|
Uitspraak
03/1124
AAWAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Alkmaar van 5 februari 2003, nummer AAWAO 01/453.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Gedaagde heeft bij brieven van 6 september 2005 en 2 november 2005
desgevraagd nadere informatie verstrekt en stukken toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 januari 2006, waar
appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde met
voorafgaande kennisgeving niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant ontvangt sedert 6 september 1984
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Vanaf 1 januari 1994 ontving
appellant een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 19 mei 2000
(besluit A) heeft gedaagde de uitkering van appellant met ingang van 29
december 1995 herzien en berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van eveneens 19 mei
2000 (besluit B) heeft gedaagde de uitkering met ingang van 7 oktober
1996 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35
tot 45%. Bij besluit van 9 juni 2000 (besluit C) heeft gedaagde
appellant een stimuleringsuitkering geweigerd. Tegen deze drie besluiten
heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij zijn besluit van 19 januari 2001,
hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde de bezwaren ongegrond
verklaard en de besluiten A, B en C gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant
gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover dit
ziet op de handhaving van de weigering van een stimuleringsbijdrage en
gedaagde opgedragen ten aanzien van dat onderdeel van het bestreden
besluit een nieuwe beslissing te nemen en het griffierecht aan appellant
te vergoeden. De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten
voor zover dat ziet op de arbeidsongeschiktheid van appellant per 29
december 1995 en 7 oktober 1996.
Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de uitspraak van de
rechtbank bestreden. Ter zitting van de Raad heeft hij bevestigd dat het
hoger beroep is beperkt tot dat deel van de aangevallen uitspraak dat
betrekking heeft op het besluit van gedaagde de WAO-uitkering per 7
oktober 1996 te herzien en te berekenen naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant heeft in het hoger
beroepschrift met name gemotiveerd betwist dat de door de
arbeidsdeskundige G.J. Zwierenberg in diens rapport van 22 juli 1996 genoemde functies in
medisch en arbeidskundig opzicht voor hem passend zouden zijn. De Raad
zal zich, gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), beperken tot dit punt van geschil en overweegt als
volgt.
Van de zijde van de Raad is op 11 juli 2005 aan gedaagde verzocht onder
meer over te leggen de verwoordingen functiebelastingen, de verkorte
functieomschrijvingen en de arbeidsmogelijkhedenlijst, behorende bij de
door de arbeidsdeskundige Zwierenberg blijkens zijn rapport van 22 juli
1996 geselecteerde functies. Voorts is verzocht om een onderbouwde
reactie op de grief van appellant dat de geduide functies in medisch
opzicht niet passend zijn. Bij brief van 20 september 2005 heeft de Raad dit verzoek herhaald onder verwijzing
naar de artikelen 8:42, eerste lid, en 8:31 van de Awb. Gedaagde is bij
die gelegenheid ook gewezen op de mogelijkheid het bestreden besluit op
andere wijze van een deugdelijke onderbouwing te voorzien.
Bij brief van 2 november 2005 heeft gedaagde medegedeeld niet in staat
te zijn de gevraagde stukken te leveren en de vraagstelling evenmin op
andere wijze te kunnen beantwoorden.
De Raad stelt vast dat het gaat om op de zaak betrekking hebbende
stukken als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Gedaagde is
zijn in die bepaling neergelegde verplichting die stukken in te zenden
niet nagekomen. Artikel 8:31 van de Awb, welke bepaling evenals artikel
8:42 op grond van artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet van
overeenkomstige toepassing is op het geding in hoger beroep, bepaalt dat
- voor zover hier van belang - indien een partij niet voldoet aan de
verplichting stukken over te leggen, de rechtbank daaruit de
gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen.
Het gaat hier naar het oordeel van de Raad om stukken die van essentieel
belang zijn voor de onderbouwing van het besluit van gedaagde om de
uitkering van appellant per 7 oktober 1996 te herzien. Gedaagde heeft
meegedeeld zijn standpunt niet op andere wijze dan met de bedoelde
stukken te kunnen onderbouwen en heeft zich niet ter zitting van de Raad
laten vertegenwoordigen. De gedetailleerd uiteengezette grieven van
appellant, van zowel medische als arbeidskundige aard, zijn niet
weersproken.
Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat zowel de medische als
de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onvoldoende zijn
gemotiveerd, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste
lid, van de Awb dient te worden vernietigd. Deze vernietiging treft ook
de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het bestreden besluit met
betrekking tot de herziening van de uitkering van appellant per 7
oktober 1996 in stand is gelaten. Met inachtneming van deze uitspraak
dient gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht gedaagde
te veroordelen in de schade aan zijn kant. Uit het hiervoor overwogene
blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat gedaagde een
nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen. Daarom ligt het thans niet op
de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat
nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal
bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten
besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op € 24,36 aan reiskosten in hoger
beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het onderdeel van
het bestreden besluit, dat betrekking heeft op de arbeidsongeschiktheid
van appellant per 7 oktober 1996, in stand is gelaten;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor zover daarbij is
beslist over de arbeidsongeschiktheid van appellant per 7 oktober 1996
gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Bepaalt dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot € 24,36, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 87,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28
februari 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|