| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA3501 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummers: |
97/1426
NABW Z DRM en 98/780 NABW Z DRM |
| Datum
uitspraak: |
5
maart 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
35
en 38 Abw
(= 27 en 30
Wwb) |
| Trefwoorden: |
verlaging
bijstandsnorm of toeslag; geen woonkosten; woonlasten; eigen woning |
| Essentie: |
Onterechte
verlaging van de toeslag voor zover het betreft het buiten
aanmerking laten van voor rekening van belanghebbende komende
lasten van de eigen woning. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Maastricht 97/1426
NABW Z RDM en 98/780 NABW Z DRM
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Valkenburg aan de Geul, gevestigd te Valkenburg, verweerder.
Datum van de bestreden besluiten: 28 april 1997 en 20 mei 1998, kenmerk
823/SoZa/Ste en 3834/SoZa/RBR.
Datum zitting: 22 oktober 1998.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
In zaak AWB 97/1426 NABW E V:
Bij besluit van 28 april 1997 heeft verweerder de bezwaren van
eiseres gericht tegen het door verweerder genomen besluit van 31
december 1996 ongegrond verklaard.
Op 9 juni 1997 is door mr. A.J.J. Kreutzkamp namens eiseres tegen
dit besluit bij deze rechtbank beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) ingediende stukken zijn op 9 september
1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.
Bij brief van 30 september 1997 zijn gronden van het beroep
aangevuld.
Verweerder heeft op 17 november 1997 een verweerschrift ingediend.
Dit is op 19 november 1997 in afschrift aan de gemachtigde van
eiseres gezonden.
In zaak AWB 98/0780 NABW E V:
Bij besluit van 20 mei 1998 heeft verweerder de bezwaren van
eiseres tegen het besluit van verweerder van 29 augustus 1997
ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde bij brief van 3 juni
1998 namens eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Awb
ingediende stukken zijn op 23 juli 1998 aan de gemachtigde van
eiseres gezonden.
Bij brief van 21 augustus 1998 zijn namens eiseres de gronden van
het beroep ingediend.
Verweerder heeft op 22 september 1998 een verweerschrift
ingediend. Dit is op 28 september 1998 in afschrift aan de
gemachtigde van eiseres gezonden.
In beide zaken:
Voornoemde beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank
op 22 oktober 1998, alwaar eiseres in persoon is
verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde.
Namens verweerder is verschenen de heer R.J.L. Brauwers, ambtenaar
der gemeente
Valkenburg aan de Geul.
II. Overwegingen
II.I. Eiseres is een alleenstaande, gescheiden, ouder. De woning
die zij bewoont is haar eigendom. De op de woning rustende
hypotheeklasten worden door haar ex-echtgenoot betaald.
In verband met de inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet
(Abw) op 1 januari 1996 heeft verweerder het recht op
uitkering van eiseres opnieuw beoordeeld.
Bij besluit van 31 december 1996 heeft verweerder aan eiseres een
bijstandsuitkering ingevolge de Abw toegekend naar de norm van een
eenoudergezin. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat eiseres
recht heeft op een toeslag van 20% van het wettelijk
minimumloon,
omdat eiseres de kosten van het bestaan niet kan delen met een
ander.
Verweerder heeft voorts aangegeven dat op de uitkering van eiseres
een korting wordt toegepast van 20% van het wettelijk minimumloon, onder de overweging dat eiseres geen woonlasten heeft zoals
bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, onder 2, van de
Verordening toeslagen- en verlagingsbeleid van 19 december 1995
(hierna: de verordening).
Tegen laatstgenoemd besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt,
waarbij eiseres de op haar uitkering toegepaste korting heeft
bestreden, daarbij onder meer aanvoerende dat zij wel woonlasten
heeft.
Dit bezwaarschrift heeft verweerder bij het in rubriek I genoemde
besluit van 28 april 1997 ongegrond verklaard.
II.2. Naar aanleiding van een in augustus 1997 uitgevoerd
rechtmatigheidsonderzoek heeft verweerder eiseres bij besluit van
29 augustus 1997 meegedeeld dat de aan haar toegekende
bijstandsuitkering ongewijzigd wordt gecontinueerd.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt, omdat zij van
mening is dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat zij
geen woonlasten zou hebben.
Bij het bestreden besluit van 20 mei 1998 heeft verweerder het
bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.
II.3. Zowel het bestreden besluit van 28 april 1997 als dat van 20
mei 1998 berusten op inhoudelijk gelijkluidende adviezen van de
Commissie bezwaar- en beroepschriften (hierna: de Commissie) van verweerders
gemeente. In dit advies heeft de Commissie het
standpunt ingenomen dat in een geval als het onderhavige slechts
dan niet tot verlaging van de norm of toeslag dient te worden
overgegaan wanneer alle lasten als genoemd in artikel 1, tweede
lid, aanhef en onder d, onder 2, van de verordening voor rekening van
de persoon in kwestie zouden komen. Nu in casu vast staat dat in
ieder geval de hypotheeklasten voor rekening van de ex-echtgenoot
van eiseres komen, is de Commissie van oordeel dat aan voornoemde
voorwaarde niet is voldaan en verweerder dus niet gehouden is van
toepassing van de korting af te zien.
II.4. In beroep tegen beide bestreden besluiten is slechts de door
verweerder op de uitkering van eiseres toegepaste korting wegens
het ontbreken van woonlasten bestreden. Daarbij is namens eiseres
aangegeven dat eiseres een eigen woning bewoont, dat het inderdaad
zo is dat de ex-echtgenoot van eiseres de hypotheeklasten voor
zijn rekening neemt, maar dat eiseres de op de woning berustende
zakelijke lasten, zoals de onroerende zaakbelasting, de
afvalstoffenheffing, de rioolrechten, de heffing Zuiveringschap
Limburg en de heffing Waterschap Roer en Overmaas betaalt. Voorts
is aangegeven dat eiseres dringend kosten voor groot onderhoud
moet maken, welke kosten ook als woonkosten in de zin van de verordening dienen te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de
gemachtigde van eiseres heeft verweerder, in navolging van de
Commissie, een onjuiste uitleg aan de desbetreffende bepaling van
de verordening gegeven. Naar het oordeel van de gemachtigde van
eiseres is ook reeds sprake van woonkosten in de zin van de
verordening als alleen de zakelijke lasten worden betaald.
II.5. In de omstandigheid dat in het tweede bestreden besluit van
20 mei 1998 dezelfde motivering ten grondslag is gelegd als aan
het eerste bestreden besluit van 28 april 1997 en de tegen deze
besluiten ingestelde beroepen op, in essentie, dezelfde gronden
berusten, ziet de rechtbank geen aanleiding het beroep tegen het
tweede bestreden besluit van 20 mei 1998 niet-ontvankelijk te
verklaren, nu dit besluit niet kan worden opgevat als een loutere
herhaling van het eerste bestreden besluit, aangezien het tweede
bestreden besluit berust op een nieuw, afzonderlijk, onderzoek
naar de uitkeringsrechten van eiseres.
II.6. Aldus is ter zake van beide bestreden besluiten in geding de
vraag of verweerder, wegens het ontbreken van woonkosten, terecht
en op goede gronden een korting van 20% van het nettominimumloon
heeft toegepast op de bijstandsuitkering van eiseres. De rechtbank
overweegt als volgt.
II.7. Artikel 35, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat burgemeester
en wethouders de bijstandsnorm of de
toeslag, bedoeld in artikel
33 van de Abw, lager kunnen vaststellen,
voor zover de
belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet,
als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten
zijn verbonden.
Ingevolge het tweede lid van artikel 35 van de
Abw vindt de in het
eerste lid bedoelde verlaging bij voorrang plaats op de toeslag.
Artikel 38, eerste lid, van de Abw
vermeldt dat het
gemeentebestuur bij verordening vaststelt voor welke categorieën
de bijstandsnorm dient te worden verhoogd of verlaagd en op grond
van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt
bepaald.
Het derde lid van artikel 38 van de Abw
geeft aan dat in de
verordening uitsluitend verhogingen en verlagingen worden
vastgesteld als bedoeld in de artikelen 33 tot en met 37 van de
Abw.
Door de raad van verweerders
gemeente
werd, mede gelet op het
bepaalde in artikel 38 van de Abw, bij besluit van 19 december1995
voornoemde verordening vastgesteld. De verordening is op 1
januari 1996 in werking getreden.
Op grond van artikel 4, eerste lid, van de verordening wordt de
norm of toeslag lager vastgesteld indien de
uitkeringsgerechtigden een woning bewonen waaraan geen kosten
verbonden zijn.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de verlaging 20% van
het nettominimumloon bedraagt.
In het derde lid is bepaald dat de verlaging bij voorrang
plaatsvindt op de toeslag.
Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, onder 2, van de
verordening worden, indien een eigen woning wordt bewoond, onder
woonkosten verstaan: de tot een bedrag per maand omgerekende som
van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde
hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de
woning te betalen zakelijke lasten. Daarbij wordt onder zakelijke
lasten verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsaandeel van de
onroerendezaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten en het groot onderhoud.
II.8. De rechtbank is allereerst van oordeel dat een redelijke
wetsuitleg meebrengt dat artikel 35, eerste lid, van de
Abw zo moet
worden gelezen dat burgemeester en wethouders tot de in dit
artikel bedoelde verlaging van de bijstandsnorm
of de toeslag bevoegd zijn, voor zover de belanghebbende lagere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
bijstandsnorm of toeslag voorziet, als gevolg van een bewoning van
een woning waaraan voor de belanghebbende geen woonkosten zijn
verbonden. In dat geval zijn de noodzakelijke kosten van het
bestaan voor de belanghebbende immers lager dan wanneer de
woonkosten wel te zijner of harer laste zouden komen.
Volgens deze uitleg zou voor verlaging van de uitkering van
eiseres aanleiding kunnen zijn indien aan de bewoning van de
woning van eiseres weliswaar woonkosten verbonden zijn, maar deze
volledig voor rekening van haar ex-echtgenoot komen.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, waar in de tekst
van artikel 4 van de verordening wordt gesproken over
"kosten", in ieder geval ook woonkosten dienen te worden
verstaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d,
onder 2, van de verordening.
De rechtbank is voorts van oordeel dat ingevolge laatstgenoemde
bepaling zowel de ten behoeve van de financiering van de woning
verschuldigde hypotheekrente als de in verband met het in eigendom
hebben van de woning te betalen zakelijke lasten als woonkosten
dienen te worden beschouwd. Gelet hierop kan de rechtbank zich
niet verenigen met het standpunt van verweerder dat er eerst dan
sprake is van woonkosten als én de hypotheekrente én de
zakelijke lasten én het groot onderhoud ten laste van eiseres
komen.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank
de beroepen gegrond,
nu de bestreden besluiten berusten op een onjuiste uitleg van het
bepaalde in artikel 4, eerste lid, juncto artikel 1, tweede lid,
aanhef en onder d, onder 2, van de verordening. De bestreden
besluiten dienen te worden vernietigd en verweerder zal bij het
nemen van nieuwe besluiten een nader onderzoek dienen in te
stellen naar de vraag of en in hoeverre eiseres ter zake van de
bewoning van haar woning zakelijke lasten verschuldigd is als
bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, onder 2, van de
verordening. In verband met het door verweerder in het
verweerschrift van 22 september 1998 gestelde voegt de rechtbank
hieraan toe dat het bij de beantwoording van de zojuist bedoelde
vraag aankomt op de lasten die eiseres feitelijk in verband met de
bewoning van haar woning moet voldoen.
Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met
toepassing van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beide
samenhangende beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft
moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft in de eerste plaats betrekking
op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld met
inachtneming van het bepaalde in artikel 3 van het
Besluit proceskosten bestuursrecht en overeenkomstig het tarief,
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
a, van laatstgenoemd besluit.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte
proceshandelingen 2 punten met een waarde van ƒ710,-
toe voor de indiening van de beide beroepschriften en 1 punt met
een
waarde van ƒ710,-
voor het verschijnen ter zitting en bepaalt het
gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het
geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt
derhalve 3 x ƒ710,-
x 1 = ƒ2130,-.
De proceskostenveroordeling heeft voorts betrekking op de
reiskosten van eiseres wegens het bijwonen van de zitting. Het
bedrag daarvan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel
2, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit
proceskosten bestuursrecht en
artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in
strafzaken door de rechtbank vastgesteld op
ƒ12,88, zijnde de
reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.
Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend
krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de
kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de
Awb
te worden
betaald aan de griffier van deze rechtbank.
Op grond van het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74 en
8:75
van de Awb
wordt als volgt beslist.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden
besluiten van 28 april 1997 en 20 mei 1998;
2. draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de
bezwaarschriften van 24 februari 1997 en van 22 september 1997 met
inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiseres de door haar betaalde griffierechten
ten bedrage van ƒ110,-
worden vergoed door de gemeente
Valkenburg aan de Geul;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij
de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op
ƒ2142,88
(waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand ƒ2130,-), te
betalen door de gemeente Valkenburg aan de Geul aan de griffier
van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.
Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. M.M.P.
Driessen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 juli
1998 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde
griffier.
w.g. M. Driessen
w.g. R.E. Bakker
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op: 21 januari 1999.
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze
uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes
weken. Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een
belanghebbende tevens de mogelijkheid open om de Voorzitter van de
Centrale Raad van Beroep te adiëren met het verzoek tot het
treffen van een voorlopige voorziening.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA3503 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
97/2023
NABW Z BIM |
| Datum
uitspraak: |
15
maart 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
42,
51, 52 en 54
Abw (= 31,
34, 34
en 34 Wwb) |
| Trefwoorden: |
vermogen
bij aanvang bijstand; pensioengelden; aanspraak op vermogen;
oververmogen; interen |
| Essentie: |
Terecht
zijn (na ontslag ineens uit te keren) pensioengelden - bekend
bij aanvang van de bijstand, maar eerst acht maanden nadien
ontvangen - opgeteld bij het bij aanvang van de bijstand
aanwezige vermogen, zodat diende te worden ingeteerd op
oververmogen. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Maastricht 97/2023 NABW Z BIM
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Heerlen,
gevestigd te Heerlen, verweerder.
Datum van het bestreden besluit: 8 juli 1997, kenmerk: 01.21/4684/B96264MT.
Datum zitting: 10 februari 1999.
I. Ontstaan en loop van
het geding
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 8 juli 1997
heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser d.d. 4 december 1996
gericht tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag voor een
bijstandsuitkering alsmede tegen het besluit van 12 december 1996,
waarbij zijn aanvraag is afgewezen, gegrond verklaard in die zin dat
zijn vermogen is bepaald op [ƒ16.588,-,
red.] en voor het overige ongegrond.
Voorts is hem met ingang van 15 december 1996 een bijstandsuitkering
toegekend naar de voor hem geldende norm. Eiser heeft tegen dit besluit
beroep ingesteld. Blijkens hetgeen door hem in beroep is gesteld, kan
hij zich niet met dit besluit verenigen. De door verweerder ter
uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht
(verder:
Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan
eiser gezonden. De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en
ingelast beschouwd. De tijdens de loop van het geding aan het dossier
toegevoegde stukken zijn aan partijen gezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank
op 10 februari
1999.
Eiser is met kennisgeving niet verschenen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevr. I.M.T.
Timmermans.
II. Beoordeling
In deze staat vast dat eiser begin augustus 1996 vanuit Zwitserland naar
Nederland is teruggekeerd, nadat zijn huwelijk was stukgelopen. Het
echtscheidingsvonnis is door de Zwitserse rechter op 5 maart 1997
uitgesproken.
Eiser heeft op 28 augustus 1996 een aanvraag voor een bijstandsuitkering
ingediend.
Partijen zijn het erover eens dat het bedrag van ƒ6500,-
waarvoor hij
zijn auto heeft verkocht, tot zijn vermogen per 28 augustus 1996, de
datum aanvraag, moet worden gerekend.
Het staat voorts vast dat eiser in mei 1997 de beschikking heeft
gekregen over ƒ10.088,- aan pensioengelden, die hem in verband met
zijn echtscheiding zijn toegekend.
Vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag heeft eiser op
4 december 1996 een bezwaarschrift ingediend alsmede een voorlopige
voorziening voor deze rechtbank aanhangig gemaakt.
Verweerder heeft op 12 december 1996 negatief beslist op de aanvraag van
eiser vanwege overschrijding van het vrij te laten vermogen, het
ontbreken van voldoende stukken en een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
De president van deze rechtbank heeft eiser bij wijze van voorlopige
voorziening d.d. 20 december 1996 onder meer voorschotten in de vorm van
een geldlening ter hoogte van 80% van de voor hem geldende bijstandsnorm
toegekend.
Eiser heeft tegen het voor hem negatieve besluit van 12 december 1996
bezwaar aangetekend. Hij heeft zijn bezwaar op 22 januari 1997 en 24 mei
1997 nader onderbouwd, waarna hij heeft afgezien van een hoorzitting.
Verweerder heeft daarop het bestreden besluit genomen, waartegen eiser
gemotiveerd beroep heeft ingesteld.
Verweerder hanteert in het bestreden besluit één peildatum, namelijk 28
augustus 1996, de datum van de aanvraag, en stelt zich op het standpunt
dat beide vermogensbestanddelen, de waarde van de auto en de
pensioengelden, op die datum tot het vermogen, groot [ƒ16.588,-,
red.] behoren. Van dit
vermogen geldt ƒ9300,- als het vrij te laten vermogen, wat inhoudt dat
eiser het overige, te weten ƒ7288,-, dient in te teren alvorens hij
in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. Dit laatste is het geval
op 15 december 1996.
Eiser stelt daarentegen in beroep dat zijn vermogen op twee data dient
te worden gepeild, namelijk op de datum van de aanvraag (28 augustus 1996) en
per (1) mei 1997, de datum waarop hij feitelijk over zijn pensioengelden
beschikte.
Eiser stelt dat hem per datum aanvraag een bijstandsuitkering had moeten
worden toegekend, omdat zijn vermogen (ƒ6500,-, de waarde van de
auto) op dat moment lager was dan het vrij te laten bedrag van ƒ19.300,-.
Voorts stelt hij dat het verschil tussen de bijstandsuitkering (ƒ1296,42) en de uitkeringsnorm
(ƒ2032,48), te weten
ƒ736,-,
per
maand op zijn vermogen in mindering mag worden gebracht, zodat zijn
vermogen op 1 mei 1997 was geslonken tot ƒ612,-. Per deze laatste
datum nam zijn vermogen door de uitbetaling van zijn pensioengelden met ƒ10.088,- toe, zodat verweerder zijn vermogen toen weer opnieuw had
moeten vaststellen. Het vrij te laten vermogen werd op dat moment met ƒ1400,- overschreden, hetgeen betekent dat hij mogelijk alleen over mei
1997 geen recht op bijstand had.
Verweerder heeft bij verweerschrift gesteld dat het niet juist zou zijn
dat iemand die op verschillende achtereenvolgende tijdstippen over
vermogen beschikt in de tussentijd op dat vermogen mag interen en dus
steeds over het maximale vrijgestelde vermogen beschikt. Als eiser per
datum aanvraag bijstand zou hebben ontvangen, dan zou deze bijstand een
voorlopig karakter hebben gehad, omdat de omvang van de pensioengelden
op die datum een onzekere factor was. Op het moment dat hij over die
gelden beschikt, zou verrekening hebben plaatsgevonden en zou hij ook
per 15 december 1996 recht op bijstand hebben gehad. Bij het bestreden
besluit is alles achteraf in een keer meegenomen met uiteindelijk
hetzelfde resultaat.
Deze stellingen zijn ter zitting aangevuld door te verwijzen naar de memorie van
toelichting bij artikel 51, waarin, kort samengevat, wordt
gesteld dat een aanspraak op vermogen, die bestaat bij de beoordeling
van de aanvraag, terwijl men er feitelijk niet over kan beschikken, als
op dat moment aanwezig vermogen dient te worden beschouwd.
De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of
verweerder terecht en
op goede gronden het vermogen van eiser per datum aanvraag heeft
vastgesteld op ƒ16.588,-.
Partijen verschillen op de eerste plaats van mening over de vraag of het
vermogen van eiser aan de hand van één peildatum, te weten 28 augustus
1996, dient te worden vastgesteld of aan de hand van twee peildata, namelijk
28 augustus 1996 en 1 mei 1997.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw
heeft iedere Nederlander die hier
te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat
hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Onder middelen verstaat de wetgever in artikel 42 van de
Abw
alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin
beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
De rechtbank is van oordeel dat de pensioengelden die
in deze zaak
centraal staan vermogensbestanddelen zijn in de zin van artikel 42 van
de Abw
(zie CRvB 9 december 1997, JABW 1998/31).
Onder vermogen verstaat de wetgever in artikel 51,
eerste lid, van de Abw:
a. de waarde van bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij
aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan
beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden;
b. de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen die worden
ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan,
voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel
47.
In artikel 52, eerste lid, van de Abw
is bepaald wat niet als vermogen in
aanmerking wordt genomen: b. het bij de aanvang van de bijstand
aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijke
vermogensgrens, genoemd in artikel 54; c. vermogen ontvangen tijdens de
periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het
bij de aanvraag om bijstand aanwezige vermogen minder bedroeg dan de
toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel
54; (...).
Eiser had blijkens het overzicht van de Pensionskasse der Stadt Aarau d.d.
17 april 1997 vanaf 31 juli 1996, de datum waarop hij uit de
pensioenvoorziening trad wegens beëindiging van zijn werkkring, een
aanspraak op de door hem opgebouwde pensioenrechten. Gegeven is daarmee
dat hij op de datum aanvraag, 28 augustus 1996, aanspraak had op
pensioengelden.
In de memorie van toelichting (verder: MvT) bij artikel 51 van de
Abw
(Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 52) staat dat het
uitgangspunt ten aanzien van de vaststelling van de omvang van iemands
vermogen is dat het tijdstip waarop middelen feitelijk worden ontvangen
niet van invloed dient te zijn op het recht op bijstand en dat daarom
volgens de Abw
wordt gehandeld alsof deze middelen al aanwezig waren bij
de aanvang van de bijstand. Het bij de aanvraag beschikbare vermogen,
het tijdens de bijstandsperiode ontvangen vermogen, alsmede het vermogen
waarop bij de aanvraag wel een aanspraak bestond, maar waarover
feitelijk nog niet kon worden beschikt, worden volgens de MvT alle
beoordeeld als waren zij reeds aanwezig ten tijde van de
bijstandsaanvraag.
In het geval van eiser bestond op het moment van de aanvraag aanspraak op
pensioengelden, terwijl hij daarover feitelijk nog niet beschikte c.q.
kon beschikken. Uitbetaling vond immers pas plaats in mei 1997. Omdat
blijkens de MvT voor de vaststelling van de omvang van het vermogen van
de aanvrager enkel bepalend is of er een aanspraak bestaat op het moment
van de aanvraag en eiser op dat moment een dergelijke aanspraak had,
heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank
de pensioengelden,
welke som ten tijde van het bestreden besluit inmiddels bekend was,
terecht betrokken bij de vaststelling van de omvang van het vermogen op
de datum aanvraag. Eisers grief op dit punt slaagt niet.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de stelling van eiser
ter zake het
interen op zijn vermogen in de periode tussen de datum aanvraag en de
datum waarop hij over de pensioengelden kon beschikken onjuist is.
Vermogensbestanddelen die tijdens de periode van bijstandverlening
worden verworven en die niet onder de vrijlatingen van artikel 52 van de
Abw
vallen, zoals in dit geval, zijn van invloed op het vermogenssaldo,
zoals dat in de vermogensstaffel wordt weergegeven. Deze nieuwe
vermogensbestanddelen worden opgeteld bij het reeds aanwezige vermogen.
Het aanvangsvermogen blijft dus steeds in zijn geheel onderdeel van die
vermogensstaffel, waarbij van intering geen sprake is. Ook deze grief
baat eiser daarom niet.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de
Awb
wordt als volgt
beslist.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. G.J. Haack in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier
en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 1999 door mr. Haack
voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. C. Schrammen
w.g. G.J. Haack
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden: 15 maart 1999.
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak
het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een
belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid
open om de Voorzitter van de Centrale Raad van Beroep te adiëren met
een verzoek ex artikel 8:81 van de Awb.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3508 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Zutphen |
| Zaaknummer: |
98/756
ABW |
| Datum
uitspraak: |
9
maart 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
4,
9, 10, 17
en 48
Abw (= 4,
13, 12, 15
en 33 Wwb)
/ 3:2, 3:46
en 7:12 Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; reiskosten; voorliggende voorziening;
basistoelage WTS; WTOS; inkomsten; alleenstaande; ten laste
komend kind; garantietoeslag voormalig eenoudergezin;
alleenstaande ouder |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten van een
schoolgaand, inwonend, meerderjarig kind wegens voorliggende
voorziening (WTS) nu de noodzaak van die kosten en van de
bijzonderebijstandverlening niet is onderzocht? De
WTS-basistoelage wordt terecht als zijnde inkomsten ingehouden
op de gezinsbijstand, bestaande uit de alleenstaandennorm plus
garantietoeslag voormalig eenoudergezin. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Zutphen
98/756
ABW
U I T S P R
A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 7 juli 1998.
2. Feiten
Eiseres ontvangt van verweerder een bijstandsuitkering naar de
norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20% [van
de gehuwdennorm, red.],
alsmede een "garantietoeslag voormalige alleenstaande
ouder". Deze laatste toeslag is toegekend omdat de inwonende
zoon van eiseres sedert 23 februari 1996 ouder is dan 18 jaar en
eiseres daardoor geen recht meer heeft op bijstand naar de norm
voor een alleenstaande ouder.
De garantietoeslag is gebaseerd op gemeentelijk beleid, dat tot
doel heeft de (voormalige) alleenstaande ouder en diens nog
inwonende meerderjarig geworden kind een gezamenlijk inkomen te
garanderen tot de bijstandsnorm voor gehuwden. Bij de bepaling van
de hoogte van de toeslag wordt het eventuele eigen inkomen van het
kind in aanmerking genomen. In het geval van eiseres heeft
verweerder als inkomen van haar zoon in aanmerking genomen diens
basistoelage ingevolge de Wet
tegemoetkoming studiekosten (WTS)
ten bedrage van ƒ176,25 per maand. Het totaal van de
bijstandsuitkering van eiseres (inclusief de toeslagen) en de
basistoelage van haar zoon komt aldus overeen met de bijstandsnorm
voor gehuwden.
Op 6 oktober 1997 heeft eiseres een aanvraag ingediend om bijstand
voor de reiskosten van haar zoon in verband met het volgen van
onderwijs (HAVO) in Apeldoorn. Zij heeft aangegeven dat deze
kosten ƒ237,- per maand bedragen en dat de tegemoetkoming voor
"overige studiekosten" van ƒ65,58 per maand - die haar
zoon ontvangt naast de basistoelage en de cursusgeldvergoeding -
dus niet toereikend is, te meer nu daaruit de leermiddelen moeten
worden bekostigd.
Bij besluit van 3 februari 1998 heeft verweerder hierop afwijzend
beslist onder de overweging dat "uw zoon ouder dan 18 jaar is
en in deze de WTS als voorliggende voorziening wordt aangemerkt
waarbij geen bijzondere bijstand mogelijk is".
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Zij heeft hierbij
gesteld dat ofwel bijzondere bijstand voor de reiskosten moet
worden toegekend, ofwel de
basistoelage van haar zoon niet bij de
berekening van haar uitkering in aanmerking moet worden genomen,
zodat deze basistoelage kan worden aangewend voor de reiskosten.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het
bezwaarschrift ongegrond verklaard.
3. Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld op de in het aanvullend
beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak
betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift
ingediend. Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd en daarna
haar zienswijze nogmaals schriftelijk uiteengezet.
Het beroep is behandeld ter zitting van 26 januari 1999, waar
eiseres in persoon is verschenen.
Verweerder zich heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.
Roesink en P.H.G.M. Buiting.
4. Gronden
De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder het
bezwaarschrift van eiseres terecht ongegrond heeft verklaard, voor
zover dat was gericht tegen de weigering om de uitkering van
eiseres aan te passen in verband met de reiskosten van haar zoon.
Nog daargelaten dat de aanvraag niet specifiek was gericht op
zodanige aanpassing, is de rechtbank van oordeel dat de uitkering
correct is opgebouwd en berekend, gelet op verweerders uitvoerige
uiteenzetting daaromtrent in het bestreden besluit.
De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder eiseres terecht heeft
aangemerkt als een alleenstaande, gelet op de definitie van dat
begrip in artikel 4, onderdeel a, van de
Algemene bijstandswet (Abw),
welke definitie als volgt luidt: de ongehuwde die geen tot zijn
last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert
met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste
graad. Ingevolge artikel 4, onderdeel e, wordt verstaan onder ten
laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de
alleenstaande ouder of
de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.
Omdat de zoon van eiseres ouder is dan 18 jaar, is hij dus niet
een "ten laste komend kind" in de zin van de Abw.
Hieraan kan niet afdoen dat eiseres nog een civielrechtelijke
onderhoudsplicht heeft jegens haar zoon en evenmin dat zij in
tariefgroep IV van de inkomstenbelasting valt. Ook hetgeen eiseres
in dit verband verder nog naar voren heeft gebracht, kan er niet
toe leiden dat de rechtbank voorbij zou moeten gaan aan het
bepaalde in artikel 4 van de Abw.
Voorts merkt de rechtbank op dat het gemeentelijke beleid inzake
de garantietoeslag, zoals hiervoor in rubriek 2 weergegeven,
alleszins redelijk en aanvaardbaar is te achten. Gelet op de
cijfermatige gegevens als vermeld in het bestreden besluit, heeft
verweerder dit beleid bij de bijstandverlening aan eiseres op
correcte wijze toegepast.
De rechtbank acht het daarbij juist dat verweerder de
basistoelage
in aanmerking heeft genomen als inkomen van de zoon van eiseres.
Dit strookt ook - anders dan eiseres meent - met het bepaalde in
artikel 48, derde lid, van de Abw. De rechtbank heeft eiseres in
dit verband overigens niet kunnen volgen in haar stelling dat haar
zoon niet onder hoofdstuk III van de WTS valt. Hoofdstuk III van
de WTS luidt: "Studerenden van 18 jaren tot 27 jaren die
volledig onderwijs volgen" en uit artikel 22 WTS blijkt dat
tot dat onderwijs ook de HAVO-opleiding behoort.
Ten aanzien van de gevraagde bijzondere bijstand voor de
reiskosten in verband met het volgen van onderwijs in Apeldoorn
stelt de rechtbank voorop dat eiseres daarvoor niet in aanmerking
kan komen, aangezien haar zoon ouder dan 18 jaar is en in beginsel
behoort tot de kring van rechthebbenden op bijstand. Strikt
genomen had de zoon de aanvraag zelf moeten indienen dan wel zijn
moeder moeten machtigen de aanvraag namens hem in te dienen.
Verweerder heeft evenwel nagelaten eiseres daarop te attenderen en
de aanvraag gewoon in behandeling genomen zonder naar een
machtiging te vragen. Voorts heeft eiseres op het
aanvraagformulier vermeld dat de bijstand voor reiskosten naar de
bankrekening van haar zoon zou moeten worden overgemaakt. Onder
deze omstandigheden dient de aanvraag naar het oordeel van de rechtbank
te worden aangemerkt als een aanvraag om bijzondere
bijstand ten behoeve van de zoon. De rechtbank gaat ervan uit dat
deze ermee heeft ingestemd dat zijn moeder bijstand voor hem zou
aanvragen.
Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag gemotiveerd met de
overweging dat de WTS in het onderhavige geval als een
voorliggende voorziening wordt aangemerkt en daarom geen
bijzondere bijstand mogelijk is. Bij het bestreden besluit heeft
verweerder deze motivering gehandhaafd. Ter zitting is gesteld dat
de afwijzing mede is ingegeven door het bepaalde in de artikelen 9
en 10 van de Abw.
In artikel 9, tweede lid, aanhef en onder
b, Abw
is bepaald - voor
zover hier van belang - dat geen recht op algemene bijstand heeft
degene die onderwijs volgt als bedoeld in hoofdstuk III van de WTS.
In artikel 10 Abw
is bepaald dat een persoon van 18, 19 of 20 jaar
slechts recht heeft op bijzondere bijstand voor zover zijn
noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de
toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep
kan doen op zijn ouders, omdat: a. de middelen van de ouders
daartoe niet toereikend zijn; of b. hij redelijkerwijs zijn
onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de
Abw
bestaat geen recht op
bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een
voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt
geacht voor de betrokkene toereikend en passend te zijn.
Ter zitting heeft verweerder erkend dat de tegemoetkoming voor
studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de WTS niet geacht kan
worden toereikend te zijn indien de betrokken thuiswonende student
onderwijs volgt in een andere gemeente en in verband daarmee
kosten moet maken voor interlokaal reizen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit niet
op een deugdelijke motivering berust en niet met de vereiste
zorgvuldigheid is voorbereid.
Verweerder had - zoals ter zitting eveneens is erkend - moeten
nagaan of de onderhavige reiskosten noodzakelijk zijn te achten,
hetgeen zich toespitst op de vraag naar de noodzaak van het volgen
van de HAVO-opleiding voor volwassenen te Apeldoorn in plaats van
een HAVO-opleiding dichter bij huis. Vervolgens had verweerder
moeten nagaan of wordt voldaan aan de in artikel 10 van de
Abw
vermelde voorwaarden voor toekenning van bijzondere bijstand,
omdat de zoon van eiseres ten tijde van de aanvraag 19 jaar was.
Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven en
verweerder zal opnieuw dienen te beslissen met inachtneming van
deze uitspraak. De rechtbank acht het aangewezen daarvoor een
termijn van zes weken te stellen.
Voorts dient verweerder te worden veroordeeld in proceskosten van
eiseres, aangezien een voorlopig beroepschrift is ingediend door
een advocaat, die zich later heeft teruggetrokken. De rechtbank
kent 1 punt toe met een wegingsfactor 0,5.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming
van deze uitspraak en binnen zes weken na de verzenddatum;
- gelast de gemeente Zutphen het door eiseres betaalde
griffierecht van
ƒ55,- te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een
bedrag van
ƒ355,-, te betalen door de gemeente Zutphen.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 1999
in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wet BMT / Awb |
x
LJN: |
x
AA3543 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Roermond |
| Zaaknummer: |
98/407
NABW K2 |
| Datum
uitspraak: |
30
december 1998 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
82
Abw (= 58
Wwb) /
XVI
Wet BMT /
1:3
en 8:73 Awb |
| Trefwoorden: |
vermogen
bij aanvang bijstand; aanspraak op vermogen na echtscheiding;
overvemogen; interen; beëindiging bijstand; terugvordering;
vordering wettelijke rente |
| Essentie: |
Ten
onrechte is de schriftelijke mededeling van toekomstige
terugvordering van bijstand wegens toekomstig (over)vermogen na
echtscheiding aangemerkt als terugvorderingsbesluit. Een verzoek
om vergoeding van de wettelijke rente over nabetaalde bijstand
levert een appellabel besluit op. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer
Rechtbank
Roermond
98/407
NABW K2
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasbracht,
te Maasbracht, verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 23 maart
1998, kenmerk SWO/MaG/B 22.
Datum van terechtzitting: 9 december 1998.
I.
Ontstaan en loop van het geding
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft
verweerder het bezwaar van eiseres tegen een besluit waarbij de haar
toegekende bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 1997 is beëindigd
en waarbij de betaalde bijstand over de periode van 10 januari 1996 tot
1 juli 1997 is teruggevorderd, niet-ontvankelijk verklaard voor zover
het betreft de terugvordering en ongegrond voor zover het betreft de beëindiging.
Tegen dit besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in
afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank
op 9 december 1998,
waar eiseres in persoon is verschenen en bijgestaan door mr. B. de
Leeuw, en waar verweerder - opgeroepen bij gemachtigde te verschijnen -
zich heeft doen vertegenwoordigen door G.G.J. Maat, ambtenaar van de
afdeling Sociale Zaken, Welzijn en Onderwijs van verweerders
gemeente.
II. Overwegingen
Eiseres heeft zich op 10 januari 1996 tot verweerders sociale dienst
gewend met het verzoek in aanmerking te worden gebracht voor bijstand
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter voorziening in de kosten
van levensonderhoud voor haar zelf en haar kind. Zij heeft daarbij
aangegeven aanspraak te maken op bijstand in verband met echtscheiding.
Bij besluit van 21 maart 1996 is aan eiseres met ingang van de datum van
de aanvraag bijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder
(met een toeslag van 4%). Bij dat besluit is het vermogen van eiseres
bij de aanvang van de bijstandverlening vastgesteld op nihil, in
afwachting van de scheiding en deling van de
huwelijksgoederengemeenschap. Bij dat besluit heeft verweerder voorts
onder meer nog meegedeeld dat op grond van artikel 82 van de
Abw de
gemaakte en te maken kosten van bijstand worden teruggevorderd indien en
voor zover de opbrengst van de scheiding en deling van de
huwelijksgoederengemeenschap, vermeerderd met het vermogen van eiseres
op het moment van aanvang van de bijstandverlening, het bedrag van het
vrij te laten vermogen te boven gaat.
Op het inkomstenformulier over april 1997 geeft eiseres kennelijk aan
dat zij een bedrag van ƒ3000,- heeft ontvangen aan alimentatie en dat
haar vermogen is gestegen met een bedrag van ƒ16.500,- wegens
boedeldeling. In het kader van het daaropvolgende heronderzoek blijkt
dat de woning waar eiseres voorheen met haar ex-echtgenoot heeft gewoond
bij verkoop een over de echtelieden te verdelen bedrag heeft opgeleverd
van ƒ104.392,77. Uit het ter zake opgemaakte rapport blijkt dat eiseres
een bedrag van ƒ16.500,- heeft ontvangen en dat de rest van de haar
toekomende ƒ52.196,39 is aangewend om een schuld aan haar moeder te
vereffenen. Die schuld is ontstaan tijdens een periode van inwoning; de
moeder van eiseres heeft in de bij de woning van eiseres en haar
echtgenoot behorende garage gewoond en de verbouwing van die garage tot
woning is door de moeder betaald. Van die schuld zijn geen bewijsstukken
voorhanden en eiseres heeft ten tijde van de aanvraag die schuld niet
vermeld.
Bij besluit van 25 juli 1997 deelt verweerder eiseres mee dat haar
bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 1997 is beëindigd in verband
met het feit dat zij door de opbrengst van de scheiding en deling van de
huwelijksgoederengemeenschap over voldoende middelen kan beschikken ter
voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Voorts deelt verweerder mee dat op grond van artikel 82 van de
Abw
de
gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van ƒ26.285,82 van eiseres
worden teruggevorderd.
Namens eiseres wordt een - ongemotiveerd - bezwaarschrift ingediend en
eerst ter hoorzitting op 11 december 1997 wordt aangevoerd op welke
gronden bezwaar wordt gemaakt. Eiseres doet aanvoeren dat zij zich niet
kan verenigen met de wijze waarop het aan haar toe te rekenen vermogen
is berekend en evenmin met de terugvordering. In de visie van eiseres
bestaat er geen rechtsgrond om een bedrag van ƒ26.285,82 terug te
vorderen. Indien en voor zover het vermogen de grens van het vrij te
laten vermogen overschrijdt, kan dit alleen gevolgen hebben voor de
verlening van bijstand in de toekomst.
Met betrekking tot de vermogensberekening brengt eiseres naar voren dat
de schuld aan haar moeder zowel moeders aandeel in de aflossing van de
hypotheek als moeders financiering van de verbouwing omvatte. Zij legt
een verklaring over waarin de moeder van eiseres verklaart van 1
oktober 1991 tot en met 5 augustus 1996 in de garage achter de
echtelijke woning te hebben gewoond en in die periode te hebben
meebetaald aan de aflossing van de hypotheek, alsmede het bewoonbaar
maken van de garage te hebben bekostigd. Moeder stelt dat zij zowel het
geld voor het bewoonbaar maken van de garage als het meebetalen aan de
hypotheek terug wilde hebben bij de verkoop van de woning. Eiseres heeft
zich verplicht gevoeld voornoemde uitgaven van haar moeder terug te
betalen uit de verkoopopbrengst van het huis; deze verplichting bestaat
ook voor haar ex-echtgenoot.
Uit overgelegde afschriften van bankrekeningen blijkt dat het bedrag van
ƒ52.196,39 door de notaris op 15 april 1997 aan de moeder van eiseres
is overgemaakt en dat de moeder vervolgens op 17 april 1997 ƒ16.500,-
heeft overgemaakt naar eiseres. Desgevraagd wordt aangegeven dat niet
kan worden aangetoond hoe het door eiseres gehanteerde schuldsaldo
precies is berekend. Eiseres is van mening dat verweerder ten onrechte
haar vermogen op een bedrag van ƒ52.196,39 heeft vastgesteld in plaats
van op ƒ16.500,-.
Voorts voert eiseres aan dat er, aangezien zij het verkrijgen van
vermogen betwist, voor de terugvordering geen rechtsgrond bestaat.
Verweerder doet naar voren brengen dat niet kan worden geconcludeerd dat
er een schuld zou bestaan van eiseres aan haar moeder ten bedrage van ƒ35.696,39.
Het uitbrengen van advies door de bezwaarschriftencommissie wordt
vervolgens aangehouden teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen
bewijsstukken aan te leveren die het bestaan van de schuld aan haar
moeder kunnen aantonen.
Bij brief van 19 december 1997 legt de gemachtigde van eiseres in
afschrift een bladzijde uit een taxatierapport over waarin is
beschreven dat de garage verwarmd is en voorzien van een keukenblok,
badkamer met ligbad en toilet.
Op 21 januari 1998 adviseert de bezwaarschriftencommissie het bezwaar
voor zover het is gericht tegen de terugvordering niet-ontvankelijk te
verklaren, op grond van de overweging dat de terugvordering is gebaseerd
op het terugvorderingsbesluit van 21 maart 1996. Voorts adviseert de
commissie het bezwaar voor zover het is gericht tegen de beëindiging
van de bijstandsuitkering ongegrond te verklaren, op grond van de
overweging dat niet is gebleken van het ontstaan en bestaan van een
schuld van eiseres aan haar moeder. Dienovereenkomstig heeft verweerder
besloten.
In beroep wordt betwist dat de terugvordering is gebaseerd op de
beschikking van 21 maart 1996 en wordt aangevoerd dat bij besluit van 25
juli 1997 voor het eerst het bedrag van ƒ26.285,82 wordt genoemd. Van
de zijde van eiseres wordt gesteld dat, nu het in bezwaar aangevochten
besluit is genomen na 1 juli 1997, de competentie ter zake van het
terugvorderingsbesluit bij de bestuursrechter is gelegen.
Voorts wordt aangevoerd dat de moeder van eiseres bijna vijf jaar lang
een maandelijkse bijdrage heeft geleverd van ƒ250,- in de aflossing van
de woning en dat de moeder de verbouwing van de garage heeft betaald,
maar dat daar geen bewijsstukken meer van voorhanden zijn. Destijds was
er geen aanleiding één en ander schriftelijk vast te leggen.
Eiseres heeft er bij de aanvraag van de uitkering niet aan gedacht de
schuld aan haar moeder op te geven, omdat zij de vordering van haar
moeder niet als schuld heeft ervaren; zij zag het als een bedrag dat
automatisch verrekend zou worden met de overwaarde van het huis.
In het verweerschrift geeft verweerder aan zich op het standpunt te
stellen dat bij beschikking van 21 maart 1996 het oorspronkelijke
besluit tot terugvordering is genomen en dat bij de beschikking van 25
juli 1997 slechts nader invulling van het oorspronkelijke
terugvorderingsbesluit wordt gegeven door een specificatie. Wat de beëindiging
van de uitkering betreft, herhaalt verweerder in het verweerschrift dat
eiseres nimmer melding heeft gemaakt van de schuld en dat uit geen enkel
bewijsstuk blijkt van die schuld.
De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is
met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen
rechtsbeginsel.
Daartoe wordt, voor zover eiseres niet-ontvankelijk is verklaard in haar
bezwaar, overwogen als volgt. Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale verzekering (hierna: de Wet
BMT) in werking getreden voor de Abw. De Wet
BMT heeft wijzigingen
gebracht in het regime van terugvordering, invordering, boeten en
maatregelen van de Abw. Het ingang van 1 juli 1997 is het toetsen van de
terugvordering van bijstandsuitkeringen een bestuursrechtelijke
aangelegenheid, waarbij de toetsing volgens de voor terugvordering
geldende bestuursrechtelijke regels plaatsvindt.
Terugvorderingsbesluiten afgegeven ná 1 juli 1997 behoren vanaf die
datum tot de competentie van de bestuursrechter. Artikel XVI van de
Wet BMT
is een overgangsbepaling, waarbij in het eerste lid is bepaald, voor
zover hier van belang, dat ten aanzien van de (materiële)
bevoegdheid tot terugvordering van hetgeen vóór 1 juli 1997
onverschuldigd is betaald door het in werking treden van de Wet BMT geen wijziging wordt gebracht. In het tweede lid van
artikel XVI van de
Wet BMT
is bepaald dat ten aanzien van besluiten tot weigering,
terugvordering of verrekening die vóór de datum van inwerkingtreding
van deze wet zijn bekendgemaakt het recht zoals dat vóór die datum gold
van toepassing blijft. Deze bepaling is geschreven voor het scheppen van
duidelijkheid in toepasselijkheid van oud of nieuw procesrecht en om te
voorkomen dat er (te lang) onduidelijkheid in de in te roepen
rechtsbescherming bestaat. Indien en voor zover er sprake is van een ten
aanzien van eiseres genomen terugvorderingsbesluit van vóór 1 juli
1997 blijft derhalve op grond van artikel XVI, tweede lid, van de
Wet BMT
het oude recht - en de oude procedure - op die terugvordering van
toepassing.
De rechtbank ziet zich derhalve geplaatst voor beantwoording van de
vraag of verweerders toekenningsbesluit van 21 maart 1996 - mede - is aan
te merken als een besluit met betrekking tot terugvordering als bedoeld
in artikel XVI, tweede lid, van de
Wet BMT.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat met het toekenningsbesluit
van 21 maart 1996 ook een beslissing is genomen ten aanzien van
terugvordering van bijstand, indien en voor zover de opbrengst van de
scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap daartoe
aanleiding geeft.
De rechtbank volgt verweerder daarin niet. De beslissing van 21 maart
1996 kan, voor zover het betreft de mededeling over terugvordering, niet
worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel XVI, tweede lid,
van de
Wet BMT
en mitsdien niet als een besluit ter zake waarvan de
oude processuele bepalingen inzake de rechtsgang en de rechtsbescherming
van de bijstandswet, zoals die luidde tot 1 juli 1997, blijven gelden.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor de veronderstelling dat
de wetgever in artikel XVI, tweede lid, van de
Wet BMT
met de term
besluit iets anders bedoeld heeft dan een besluit in de zin van de Awb
en derhalve een besluit dat aan alle daaraan te stellen eisen moet
voldoen.
Voor zover het de terugvordering van bijstand betreft, wordt bij de
beslissing van 21 maart 1996 niet de rechtsbetrekking tussen partijen
volledig en definitief vastgelegd, nu vermelding van een mogelijke
toepassing van het bepaalde in artikel 82 van de
Abw
nog niet wijst op
een als definitief bedoeld oordeel van verweerder omtrent de
toepasselijkheid van dat wettelijk voorschrift in het concrete geval van
eiseres. Vermelding van artikel 82 van de Abw
is geen constituerend
element van die beslissing geweest en in die zin is die vermelding niet
op rechtsgevolg gericht geweest. Op 21 maart 1996 was voorts nog niet
zeker en niet duidelijk of en in hoeverre er toepassing gegeven zou gaan
worden aan het bepaalde in artikel 82 van de Abw.
Verweerder heeft ter zitting van de rechtbank
nog aangegeven dat eiseres
naar aanleiding van het toekenningsbesluit van 21 maart 1996, juist
vanwege de - voorgenomen - toepassing van artikel 82 van de
Abw, is
opgenomen in de debiteurenadministratie. Een dergelijke handeling verleent echter aan de beslissing van 21 maart 1996, voor zover daarbij
is beoogd toepassing te geven aan artikel 82 van de
Abw, nog niet het
karakter van een besluit. Eén en ander doet aan het oordeel van de
rechtbank dan ook niet af.
De rechtbank ziet verweerders toekenningsbesluit van 21 maart 1996 niet
als een besluit waarbij van meet af aan de verleende bijstand als
terugvorderbare bijstand is verleend en waarbij de terugbetaling op
grond van het bepaalde in artikel 82 van de Abw
als een noodzakelijk aan
de verleende bijstand verbonden voorwaarde aan de bijstandverlening is
verbonden.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder ten onrechte het bezwaar van
eiseres voor zover dat is gericht tegen de in het besluit van 25 juli
1997 opgenomen terugvordering niet-ontvankelijk verklaard. In
zoverre is het beroep van eiseres gegrond en dient het bestreden besluit
te worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw hebben te beslissen op het
bezwaar van eiseres tegen de terugvordering van bijstand.
Voor zover het bezwaar van eiseres tegen beëindiging van bijstand per 1
juli 1997 ongegrond is verklaard, overweegt de rechtbank
als volgt.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres per 1 juli 1997 de
beschikking heeft over meer dan het vrij te laten bescheiden vermogen en
heeft op die grond het recht van eiseres op bijstand per 1 juli 1997 beëindigd.
Daarbij gaat verweerder ervan uit dat eiseres geacht moet worden per 1
juli 1997 de beschikking te hebben over een bedrag van (ƒ52.196,39 -
ƒ26.285,82 =)
ƒ25.910,57. Door de vorenstaande uitspraak van de
rechtbank ter zake van de terugvordering van bijstand is echter de
grondslag aan de vermogensvaststelling per 1 juli 1997 komen te
ontvallen. De vermogensvaststelling per 1 juli 1997 is immers niet los
te zien van de uitkomst van verweerders heroverweging ten aanzien van de
toepassing van artikel 82 van de Abw, waarbij
- voorafgaand aan een
eventuele beëindiging - eerst vastgesteld moet worden of, en zo ja, in
hoeverre eiseres naderhand met betrekking tot de periode waarover
bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen beschikt of
kan beschikken.
Het beroep van eiseres komt ook op dit onderdeel voor gegrondverklaring
in aanmerking. Het bestreden besluit wordt ook in zoverre vernietigd en
verweerder zal opnieuw dienen te beslissen op het bezwaar van eiseres.
De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om met toepassing van het
bepaalde in artikel 8:73 van de Awb
een veroordeling uit te spreken tot
vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde
uitkering vanaf 1 juli 1997. Nu niet met zekerheid is te zeggen of het
door verweerder ingevolge deze uitspraak te nemen nieuwe besluit op
bezwaar zal leiden tot een, wat het recht op uitkering betreft, voor
eiseres gunstiger resultaat, en indien zulks het geval is, in welke mate
dat resultaat gunstiger is, kan dat verzoek thans niet worden
gehonoreerd. Mocht echter onderhavige vernietiging inderdaad een
nabetaling van uitkering ten gevolge hebben, dan kan eiseres - indien en
voor zover verweerder dat al niet eigener beweging doet - aan verweerder
verzoeken om de wettelijke rente te vergoeden, welke beslissing op zich
zelf is te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de
Awb.
De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de proceskosten
die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de
behandeling van dit beroep, één en ander overeenkomstig de normen van
het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen
proceshandelingen wordt voor het beroepschrift en het verschijnen ter
zitting van de rechtbank 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak
wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor
1.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te Roermond:
gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70,
8:72, 8:73, 8:74 en
8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van eiseres
met inachtneming van het bij deze uitspraak bepaalde;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op
ƒ1420,- (zijnde de
kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerders gemeente aan de
griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;
bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door deze gestorte
griffierecht volledig vergoedt.
Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken (voorzitter), F.J.C. Huijbers en R.H.
Smits, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 december
1998.
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
verzonden op:
Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het
rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep. De
termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Wet BMT / Awb |
x
LJN: |
x
AA3546 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Roermond |
| Zaaknummer: |
98/556
NABW K1 |
| Datum
uitspraak: |
18
december 1998 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
47,
81
en 82
Abw (= 32,
58 en 58
Wwb)
/ XVI
Wet BMT /
6:22
Awb
|
| Trefwoorden: |
belastingteruggave;
terugvordering bijstand; algemeen noodzakelijke kosten
van het bestaan; reiskosten; sollicitatiekosten;
verwervingskosten |
| Essentie: |
Terechte
terugvordering van bijstand wegens ontvangen belastingteruggave
op grond van kosten die tot de algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan behoren (reis- en sollicitatiekosten ter verkrijging
van arbeid). |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Roermond
98/556
NABW K1
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiseres], wonende te [woonplaats],
eiseres,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, gevestigd te
Nederweert, verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 12 mei 1998,
kenmerk 71390560/97001249.
Datum van terechtzitting: 23 oktober 1998.
I.
Ontstaan en loop van het geding
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft
verweerder het door eiseres ingediende bezwaarschrift, gericht tegen het
eerdere besluit van 30 september 1997 inhoudende terugvordering van
bijstandsuitkering tot een bedrag van
ƒ923,-, ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit is beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering
van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) ingezonden
stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank
op 23 oktober 1998,
alwaar eiseres in persoon is verschenen.
Namens verweerder is verschenen dhr. G.J. Gerits.
II. Overwegingen
Eiseres is sedert 29 maart 1990 in het genot van een uitkering op grond
van de Algemene Bijstandswet (ABW). Deze uitkering is per 1 juni 1996
omgezet in een uitkering ingevolge de nieuwe Algemene bijstandswet
(Abw). Door de Belastingdienst Weert is aan eiseres op 13 juni 1997
toegezonden de aanslag 1996 inkomstenbelasting/premie
volksverzekeringen. Uit deze aanslag blijkt dat eiseres over dat jaar
een bedrag zal terugontvangen van ƒ923,-. Dit bedrag is in juni 1997
betaalbaar gesteld. Nadat deze belastingteruggave bij verweerder bekend
werd, heeft verweerder bij besluit van 30 september 1997 (verzonden op 2
oktober 1997) aan eiseres onder meer het volgende medegedeeld:
"Naar aanleiding van een door ons gehouden onderzoek hebben wij
besloten tot terugvordering over te gaan van bijstand die wij in 1996
aan u hebben verleend. Het gaat hier om een belastingteruggave ad ƒ923,- over het jaar 1996.
Op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel
a en b, van de Abw
kan voornoemd
bedrag worden aangemerkt als inkomsten en zal het bedrag ad ƒ923,- ook
volledig van u worden teruggevorderd.
Wij verzoeken u dan ook de schuld vóór 15 oktober 1997 over te maken
op één van bovenstaande rekeningnummers onder vermelding terugbetaling
Abw. Als u het bedrag niet ineens kunt terugbetalen, dient u met de
afdeling Sociale Zaken een terugbetalingsregeling te treffen."
Tegen dit besluit is door eiseres een bezwaarschrift, gedagtekend 14
oktober 1997, ingediend.
Het bezwaarschrift is behandelend op een hoorzitting van de Commissie bezwaar- en
beroepschriften.
Conform het advies van genoemde commissie heeft verweerder bij het thans
bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres
heeft daartegen aangevoerd dat het betreft een teruggave van
inkomstenbelasting die onder meer verband houdt met reiskosten en
sollicitatiekosten in verband met het verkrijgen van arbeid. Zij
verzoekt "de beslissing van de gemeente
te herzien met bepaling c.q.
te herroepen met bepaling dat de belastingteruggave om voormelde
aangevoerde reden niet hoeft te geschieden alsook binnen de rede van de
wet niet van appellante geëist kan worden genoemd bedrag aan de
gemeente te voldoen".
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden
besluit op bezwaar de rechterlijke toets kan doorstaan.
Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Wettelijk regime
De rechtbank stelt voorop dat
terugvorderingsbesluiten, afgegeven na 1
juli 1997, vanaf die datum tot de competentie van de bestuursrechter
behoren.
Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering
sociale verzekering (hierna: de Wet BMT) in werking getreden voor de
Abw. De Wet
BMT heeft wijzigingen gebracht in het regime van
terugvordering, invordering, boeten en maatregelen van de Abw.
Het eerste lid van artikel XVI van die wet bepaalt,
voor zover hier van
belang, dat ten aanzien van de bevoegdheid tot terugvordering van
hetgeen vóór 1 juli 1997 onverschuldigd is betaald door het in werking
treden van de Wet BMT geen wijziging wordt gebracht. Nu het in casu
gaat om terugvordering van in 1996 betaalde bijstandsuitkering is het
materiële terugvorderingsregime zoals dat is gaan luiden vanaf 1 juli
1997 niet van toepassing. Ter vaststelling van de wel van toepassing
zijnde materiële bepalingen overweegt de rechtbank
het volgende.
Op 1 januari 1996 is de herinrichting van de Algemene Bijstandswet in
werking getreden. Het overgangsrecht met betrekking tot deze
inwerkingtreding is geregeld in de Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200). Nu het hier betreft
terugvordering van in 1996 betaalde bijstandsuitkering is materieel van
toepassing het terugvorderingsregime zoals dat is neergelegd in de Abw
zoals die sedert 1 januari 1996 geldt.
Naar het oordeel van de rechtbank dient in casu
artikel 82 van de Abw,
zoals dat luidde in de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997, en het
daarbij behorende terugvorderingsregime het toetsingskader te vormen.
Die bepaling luidde - voor zover hier van belang - als volgt:
"Kosten van bijstand worden van de belanghebbende teruggevorderd
voor zover: a. hij naderhand met betrekking tot de periode waarover
bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in
hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken; b. (...)."
In het in
hoofdstuk IV, afdeling 3, opgenomen artikel 47, eerste lid, is
- voor zover hier van belang - het navolgende bepaald:
"Onder inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf
1 in
aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, (...), teruggave
van loonbelasting en premies volksverzekeringen, (...); en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt
gedaan."
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat noch uit het primaire besluit, noch uit het
bestreden besluit op bezwaar blijkt welk artikel aan de terugvordering
ten grondslag is gelegd. Slechts artikel 47,
eerste lid, onderdeel a en b, van de Abw
wordt vermeld, doch in deze bepaling is niets over terugvordering
geregeld. Het bestreden besluit berust in zoverre mitsdien op een
gebrekkige motivering. Nu uit de motivering van het bestreden besluit
echter blijkt dat verweerder materieel wél toepassing heeft gegeven aan
de toepasselijke terugvorderingsbepaling en niet aannemelijk is dat
eiseres door het niet vermelden van die bepaling in haar processuele
belangen is geschaad, acht de rechtbank termen aanwezig toepassing te
geven aan artikel 6:22 van de Awb
en de bestreden terugvordering wél
inhoudelijk te toetsen.
De teruggave van inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen, waarvan
in het onderhavige geval sprake is, betreft het jaar 1996.
Eiseres genoot ook toen bijstandsuitkering. Deze teruggave moet, gelet
op het hiervoor geciteerde artikel 47, eerste lid, van de
Abw, worden
aangemerkt als inkomen en evenzeer als voor terugvordering "in
aanmerking te nemen middelen" in de zin van artikel
82, eerste lid,
van de Abw. Hieraan kan niet afdoen hetgeen eiseres heeft aangevoerd.
Met name is niet gebleken dat de onderhavige teruggave van belasting en
premies is geschied op grond van kosten die niet tot de algemeen
noodzakelijke bestaanskosten behoren.
Geconcludeerd moet dan ook worden dat aan de voorwaarden voor
terugvordering als vermeld in artikel 82 van de
Abw
is voldaan.
Verweerder is op grond van die bepaling gehouden tot terugvordering over
te gaan als aan de daarin vermelde voorwaarden is voldaan. De rechtbank
is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat volledige
terugvordering geen rechtsplicht meer is.
De rechtbank merkt nog op dat zij van oordeel is dat in gevallen waarop
de bijzondere terugvorderingsbepaling van artikel 82 van de
Abw
(zoals
dat artikel luidde vóór en na 1 juli 1997) ziet de terugvordering niet
behoeft te worden voorafgegaan door een beslissing tot herziening van
het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht, nu immers de grondslag
van de terugvordering in die bepaling zelf eenduidig is omschreven en
dus ook onderdeel uitmaakt van een op die bepaling gebaseerd
terugvorderingsbesluit.
Zodanig herzieningsbesluit is wél vereist ingevolge de algemene
terugvorderingsbepaling van artikel 81 van de Abw
zoals dat luidt sinds
1 juli 1997, aangezien uit die bepaling volgt dat er pas tot
terugvordering kan worden besloten en overgegaan nadat als gevolg van
een (herzienings)besluit als bedoeld in artikel 14 of
69, derde of
vierde lid, is komen vast te staan dat ten onrechte of tot een te hoog
bedrag bijstand is verleend. Zulks geldt - ingevolge vaste jurisprudentie
van deze rechtbank in navolging van een uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep
d.d. 26 juli 1994, RSV 1995/93 - óók bij de toepassing van
de algemene terugvorderingsbepaling van artikel 81 van de
Abw
zoals dat
artikel luidde van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997, nu immers ook in die
bepaling slechts een algemene - bij herzieningsbesluit nader te duiden -
grondslag voor terugvordering van tot een te hoog bedrag of ten onrechte
verleende bijstand was opgenomen. Gelet op het vorenoverwogene dient het
beroep ongegrond te worden verklaard.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te Roermond:
gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de
Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. R.H. Smits, in tegenwoordigheid van J.B.J. Caelers-Sijbers als griffier
en in het openbaar uitgesproken op 18 december 1998.
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
verzonden op:
Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het
rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep. De
termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|