|
Uitspraak
01/3893 AAWAO en 01/3894 AAWAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft bij besluit van 9 november 1999 (hierna: besluit 1)
ongegrond verklaard het door gedaagde gemaakte bezwaar tegen het besluit
van appellant van 4 juni 1999, houdende intrekking met ingang van 9
december 1992 van de uitkeringen van gedaagde ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werden berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Appellant heeft voorts bij besluit van 21 december 1999 (hierna: besluit
2) het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 1999 gegrond verklaard en
de daarin vervatte terugvordering van gedaagde van onverschuldigd
betaalde AAW- en WAO-uitkering over de periode van 9 december 1992 tot 1
augustus 1996 beperkt tot de periode na 26 juli 1994 ten bedrage van f
101.464,73 (bruto + overhevelingstoeslag). Bij besluit 2 heeft appellant
vervolgens ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde tegen het
besluit van 27 juli 1999 inzake terugvordering van onverschuldigd
betaalde AAW- en WAO-uitkering over de periode van 1 augustus 1996 tot 1
september 1997 ten bedrage van f 55.286,33 (bruto +
overhevelingstoeslag).
De rechtbank Arnhem heeft de namens gedaagde ingestelde beroepen tegen
de besluiten 1 en 2 bij uitspraak van 20 juni 2001, reg.nrs. 99/2293
AAWAO en 00/207 AAWAO, gegrond verklaard en de besluiten 1 en 2
vernietigd. De rechtbank heeft daarbij beslissingen gegeven omtrent
vergoeding aan gedaagde van het griffierecht en de proceskosten.
Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift,
met bijlage, aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde heeft mr. H.W. Bemelmans, advocate te Nijmegen, bij
brief van 25 mei 2004 een rapport van de neuropsycholoog drs. R.K.F.
Lemmens van 3 mei 2004 ingestuurd.
Desgevraagd heeft appellant bij brief van 23 juni 2004 het bij hem
berustende dossier met betrekking tot besluit 2 overgelegd. Dit dossier
heeft de griffier bij brief van 15 juni 2004 aan de gemachtigde van
gedaagde toegezonden.
De Raad heeft op 29 september 2004 aan partijen zijn voornemen kenbaar
gemaakt een psychiater te benoemen als deskundige voor het instellen van
een onderzoek. Op de daarbij gevoegde vraagstelling heeft de gemachtigde
van gedaagde bij brief van 11 oktober 2004 gereageerd. Vervolgens heeft
de Raad als deskundige benoemd de psychiater prof. dr. G.F. Koerselman,
die op 29 september 2005 aan de Raad verslag van zijn onderzoek heeft
uitgebracht. De deskundige heeft bij zijn verslag gevoegd het in zijn
opdracht aan hem uitgebrachte rapport van de neuropsycholoog dr. R.
Hijman van 24 augustus 2005.
De gemachtigde van gedaagde heeft bij brief van 13 oktober 2005 de Raad
bericht voornemens te zijn het rapport van Koerselman aan een medicus
voor commentaar voor te leggen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 december 2005,
waar namens appellant is verschenen mr. J.H. Nuyens, werkzaam bij het
Uwv, terwijl namens gedaagde zijn gemachtigde en zijn echtgenote J.G.M.
van Schaijk-Vissers zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde was werkzaam als chauffeur/verkoper toen hij zich op 9 december
1991 ziek meldde als gevolg van psychische klachten. Uit de beschikbare
medische informatie omtrent de beoordeling van gedaagdes
arbeidsongeschiktheid in het eerste ziektejaar en bij het bereiken van
de wachttijd van 52 weken als bedoeld in de AAW en de WAO blijkt dat
gedaagde door de verzekeringsarts J.A.M.M. Sijben op 21 januari 1993, na
overleg met de behandelend psychotherapeut C. Visser van het RIAGG
’s-Hertogenbosch en omstreken, volledig arbeidsongeschikt werd geacht.
Na afloop van de wachttijd zijn aan gedaagde dan ook uitkeringen
ingevolge de AAW en de WAO verstrekt, welke werden berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In evengenoemde medische
informatie is sprake van verschillende psychiatrische diagnosen, maar
ook van de indruk van gemanierd/gemaakt gedrag bij de verzekeringsarts
W.P.A.M. Verhagen in een tweetal brieven van 12 mei en 30 oktober 1992
en in het rapport van de verzekeringsarts Sijben van 17 december 1992.
In de brief van Visser aan Sijben van 11 januari 1993 is onder meer
vermeld dat gedacht werd aan een hersenorganische dysfunctie, maar ook
dat bij het hierop gericht onderzoek van de neuroloog F. Cleven in
november 1992 geen afwijkingen zijn gevonden. Ook nadien is gedaagde bij
verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 22 februari 1994 en 31 januari
1996 volledig arbeidsongeschikt bevonden. In het rapport van 31 januari
1996 komt onder andere naar voren dat volgens Visser is komen vast te
staan dat bij gedaagde sprake is van een organisch psychosyndroom met
geheugen- en concentratiestoornissen met als mogelijke oorzaak het bij
zijn voormalige werkgever gedurende lange tijd rijden met giffen in een
daarvoor niet aangepaste auto. In dit rapport is ook sprake van een
posttraumatische stressstoornis en een dementieel beeld.
Naar aanleiding van een melding van de belastingdienst heeft de
opsporingsdienst van gedaagde een onderzoek ingesteld, waarvan verslag
is gedaan in een rapport van 30 september 1997. In dit rapport is
aangegeven dat gedaagde vanaf 1987 een tuinbouwbedrijf had en dat hij
met ingang van 1 januari 1992 een maatschap is aangegaan met zijn
echtgenote op basis van toekenning aan beiden van de helft van de winst.
Voorts zijn vermeld de winst van de maatschap over de jaren 1993 tot en
met 1996, de aan gedaagde toekomende winst en het feit dat gedaagde
fiscaal een zelfstandigenaftrek genoot. In dit rapport is verder
opgenomen dat de echtgenote van gedaagde sinds 1 oktober 1985 een
AAW/WAO-uitkering genoot, welke werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, en dat zij op
inlichtingenformulieren van 21 april 1994, 29 juni 1995 en 24 juni 1996
heeft ingevuld dat gedaagde het afgelopen jaar gemiddeld 40 uur per week
in hun bedrijf werkzaam was. Het rapport van het opsporingsonderzoek
bevat ook de processen-verbaal van verhoor van onder andere gedaagde,
zijn echtgenote, een vertegenwoordiger, de boekhouder, een inspecteur
van de arbeidsinspectie en een werkneemster, waarin verklaringen van
deze personen zijn opgenomen omtrent de werkzaamheden van gedaagde. De
conclusie van het rapport was dat gedaagde in de onderzochte periode van
9 december 1991 tot en met 31 augustus 1997 in zijn eigen
tuinbouwbedrijf werkzaamheden heeft verricht, welke hij niet heeft
gemeld.
Naar aanleiding van dit rapport is vanwege appellant
verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht naar de vraag of gedaagde
vanaf 9 december 1991 volledig arbeidsongeschikt was. In het kader
daarvan is expertise gevraagd aan de psychiater J.D.J. Tilanus, die op
24 november 1998 aan de verzekeringsarts J.P.M. Joosten verslag heeft
uitgebracht. Tilanus gaf in zijn rapport aan in het bijzonder gelet te
hebben op onder andere beschikbare medische informatie uit de
behandelend sector uit 1998. Tilanus concludeerde in zijn rapport dat de
klachten van gedaagde berustten op simulatie en dat geen psychiatrische
diagnose kon worden gesteld. Op basis hiervan concludeerde de
verzekeringsarts R.R.J. Weijers in zijn rapport van 16 december 1998 dat
er bij gedaagde geen sprake is van beperkingen als gevolg van ziekte of
gebrek, dat nooit een daadwerkelijk ziektebeeld is aangevangen en dat de
wachttijd nooit is vervuld. Vervolgens nam appellant de in rubriek I van
deze uitspraak omschreven primaire besluiten.
In de bezwaarprocedure is namens gedaagde het rapport van de klinisch
psycholoog L.C.C.F. Vanbrabant van 3 juni 1999 overgelegd, waarin is
gesteld dat de resultaten van het bij gedaagde verrichte
neuropsychologisch onderzoek wel kunnen passen bij een
organo-psychosyndroom (OPS), maar daar niet specifiek voor zijn. De
bezwaarverzekeringsarts S.J.J.M. Gommers heeft zich blijkens zijn
rapport van 24 augustus en 27 oktober 1999 na weging van alle
beschikbare medische informatie achter het oordeel van Tilanus
geschaard, waarna appellant besluit 1 nam. Vervolgens nam appellant naar
aanleiding van de afzonderlijk ingebrachte bezwaren tegen de primaire
terugvorderingsbesluiten besluit 2, waarin appellant zich op het
standpunt stelde dat gedaagde wat betreft de terugvordering inzake de
periode voor 1 augustus 1996 eerst op 26 juli 1999 is geďnformeerd over
de onverschuldigde betaling van AAW/WAO-uitkering.
In beroep is namens gedaagde onder andere nadere informatie overgelegd
van het RIAGG van 15 juni 1998 en 17 november 1998, waarin gesproken
wordt van een ernstige psycho-organische stoornis op dementieel niveau
bij gedaagde, en van Vanbrabant van 27 januari 2000, waarin bij over het
algemeen vergelijkbare resultaten als bij zijn eerdere onderzoek een
aantal mogelijke verklaringen voor het beeld van gedaagde zijn
besproken, zoals een forse depressie of angststoornis, een organisch
cerebrale aandoening, psychiatrische problematiek en chronisch
onderpresteren.
De rechtbank heeft in haar in rubriek I omschreven uitspraak met name
doorslaggevende betekenis toegekend aan de beschikbare medische
informatie uit 1998 en de hiervoor genoemde rapporten van Vanbrabant en
zij wees voorts op de langdurige behandeling van gedaagde door het RIAGG
en op de visie van de door de reclassering ingeschakelde psychiater A.E.
van Benthum.
In hoger beroep heeft appellant gewezen op de in een reeds vroeg stadium
gerezen twijfel omtrent het door gedaagde gepresenteerde beeld, welke
twijfel is weggenomen door Tilanus. Appellant heeft tevens een rapport
van Gommers van 23 oktober 2001 overgelegd, waarin deze heeft aangegeven
dat aan het oordeel van Van Benthum nauwelijks onderzoek is
voorafgegaan, dat bij neurologisch onderzoek bij gedaagde geen
duidelijke afwijkingen zijn gevonden, dat zulks wel het geval was bij
het neuropsychologisch onderzoek, maar dat daarbij tevens sprake was
van duidelijke discrepanties en inconsistenties. Voorts wees Gommers
erop dat door behandelaars vastgestelde OPS gepaard gaande met ernstige
stoornissen niet in overeenstemming kan worden gebracht met de gegevens
die uit het opsporingsonderzoek naar voren zijn gekomen.
De gemachtigde van gedaagde heeft in hoger beroep nog een rapport van de
neuropsycholoog drs. R.K.F. Lemmens van 3 mei 2004 in procedure
gebracht, waarin is gesteld dat OPS geen verklarende diagnose vormt voor
het toestandsbeeld van gedaagde, dat een evidente psychiatrische
stoornis ook niet aan de orde is, dat de omschrijving simulatie gedaagde
onrecht doet en dat sprake is van een combinatie van langdurige
overbelasting en een bepaalde ontwikkelingsgang in de persoonlijkheid
welke hebben geleid tot de stoornissen, zoals in de verschillende
rapportages over gedaagde zijn beschreven op cognitief, psychisch,
emotioneel en gedragsmatig gebied, waardoor gedaagde volgens Lemmens
volledig arbeidsongeschikt is.
De Raad heeft, zoals in rubriek I van deze uitspraak is aangegeven,
aanleiding gezien Koerselman als deskundige te benoemen voor het
instellen van een onderzoek. Bij zijn rapport van 29 september 2005
heeft Koerselman het rapport van 24 augustus 2005 inzake een op zijn
verzoek door Hijman bij gedaagde verricht neuropsychologisch onderzoek
gevoegd, waarbij Koerselman met name heeft gevraagd aandacht te besteden
aan de differentiatie tussen reële en mogelijk geveinsde cognitieve
stoornissen. Hijman concludeert tot onderprestatie van gedaagde bij het
verrichten van cognitieve taken en stelt dat gedaagde in elk geval een
lage testattitude en motivatie vertoont en dat er voorts inconsistenties
zijn gevonden. Volgens Hijman zou het beeld kunnen passen bij simulatie
en/of malingering.
Koerselman heeft bij zijn onderzoek een uitvoerige anamnese van gedaagde
en een heteroanamnese van de echtgenote van gedaagde afgenomen en heeft
gedaagde vervolgens psychiatrisch onderzocht. De conclusie van
Koerselman is dat over gedaagde in de loop der tijd tegenstrijdige
opvattingen in geding zijn gebracht en dat het psychiatrisch onderzoek
in combinatie met het onderzoek van Hijman steun geeft aan de opvatting,
dat het ziektegedrag van gedaagde en de geclaimde daarmee samenhangende
beperkingen moeten worden toegeschreven aan simulatie en niet aan een
objectiveerbare ziekte. De hem voorgelegde vraagstelling beantwoordde
Koerselman aldus dat gedaagde in de in geding zijnde periode niet leed
aan een als ziekte of gebrek aan te merken afwijking in zijn
gezondheidstoestand en dat hij zich kan verenigen met de visie van
Gommers dat bij gedaagde vanaf 9 december 1992 geen sprake was van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO en dat sprake is
geweest van simulatie.
In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel
van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige
in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond
waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te
wijken is de Raad niet gebleken.
De Raad tekent daarbij aan dat, naast hetgeen hij hiervoor heeft
overwogen omtrent het verrichte onderzoek van Koerselman, deze
deskundige in zijn rapport in min of meer chronologische volgorde de
omtrent gedaagde beschikbare medische informatie, zowel afkomstig van
verzekeringsgeneeskundigen van gedaagde dan wel diens rechtsvoorgangster
als afkomstig uit de behandelend sector uitvoerig heeft besproken en
becommentarieerd en daarbij de sterke en zwakke aspecten van de
verschillende in de loop der tijd omtrent gedaagde veronderstelde dan
wel daadwerkelijk gestelde diagnosen op inzichtelijke wijze heeft
belicht. Daarbij is Koerselman onder meer ingegaan op de diagnosen
posttraumatische stressstoornis, pré-seniele dementie en OPS en heeft
hij uitvoerig gemotiveerd waarom naar zijn oordeel geen van deze
diagnosen op gedaagde van toepassing is of is geweest.
De Raad tekent voorts aan dat van de zijde van de gedaagde geen medisch
onderbouwd inhoudelijk verweer tegen het rapport van Koerselman is
gevoerd.
Gelet op al het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat bij
gedaagde in de bij besluit 1 aan de orde zijnde periode van 9 december
1991 tot 1 september 1997 geen sprake is geweest van
arbeidsongeschiktheid als rechtstreeks en objectief medisch vast te
stellen gevolg van ziekte of gebreken, zodat aan gedaagde ten onrechte
met ingang van 9 december 1992 de in geding zijnde uitkeringen ingevolge de AAW en de
WAO zijn verstrekt. Voorts is de Raad van oordeel dat gegeven deze
slotsom en in aanmerking genomen dat gedaagde appellant niet op de
hoogte heeft gesteld van zijn uit het opsporingsonderzoek naar voren
gekomen activiteiten, er geen beletsel is de uitkeringen van gedaagde
met toepassing van de artikelen 26a, eerste lid, aanhef en onder b van
de AAW en 36a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO met
terugwerkende kracht tot en met 9 december 1992 in te trekken. Dringende
redenen als bedoeld in het tweede lid van deze artikelen om geheel of
gedeeltelijk van intrekking af te zien zijn gesteld noch gebleken. Op
grond van het vorenstaande kan besluit 1 naar het oordeel van de Raad
rechtens stand houden.
Tegen besluit 2, dat uiteindelijk ziet op de terugvordering van de
onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 27 juli 1994 tot 1
september1997, zijn van de zijde van gedaagde geen afzonderlijke grieven
ingebracht. Ook de Raad is niet kunnen blijken dat besluit 2 rechtens
onjuist is.
De gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting van de Raad nog gevraagd
om aanhouding van deze zaak omdat zij nog een expertise van een
neuroloog in geding wil brengen. De Raad wijst dit verzoek af en
overweegt daartoe dat de te raadplegen neuroloog volgens de gemachtigde
van gedaagde zou worden benaderd met een open vraagstelling teneinde te
onderzoeken of het beeld van gedaagde zou kunnen worden verklaard uit
een neurologische afwijking. Indien de neuroloog een diagnose zou kunnen
stellen, dan zou volgens gemachtigde voorts aan hem de vraag kunnen
voorgelegd naar de eventuele betekenis van een mogelijke diagnose voor
de periode bij besluit 1 in geding. Bezien tegen de achtergrond van de
uitermate consistente rapportage van Koerselman acht de Raad de kans dat
dit neurologisch onderzocht een nieuw licht werpt op de in geding zijnde
periode uitermate gering en mede gelet op de in het verleden reeds
verrichte neurologische onderzoeken acht de Raad zich thans voldoende
voorgelicht en ziet hij geen gronden een hernieuwd medisch onderzoek af
te wachten.
Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellant en dient
de aangevallen uitspraak te worden vernietigd met ongegrondverklaring
van de beroepen van gedaagde tegen de besluiten 1 en 2.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de inleidende beroepen van gedaagde ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor als voorzitter en mr. M.C.M. van
Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31
januari 2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|