|
Uitspraak
03/4316
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30
juli 2003, nr. 02/1008 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens heeft appellant nog enkele brieven aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2005,
waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuijsen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft in april 1999 via de Caisse Nationale de Sécurité
Sociale (CNSS) een aanvraag om een Nederlandse
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend, terzake van
arbeidsongeschiktheid welke zou zijn ingetreden voor zijn vertrek uit
Nederland in of omstreeks 1989. Voordien had appellant via een advocaat
al een soortgelijke aanvraag ingediend.
Gedaagde heeft vervolgens bij brieven van 23 augustus 1999, 30 september
1999 en 19 april 2000 aan appellant gevraagd een groot aantal vragen te
beantwoorden. Daarbij is onder meer aan appellant gevraagd om aan te
geven bij welke werkgevers hij in Nederland werkzaam is geweest en om
bewijsstukken terzake van deze werkzaamheden over te leggen. Appellant
heeft in zijn reacties op deze verzoeken aangegeven dat hij Nederland in
1989 wegens ernstige psychische klachten heeft verlaten en dat hij toen
de bewijsstukken van zijn werkzaamheden in Nederland niet heeft
meegenomen naar Marokko.
Gedaagde heeft daarna via de Belastingdienst en via de in het verleden
door appellant ingeschakelde advocaat geprobeerd meer gegevens omtrent
appellant te verkrijgen, doch deze pogingen hebben geen relevante
gegevens opgeleverd. Bij brief van 3 april 2001 heeft gedaagde daarop
aan appellant gevraagd om de namen en adressen van zijn werkgevers in
Nederland op te geven alsmede om aan te geven gedurende welke periodes
hij bij die werkgevers heeft gewerkt. Daarbij is aan appellant
medegedeeld dat zonder een duidelijk antwoord op deze vragen de aanvraag
niet verder behandeld kan worden. Appellant heeft vervolgens bij brieven
van 14 april en 24 juli 2001 wederom medegedeeld dat hij niet meer
beschikt over gegevens omtrent zijn werkgevers. Wel heeft hij enkele
gemeenten genoemd waarin hij werkzaam zou zijn geweest bij agrarische
bedrijven.
Bij besluit van 8 augustus 2001 heeft gedaagde besloten de aanvraag van
appellant om een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel
4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling te laten.
Bij beslissing op bezwaar van 23 januari 2002 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde dat besluit gehandhaafd, overwegende dat de door
appellant overgelegde gegevens en bescheiden onvoldoende concrete
gegevens bieden, inzake het arbeids- of verzekeringsverleden van
appellant in Nederland, voor de beoordeling van zijn aanvraag of voor de
voorbereiding van een beslissing op die aanvraag.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb (zoals dit artikel luidde tot 1 juli
2004) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te
behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk
voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de
verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling
van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de
aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan
gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van
totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of
ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van
gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk
te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb,
om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover
de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Gedaagde heeft appellant bij brief van 3 april 2001 wederom verzocht
zijn aanvraag aan te vullen met gegevens over de door hem in Nederland
verrichte werkzaamheden en over de werkgevers bij wie die werkzaamheden
zijn verricht, nadat hij op eerdere verzoeken geen dan wel onvoldoende
gegevens had verstrekt. De Raad is van oordeel dat gedaagde terecht om
die nadere gegevens heeft verzocht nu die noodzakelijk zijn om te kunnen
beoordelen of en wanneer appellant verzekerd is geweest ingevolge de
Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetten en of de gestelde
arbeidsongeschiktheid is ingetreden tijdens of kort na een verzekerd
tijdvak. Appellant heeft in antwoord op de verzoeken van gedaagde geen
concrete gegevens omtrent zijn werkzaamheden en/of werkgevers verstrekt.
De door appellant genoemde gemeenten waar de werkzaamheden verricht
zouden zijn vormen onvoldoende basis voor gedaagde om terzake nader
onderzoek te verrichten. De Raad is niet gebleken dat appellant niet
redelijkerwijs de beschikking kon krijgen over de gevraagde gegevens.
Daarbij acht de Raad allereerst van belang dat uit de door appellant
overgelegde medische gegevens niet blijkt dat hij ten tijde van zijn
vertrek uit Nederland in een zodanige toestand verkeerde dat hij niet in
staat was de bewijsstukken van zijn werkzaamheden mee te nemen. Voorts
is de Raad van oordeel dat het primair aan appellant is om - althans een
begin van - bewijs te leveren terzake van de door hem gestelde
werkzaamheden.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde bevoegd was
om de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid,
van de Awb buiten behandeling te stellen. Voorts kan niet worden gezegd
dat gedaagde niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten
behandelingstelling van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als
volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|