|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 98/7114 AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 21 maart 1996 heeft gedaagde de uitkering van appellante
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke laatstelijk
werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%,
met ingang van 1 juli 1996 ingetrokken, onder overweging dat de mate van
haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25% was.
De rechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 20 augustus 1998 het
beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar die uitspraak wordt
hierbij verwezen.
Namens appellante is mr. M. Postma, wonende te Aalten, op bij
beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.
Mr. Postma voornoemd heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 november 2000, waar
appellante, zoals tevoren was bericht, niet is verschenen, terwijl
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Kraaijeveld,
werkzaam bij de Uitvoeringsinstelling GUO B.V.
Il. MOTIVERING
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 1 juli
1996, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het
verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen
geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde
functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met
het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde niet
in enig verlies aan verdiencapaciteit.
In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.
Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag, anders dan
de rechtbank, ontkennend.
Het geschil heeft zich in eerste aanleg toegespitst op de beoordeling
van de medische aspecten. De rechtbank heeft zich achter het oordeel van
de verzekeringsarts gesteld dat er voor appellante geen beperking geldt
ten aanzien van het hand- en vingergebruik en is daarbij voorbijgegaan
aan het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige reumatoloog
P.J.I. van 't Pad Bosch.
De Raad laat daar of de voor appellante vastgestelde beperkingen moeten
worden aangescherpt op het aspect hand- en vingergebruik, nu de
schatting reeds op arbeidskundige gronden geen stand kan houden.
De Raad overweegt daarbij het volgende.
Appellante werkte in haar maatmanfunctie 30 uur per week. Aan haar zijn
evenwel fulltime functies voorgehouden. De Raad heeft daarom aan
gedaagde verzocht om aan te tonen dat de voorgehouden functies op de
datum in geding ook in parttime vorm op de arbeidsmarkt voorkwamen.
Gedaagde heeft daarop functiebeschrijvingen ingezonden van de functies
bel. sales vertegenwoordiger, monteur en monteur ontvangers. Hieruit
blijkt dat die functies op de datum in geding in deeltijd konden worden
verricht.
De functiebeschrijving bel. sales vertegenwoordiger heeft echter
betrekking op een andere functie dan de oorspronkelijk aan appellante
voorgehouden functie verkooptelefoniste. Voor de functie bel. sales
vertegenwoordiger wordt als opleidingseis gesteld dat een MAVO-diploma
is behaald. Voor de functie verkooptelefoniste gold deze eis niet. Nu
appellante alleen in het bezit is van een LHNO-diploma, voldoet ze niet
aan de voor de functie van bel. Sales vertegenwoordiger gestelde
opleidingseis, zodat die functie niet ten grondslag aan de schatting kan
worden gelegd.
Hierdoor berust de schatting op slechts twee parttime functies en is
daarmee niet in overeenstemming met artikel 3, eerste lid van het
Schattingsbesluit (oud), dat vereist dat aan de schatting ten minste drie
verschillende functies ten grondslag worden gelegd.
De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve niet
in stand blijven.
De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten
die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen
termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en
vernietigt dat besluit;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 210,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van mr. drs A.M.
Overbeeke als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 december
2000.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|