|
Uitspraak
03/5906
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 28 november 2001 heeft gedaagde de uitkering van
appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
met ingang van 1 december 2001 geschorst.
Bij besluit van 21 januari 2002 heeft gedaagde de uitkeringen van
appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
WAO met ingang van 1 januari 1997 ingetrokken.
Bij besluit van eveneens 21 januari 2002 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat aan hem over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 november 2001 een bedrag ter hoogte van €
54.211,40 bruto inclusief overhevelingstoeslag onverschuldigd is
betaald. Dit bedrag wordt van hem teruggevorderd.
Tenslotte heeft gedaagde bij een derde besluit van 21 januari 2002 de
onverschuldigd betaalde eindejaarsuitkeringen over de jaren 1997 tot en
met 2001 ter hoogte van € 1.683,70 bruto van appellant teruggevorderd.
Namens appellant is tegen de hiervoor genoemde 4 besluiten bezwaar
gemaakt.
Bij besluit van 13 juni 2002 heeft gedaagde de bezwaren tegen het
schorsingsbesluit van 28 november 2001 en tegen twee besluiten van 21
januari 2002 (met betrekking tot de intrekking, respectievelijk de
terugvordering van de AAW/WAO-uitkering) ongegrond verklaard.
Voorts heeft gedaagde aangegeven dat appellant naar aanleiding van zijn
bezwaar tegen de terugvordering van de eindejaarsuitkeringen nog een
afzonderlijk besluit zal ontvangen. Tevens heeft gedaagde in het besluit
van 13 juni 2002 opgemerkt dat in afwachting van de afronding van het
onderzoek geen aanleiding wordt gezien om een voorschot te verlenen en
dat de besluiten van 2 juli 2001 en 14 september 2001, waarbij de mate
van arbeidsongeschiktheid is herzien naar een percentage van 80 tot
100%, respectievelijk ongewijzigd is vastgesteld naar die klasse, alsnog
worden ingetrokken.
De rechtbank ‘s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 22 oktober 2003,
nummer AWB 02/1698 AAWAO, het beroep tegen het besluit van 13 juni 2002
(hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, van
die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft desgevraagd een
aantal in het dossier ontbrekende stukken ingezonden.
Namens appellant is een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 januari 2006, waar
- zoals tevoren was bericht - appellant noch zijn gemachtigde zijn
verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.W.G. Bombeeck,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en
gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"Eiser was laatstelijk werkzaam als voeger bij van [naam werkgever]
te [vestigingsplaats] (verder: [naam werkgever]). Op 29 oktober 1982
heeft eiser zijn werkzaamheden gestaakt wegens rugklachten. Vanaf 30 mei
1983 verrichtte eiser aangepaste werkzaamheden bij Van Lieshout. Met
ingang van 28 oktober 1983 heeft verweerder aan eiser uitkeringen
krachtens AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Wegens stijgende inkomsten zijn
de uitkeringen per 1 juni 1984 herzien en nader vastgesteld naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en per 1 februari 1985 van
55 tot 65%.
Bij besluiten van 29 mei 1995 en 10 januari 1996 heeft verweerder
laatstgenoemde vaststelling na heronderzoek ongewijzigd gelaten.
Op 22 januari 2001 heeft eiser zijn aangepaste werkzaamheden bij [naam
werkgever] moeten staken als gevolg van een hartinfarct. (…)
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [naam werkgever]
heeft verweerders opsporingsafdeling een onderzoek ingesteld naar
mogelijke uitkeringsfraude. In de periode van 21 augustus 2001 tot 11
oktober 2001 is eiser een aantal keren verhoord. Daarbij heeft eiser
onder meer verklaard dat hij werkte als uitvoerder en niet als
hulpuitvoerder. In het begin gaf hij leiding aan ongeveer 15 mensen,
maar de laatste tijd gaf hij, in verband met de groei van het bedrijf,
leiding aan 40 tot 50 mensen. Voorts heeft eiser verklaard dat hij naast
zijn WAO-uitkering een loon ontving ter hoogte van ongeveer f 300,-
netto per week. Verder werd zijn privé-telefoon door [naam werkgever]
betaald en reed eiser ook privé in een auto van [naam werkgever],
waarvoor hij geen vergoeding betaalde. Tot eind 2000 reed eiser in een
Nissan Patrol diesel en daarvoor in een Mitsubishi Pajero Diesel; beide
auto’s hadden een waarde van ongeveer f 50.000,-.
Naar aanleiding van het fraudeonderzoek heeft de arbeidsdeskundige op 26
november 2001 een nader onderzoek verricht naar eisers recht op
uitkering.
De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de door eiser verrichtte
werkzaamheden aangemerkt moeten worden als eenvoudigere
uitvoerderswerkzaamheden, welke volgens de van toepassing zijnde CAO
ingeschaald moeten worden op functieniveau vier. Op 1 juli 1999 lag de
beloning voor dit functieniveau tussen f 3.903 en f 5.347,- bruto per
maand. Gelet op de duur van het dienstverband, eisers
verantwoordelijkheid en de aard en inhoud van de werkzaamheden heeft de
arbeidsdeskundige eisers loonwaarde bepaald op f 5.000,- bruto per
maand, waarbij het privé-gebruik van de auto en de telefoonvergoeding
buiten beschouwing is gelaten. Per 1 januari 1997 betekent dit een bruto
maandloon van f 4.682,70. Afgezet tegen het maatmanloon ter hoogte van f
4.557,19 levert dit geen verlies aan verdiencapaciteit op en heeft eiser
met ingang van 1 januari 1997 derhalve geen recht op een
WAO-uitkering."
De in de aangevallen uitspraak genoemde onderzoeksresultaten hebben
geleid tot de in rubriek I genoemde besluiten inzake schorsing,
intrekking en terugvordering van de aan appellant toegekende
AAW/WAO-uitkeringen. De namens appellant daartegen ingediende bezwaren
zijn bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het beroep in eerste aanleg was met name gericht tegen de
ongegrondverklaring van de bezwaren tegen het schorsingsbesluit van 28
november 2001 en tegen de twee besluiten van 21 januari 2002 die
betrekking hebben op de intrekking en de terugvordering van de
uitkering. In het beroepschrift in eerste aanleg is namens appellant
ontkend dat hij leiding heeft gegeven aan 40 tot 50 mensen. Voorts is
gesteld dat het bij gedaagde bekend was dat hij werkzaamheden zou
blijven verrichten bij [naam werkgever], in principe fulltime, maar
tegen een loonwaarde van 50%. Benadrukt is dat appellant zijn
dagindeling zelf kon bepalen en rust kon nemen zoveel hij wilde.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, voorzover dat
was aangevochten, ongegrond verklaard en heeft daartoe het volgende
overwogen:
"Ten tijde van het schorsingsbesluit van 28 november 2001 was
voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de schorsingsbepaling in
artikel 50 van de WAO, te weten dat er sprake was van een gegrond
vermoeden dat het recht op een (gehele) uitkering niet meer bestond.
Verweerders besluit om tot schorsing over te gaan berust op goede
gronden.
De rechtbank heeft in de beschikbare gegevens geen aanleiding gevonden
om de in het kader van het opsporingsonderzoek door eiser afgelegde
verklaring over de aard en de omvang van de werkzaamheden, die hij de
laatste jaren bij [naam werkgever] verrichtte, op wezenlijke punten voor
onjuist te houden. Aan eisers latere verklaring kan de rechtbank
derhalve niet de betekenis toekennen die hij daaraan gehecht wil zien.
Daarbij overweegt de rechtbank dat die latere verklaring pas is gegeven
nadat eiser inzicht had gekregen van de consequenties van zijn eerdere
verklaring en dat in de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende steun is
te vinden voor de later gegeven beschrijving van de aard en omvang van
de werkzaamheden.
Omdat eiser in strijd met de ingevolge artikel 80 van de WAO en artikel
78 van de AAW op hem rustende wettelijke informatieplicht verweerder
niet onverwijld eigener beweging tijdig en volledig heeft geïnformeerd
over de aard en de omvang van zijn werkzaamheden, was verweerder
ingevolge de wettelijke bepalingen in beginsel gerechtigd om tot
intrekking van de uitkering over te gaan. Dan zal evenwel moeten
vaststaan dat de door eiser verrichte arbeid in medisch en arbeidskundig
opzicht passend is te achten en dat de met die arbeid te verwerven
inkomsten representatief kunnen worden geacht voor de resterende
verdiencapaciteit, hetgeen een zekere duurzaamheid van die inkomsten
impliceert. De rechtbank is van oordeel dat het geheel van de
beschikbare gegevens de conclusie rechtvaardigt dat er een genoegzame
medische en arbeidskundige grondslag voor de intrekking van eisers
uitkering valt aan te wijzen. De rechtbank heeft in dit verband in het
bijzonder acht geslagen op zich onder de gedingstukken bevindende
rapportages van 8 februari 1996 en van 26 november 2001, waarin is
aangegeven dat eiser met inachtneming van zijn beperkingen fulltime
belastbaar is en dat het door hem verrichte aangepaste werk bij [naam
werkgever] passend is.
Niet gesteld of gebleken is dat er in de periode van 1 januari 1997 tot
20 januari 2001 relevante wijzigingen zijn opgetreden in de voor eiser
geldende beperkingen. Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat
eiser zijn taken bij
[naam werkgever] kennelijk zonder noemenswaardig ziekteverzuim heeft
vervuld.
De arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat het bij het werk als
uitvoerder gaat om werk met een lichte en gevarieerde lichamelijke
belasting en dat eiser binnen zekere marges zelf zijn werkzaamheden kon
indelen en aldus eventuele overschrijdingen in zijn belastbaarheid kon
voorkomen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om die
bevindingen niet te volgen, waarbij in aanmerking wordt genomen dat van
de zijde van eiser geen overtuigende grieven zijn aangedragen die steun
bieden aan een andersluidend oordeel. Evenmin heeft de rechtbank
aanleiding gevonden om de loonwaarde gevonden om de loonwaarde die
verweerder heeft toegekend aan eisers werkzaamheden (f 4.682,70 bruto
per maand op 1 januari 1997), voor onjuist te houden. In dit verband
merkt de rechtbank nog op dat, gelet op de aard de omvang van de door
eiser verrichte werkzaamheden, de door hem aangegeven beloning van f
300,- netto per week niet kan worden aangemerkt als een reële beloning
voor die arbeid. De door verweerder aangenomen loonwaarde is zodanig dat
in vergelijking met het in aanmerking te nemen maatgevende inkomen niet
langer sprake was van een relevant inkomensverlies.
De rechtbank concludeert dat verweerder op goede gronden de uitkeringen
van eiser ingaande 1 januari 1997 heeft ingetrokken. Tevens oordeelt de
rechtbank dat verweerder terecht de uitkeringen over de periode van 1
januari 1997 tot en met 30 november 2001, die gelet op het
vorenoverwogene als onverschuldigd betaald moet worden aangemerkt, heeft
teruggevorderd."
De Raad onderschrijft de hiervoor genoemde overwegingen van de rechtbank
en voegt hieraan nog het volgende toe.
Gedaagde is bij de onderhavige schatting van de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant uitgegaan van een schatting van zijn
feitelijke verdiensten. Het is op basis van de gegevens in het dossier,
waaronder de door de Raad opgevraagde getuigenverklaringen, voor de Raad
voldoende aannemelijk geworden dat appellant meer heeft verdiend dan hij
heeft opgegeven. In een dergelijk geval is gedaagde volgens vaste
jurisprudentie bevoegd om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen.
Wel zal aan die schatting voldoende onderzoek vooraf moeten gaan en
daarbij de nodige zorgvuldigheid moeten worden betracht teneinde tot een
vaststelling te kunnen komen die de werkelijkheid zoveel mogelijk
benadert. Naar het oordeel van de Raad is aan die voorwaarden voldaan.
Gedaagde is, naar door zijn gemachtigde ter zitting is toegelicht,
uitgegaan van het CAO-loon dat geldt voor eenvoudige
uitvoerderswerkzaamheden. De Raad onderschrijft daarom niet de grief van
appellant dat zou zijn uitgegaan van de (meer omvattende) werkzaamheden
als uitvoerder bij een hoofdaannemersbedrijf.
Voorts wijst de Raad erop dat, zoals de rechtbank ook reeds vaststelde,
bij de schatting van de inkomsten het privé-gebruik van de dienstauto
en de telefoonkostenvergoeding buiten beschouwing zijn gelaten. Dit
maakt het des te meer aannemelijk dat, als daarmee wel rekening zou zijn
gehouden, de inkomsten tenminste gelijk zijn aan het maatmaninkomen,
waardoor er geen sprake is van enig verlies aan verdiencapaciteit.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G.
Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|