|
Uitspraak
03/4623
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat te Alkmaar,
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 16
september 2003 tussen partijen onder nummer WAO 01/1939 gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader
stuk ingezonden.
Op verzoek van de Raad heeft de internist prof. dr. L. Abraham-Inpijn
appellante onderzocht en van haar bevindingen op 7 juli 2005 en nader op
29 september 2005 schriftelijk verslag gedaan.
Van de zijde van gedaagde is op deze rapportages telkens commentaar
gegeven.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 januari 2006, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.P.J.L.
Appelman, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door E.M.C. Beijen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 23 februari 2001 heeft gedaagde de eerder aan appellante
toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 19 april 2001 beëindigd,
omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% tot minder
dan 15% zou zijn afgenomen. Het daartegen ingediende bezwaar is bij het
bestreden besluit van 1 november 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft, nadat zij psychiatrisch advies had ingewonnen, het
beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de door haar als
deskundige geraadpleegde psychiater gevolgd in zijn oordeel dat de voor
appellante ten tijde van belang geldende, uit psychiatrische ziekte of
gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen juist zijn neergelegd in het
door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon, behoudens de
door de deskundige aangenomen duurbeperking.
De door de Raad benoemde deskundige heeft als haar oordeel kenbaar
gemaakt dat appellante op 19 april 2001 leed aan een erfelijke vorm van
bloedarmoede, (voortdurende) hoge bloeddruk, overgewicht en een
maagbreuk. Als gevolg van de chronisch verhoogde bloeddruk heeft
appellante het zicht in het linkeroog verloren.
De deskundige kan zich slechts verenigen met de door de verzekeringsarts
aangenomen arbeidsbeperkingen, indien het aantal arbeidsuren per dag tot
vier wordt beperkt.
De Raad overweegt het volgende.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante, ondanks de
voor haar geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen op
19 april 2001 in staat is tot het verrichten van arbeid in de haar
voorgehouden functies gedurende een volledige werkweek. Hiermee heeft
gedaagde het eerder door hem gekozen uitgangspunt verlaten dat
appellante, als vastgelegd in het FIS-scoreformulier van 23 juni 1994,
niet langer dan vier uur per dag arbeid kan verrichten.
In hoger beroep heeft appellante zich in de eerste plaats op het
standpunt gesteld dat zij ten tijde van belang volledig buiten staat was
tot het verrichten van arbeid en dat de voor haar geldende
arbeidsbeperkingen (in het bijzonder voortvloeiende uit haar psychische
klachten) in zoverre in het belastbaarheidspatroon zijn onderschat. Deze
beroepsgrond wordt ook door de Raad verworpen. Evenals de rechtbank
verwijst de Raad daarvoor naar het rapport van de door de rechtbank
benoemde deskundige.
Voorts ziet de Raad, anders dan gedaagde, geen aanleiding om de door hem
tot deskundige benoemde internist in haar conclusies niet te volgen.
Deze deskundige heeft in haar rapport helder haar bevindingen en
overwegingen beschreven. Haar daarop gebaseerde conclusie is
inzichtelijk en begrijpelijk. Van de kritiek van de verzekeringsarts
daarop heeft de deskundige kennis genomen en zij heeft deze beredeneerd
en overtuigend weerlegd. De Raad gaat er daarom van uit dat de voor
appellante ten tijde van belang bestaande, uit ziekte en gebrek
voortvloeiende arbeidsbeperkingen in zoverre door gedaagde zijn
onderschat dat appellante niet meer dan vier uur per dag kon werken.
Gelet op het vorenstaande hebben partijen geen belang (meer) bij de
bespreking van de vraag of voor appellante eveneens een (zelfde)
duurbeperking bestaat op grond van haar psychische klachten.
Anders dan appellante heeft betoogd, is door de bezwaarverzekeringsarts
en de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 16 oktober 2001 toereikend gemotiveerd dat haar eenogigheid niet aan het
verrichten van de geduide werkzaamheden in de weg staat.
De Raad voegt daar nog aan toe dat de informatie van de appellante
behandelende oogarts dit bevestigt.
Appellante heeft vergoeding gevraagd van haar schade, bestaande in de
wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering. De Raad kan
evenwel thans niet vaststellen welke gevolgen hetgeen hiervoor is
overwogen heeft voor haar aanspraak op WAO-uitkering, zodat hij evenmin
de gevraagde schadevergoeding kan toewijzen. Gedaagde zal hieraan in
zijn nadere besluitvorming mede aandacht dienen te geven.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen
uitspraak zal worden vernietigd, het inleidende beroep zal gegrond
worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Tevens
zal gedaagde worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het
bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad ziet aanleiding om gedaagde te veroordelen in de kosten van het
geding, aan de zijde van appellante wegens de haar verleende
rechtsbijstand begroot op € 644,- voor de eerste aanleg en € 644,-
voor het geding in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beslist
op het tegen het besluit van 23 februari 2001 gerichte bezwaar;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding ad € 1.288,-, te
betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante.
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van €
114,23 vergoedt;
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr.
Ch. van Voorst en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van P.
van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 maart
2006.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) P. van der Wal.
|
|