht.
De bezwaarverzekeringsarts Bavelaar heeft appellante zelf niet
onderzocht. Hij baseert zijn oordeel op dossierstudie en op het
onderzoeksverslag van Neuhaus van 15 juni 1999.
Het bestreden besluit is, gezien het bovenvermelde, in strijd te achten
met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) en het motiveringsbeginsel van artikel 7:12, eerste
lid, van de Awb. Het besluit dient dan ook te worden vernietigd.
Gedaagde zal dientengevolge nader op het bezwaar van appellante tegen
het besluit van 12 juli 1999 moeten beslissen.
De Raad concludeert tevens tot vernietiging van de aangevallen
uitspraak.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante, welke met
betrekking tot het geding in eerste aanleg worden begroot op € 322,-
voor verleende rechtsbijstand, en met betrekking tot het beroep bij de
Raad op € 322,- voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 644,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Draagt gedaagde op nieuw besluit op het bezwaar te nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante ten bedrage van
€ 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het griffierecht ad € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 22 december 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|