| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3555 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank Zutphen |
| Zaaknummer: |
98/1017 ABW en 98/1108 ABW |
| Datum
uitspraak: |
4
december 1998 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening en beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
69 Abw (= 54
Wwb) /
8:86 en 8:88 Awb |
| Trefwoorden: |
herzieningsverzoek; revisie;
beëindigingsbesluit; strafrechtelijke vrijspraak; nieuwe feiten
of omstandigheden |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing verzoek tot herziening beëindigingsbesluit, omdat
geen sprake is van nieuwe (bestuursrechtelijke) feiten of
omstandigheden, i.c. de strafrechtelijke vrijspraak van
uitkeringsfraude. Strafrecht stelt hogere eisen aan het bewijs
dan bestuursrecht. In het bestuursrecht is
voldoende dat
de aan een besluit van een bestuursorgaan ten grondslag gelegde feiten
genoegzaam aannemelijk zijn gemaakt. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter Rechtbank
Zutphen
98/1017 ABW en 98/1108 ABW
U I T S P R
A A K
op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de
hoofdzaak, in het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], verzoeker/eiser, hierna: eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Zutphen,
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 13 oktober 1998.
2. Feiten en procesverloop
Bij besluit van 29 december 1994 heeft verweerder eisers uitkering
ingevolge de Algemene Bijstandswet met ingang van 1 januari 1995 beëindigd
onder de overweging dat eiser samenwoont met zijn ex-echtgenote,
mevrouw X, en de gezamenlijke inkomsten de toepasselijke bijstandsnorm
overschrijden.
Eiser heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend, dat door verweerder
bij besluit van 21 februari 1995 ongegrond is verklaard. Het hiertegen
ingestelde beroep is vervolgens door de rechtbank ongegrond verklaard
bij uitspraak van 16 augustus 1995, reg.nr. 95/759 ABW. Het hoger beroep
van eiser tegen deze uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard door de Centrale Raad van
Beroep bij uitspraak van 11 juni 1996,
reg.nr. 95/6784
ABW.
Bij brief van 4 februari 1998 heeft eiser verweerder verzocht het
besluit van 29 december 1994 te herzien en zijn uitkering met ingang van
1 januari 1995 te heropenen.
Bij besluit van 3 juli 1998 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 augustus 1998 een
bezwaarschrift ingediend.
Bij brief van 8 oktober 1998 heeft eiser verzocht om een voorlopige
voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Bij besluit van 13 oktober 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift van
10 augustus 1998 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij
brief van 3 november 1998 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het geschil is - gevoegd met de zaken onder registratienummers 98/1018,
98/1019, 98/1020, 98/1109 en 98/1110 ABW - behandeld ter zitting van 26
november 1998.
Eiser is in persoon verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Roesink en B.
Buiting.
3. Motivering
Indien de president na de behandeling ter zitting van een verzoek om een
voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs
niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge
artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de
rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van deze bevoegdheid wordt in dit geval
gebruik gemaakt.
Ter beoordeling staat de bij het bestreden besluit gehandhaafde
weigering van verweerder om terug te komen van zijn besluit tot beëindiging
van eisers bijstandsuitkering met ingang van 1 januari 1995. Dit beëindigingsbesluit
is in rechte onaantastbaar geworden als gevolg van de
niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van eiser, zoals
vermeld in rubriek 2.
Volgens vaste rechtspraak dient een weigering om terug te komen van een
rechtens onaantastbaar besluit te worden geëerbiedigd, tenzij aan dat
eerdere besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige
omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan in redelijkheid
niet had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken. Daarbij
ligt het op de weg van de betrokkene die van het bestuursorgaan verlangt
dat het terugkomt van een rechtens onaantastbaar geworden besluit
feiten of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming
geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als beroepsgrond naar voren
hadden kunnen worden gebracht dan wel de evidente onjuistheid van dat
besluit aan te tonen.
Eiser heeft zijn verzoek aan verweerder onderbouwd met het arrest van
het gerechtshof te Arnhem van 27 januari 1998, waarbij hij is
vrijgesproken van de hem te laste gelegde uitkeringsfraude in het tijdvak
van 1 maart 1994 tot 26 oktober 1994. Deze vrijspraak steunt in het
bijzonder op de overweging dat het hof niet bewezen acht dat eiser in de
te laste legde periode heeft samengewoond met X.
Deze (strafrechtelijke) vrijspraak kan op zich zelf niet worden
aangemerkt als een omstandigheid op grond waarvan verweerder gehouden
zou zijn om van zijn besluit tot beëindiging van eisers uitkering terug
te komen, aangezien in het strafrecht hogere eisen aan het bewijs worden
gesteld dan in het bestuursrecht. In het bestuursrecht is voldoende dat
de aan een besluit van een bestuursorgaan ten grondslag gelegde feiten
genoegzaam aannemelijk zijn gemaakt.
Overigens heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangedragen die bij
verweerders eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin
destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht.
Evenmin heeft hij de evidente onjuistheid van het beëindigingsbesluit
van 29 december 1994 aangetoond.
De slotsom moet dan ook zijn dat het thans bestreden besluit de
vorenbedoelde marginale toetsing kan doorstaan.
Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
Gelet hierop is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige
voorziening.
Voor een veroordeling in proceskosten zijn geen termen aanwezig.
4. Beslissing
De president van de rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk, fungerend president, en in het openbaar
uitgesproken op 4 december 1998 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak, voor zover deze de ongegrondverklaring van het
beroep betreft, kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger
beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002,
3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
JURISPRUDENTIE --- Abw / Wwb |
x
LJN: |
x
AA3589 |
|
Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
's-Hertogenbosch |
|
Zaaknummer: |
Awb
99/3016 NABW |
|
Datum uitspraak: |
6
september 1999 |
|
Soort procedure: |
beroep |
|
Bron: |
Rechtspraak.nl |
|
Wetsartikelen: |
art.
7 Abw
(= 11 Wwb) |
|
Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging
bijstand; afwijzing bijstand; geen gelijkstelling
met Nederlander; niet-tijdige aanvraag verlenging
verblijfsvergunning; verschoonbare termijnoverschrijding |
|
Essentie: |
Terechte
beëindiging van de bijstand, omdat de betrokken vreemdeling
ingevolge de Abw c.a. niet langer kan worden gelijkgesteld met
een Nederlander. Verschoonbare overschrijding van de termijn
voor indiening van de aanvraag verlenging verblijfsvergunning
kan niet ter beoordeling van B&W zijn. |
Transponeringstabel Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
meervoudige kamer Rechtbank
's-Hertogenbosch
99/3016 NABW
U I T S P R
A A K
ingevolge artikel 8:70 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) in het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. P.J.M. van Kuppenveld, advocaat te
's-Hertogenbosch,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uden,
verweerder,
gemachtigde: H. van Tiel.
I. Procesverloop
Eiser ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 10
februari 1999 heeft verweerder die uitkering met ingang van 27
december 1998 beëindigd, om reden dat eiser vanaf laatstgenoemde
datum niet meer over een geldige verblijfsvergunning beschikt.
Eiser heeft tegen de beëindiging van zijn uitkering bezwaar
gemaakt. Bij besluit van 15 april 1999 heeft verweerder het
bezwaar ongegrond verklaard.
Op de daartoe in het beroepschrift van 21 april 1999 uiteengezette
gronden heeft eiser tegen dat besluit beroep ingesteld en
gevorderd het bestreden besluit te vernietigen. Bij schrijven van
gelijke datum heeft eiser de president van de rechtbank verzocht
een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek strekte ertoe
dat aan eiser onverwijld bijstand zou worden verleend.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is op
11 mei 1999 behandeld ter zitting. Bij uitspraak van 19 mei 1999,
aan partijen verzonden op 20 mei 1999, heeft de president van de rechtbank
dit verzoek afgewezen.
Bij brief van 2 juni 1999 heeft verweerder een verweerschrift
ingediend. Eisers gemachtigde heeft vervolgens bij schrijven van
18 juni 1999 de gronden van het beroep nader aangevuld.
Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van
de rechtbank van 29 juni 1999. Eiser is aldaar verschenen in
persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is
verschenen bij gemachtigde.
II. Overwegingen
Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 15 april 1999
in rechte stand kan houden. Bij dit besluit heeft verweerder het
bezwaar van eiser, gericht tegen de beëindiging van zijn
bijstandsuitkering met ingang van 27 december 1998, ongegrond
verklaard.
Wettelijk kader
Met ingang van 1 juli 1998 is de Koppelingswet
in werking getreden
(voluit: de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de
Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van
vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen,
voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te
koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in
Nederland). Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder
meer de bijstandverlening aan vreemdelingen. Dienaangaande is in
de Abw thans het volgende bepaald.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw
heeft iedere
Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op
bijstand van overheidswege.
Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Abw
wordt met de
Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te
lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland
verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet (Vw).
Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder
b, van de Abw kan
bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) voor de toepassing van
de Abw voorts met een Nederlander gelijk worden gesteld de hier te
lande verblijvende vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 1, van de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat
verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of
beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot
toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is
beslist.
Een AMvB als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de
Abw
is
getroffen bij het Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Wwb, Ioaw en Ioaz van
27 april 1998, Stb. 1998, 308 (hierna: Besluit gelijkstelling).
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder
a, van het
Besluit gelijkstelling wordt voor de toepassing van onder meer de
Abw
met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na
rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van
artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw voor de beëindiging van
dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette
toelating.
De relevante feiten en het bestreden besluit
Eiser heeft de Somalische nationaliteit en was in het bezit van
een vergunning tot verblijf met een geldigheidsduur tot 27
december 1998. Laatstelijk sedert 15 mei 1997 ontving eiser een
uitkering ingevolge de Abw. In het kader van een begin januari
1999 uitgevoerd periodiek heronderzoek is aan het licht getreden
dat de geldigheidsduur van eisers vergunning tot verblijf was
verlopen. Bij besluit van 5 januari 1999 heeft verweerder daarop
de bijstandverlening aan eiser met ingang van 1 januari 1999
geschorst. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld om vóór 6
februari 1999 alsnog een geldige verblijfsvergunning te
overleggen. Eiser is hiertoe niet in staat gebleken. Bij besluit
van 10 februari 1999 heeft verweerder vervolgens de
bijstandverlening aan eiser met ingang van 27 december 1998 beëindigd
op de grond dat eiser vanaf laatstgenoemde datum niet meer over
een geldige verblijfsvergunning beschikt.
Standpunt van eiser
Eiser doet in de eerste plaats een beroep op de bedoeling van de Koppelingswet
om niet-rechtmatig verblijf van vreemdelingen in
Nederland tegen te gaan en wijst er in dit verband op dat hij
rechtmatig in Nederland verblijft. Weliswaar niet op grond van
artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, zoals vereist in artikel
7, tweede lid, van de Abw, maar wel op grond van artikel
1b,
aanhef en onder 3, van de Vw. Hij zou namelijk op 7 januari 1999
een aanvraag om (verlenging van) een verblijfsvergunning hebben
ingediend en zou de beslissing op die aanvraag in Nederland mogen
afwachten. Eiser stelt voorts dat uit antwoorden van de
Staatssecretaris van Justitie op vragen van het Tweede-Kamerlid
Rijpstra tijdens de parlementaire behandeling van de Koppelingswet
(Kamerstukken II 1996-1997, 24 233, nr. 16, blz. 18) blijkt dat vreemdelingen die
in afwachting zijn van een beslissing van de president van de rechtbank
op een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de
uitzetting recht hebben op continuering van bijstandverlening.
Volgens eiser zou dit a fortiori moeten gelden voor vreemdelingen
zoals eiser die nog in afwachting zijn van de beslissing op een
aanvraag of wachten op een schorsingsbeslissing van de Immigratie-
en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie
(IND).
Eiser heeft gewezen op het vonnis in kort geding van de president
van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 7 oktober 1998,
nr. 98/1056 (gepubliceerd in JV 1998/198), en heeft mede naar
aanleiding hiervan een beroep gedaan op het recht op gelijke
behandeling zoals neergelegd in artikel 26 van het Internationaal
verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Gezien het doel van de Koppelingswet kan de uitsluiting
zoals de Abw
die kent van rechtmatig verblijvende vreemdelingen
worden gezien als disproportioneel en niet noodzakelijk om het
doel van de regeling te bereiken, aldus eiser. Eiser acht de
rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid dat in de Abw wordt
gemaakt naar verblijfsstatus en daardoor naar nationaliteit
betwistbaar. Eiser heeft hierbij verwezen naar een gedeelte uit
een inleiding door mr. P.E. Minderhoud over de Koppelingswet. Door
eiser is in dit verband voorts een beroep gedaan op hetgeen is
geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van
de Raad van State van 19 maart 1999 (gepubliceerd in AB 1999/219)
omtrent de weigering van afgifte van een vervangend rijbewijs aan
een vreemdeling die geen bestendig verblijf heeft in Nederland.
Tot slot heeft eiser naar voren gebracht dat hem niet kan worden
verweten dat hij niet tijdig een aanvraag om verlenging van zijn
verblijfsvergunning heeft ingediend, nu hij immers ziek was op het
moment dat de geldigheidsduur van zijn vergunning afliep en hij
bovendien door de vreemdelingendienst er niet vooraf op is gewezen
dat op grond van de gewijzigde regelgeving verlenging van zijn
vergunning moest worden gevraagd vóór afloop van de
geldigheidsduur daarvan.
Standpunt van verweerder
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gelet op de
duidelijke bewoordingen van atikel 7, tweede en derde lid, aanhef
en onder b, van de Abw
en artikel
1, eerste lid, aanhef en onder a, van het
Besluit gelijkstelling
niet mogelijk is om bijstand te
verlenen aan een vreemdeling die, zoals eiser, niet tijdig een
verzoek om voortgezet verblijf heeft ingediend. Op grond van
genoemde artikelen heeft verweerder derhalve de plicht om te
bezien of een aanvraag om verlenging tijdig is ingediend en de
wetgever heeft verweerder niet de mogelijkheid gegeven om, indien
deze aanvraag niet tijdig is ingediend, te toetsen of er op
individuele gronden sprake is van verschoonbaarheid van de
termijnoverschrijding. Verweerder kan op dit punt geen eigen
beleid voeren. De omstandigheid dat er geen sprake is van
overgangsrecht doet hieraan naar de overtuiging van verweerder
niet af. De door eiser aangevoerde redenen voor de te late
indiening van zijn aanvraag om voortgezette toelating, die door
verweerder overigens zwak worden geacht, hebben daarom bij
verweerders besluit om de bijstandverlening aan eiser te beëindigen
geen rol kunnen spelen, aldus verweerder. Het is aan de
Staatssecretaris van Justitie om bij de te nemen beslissing op
eisers aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning te
beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden
geacht.
Oordeel van de rechtbank
De eerste namens eiser aangevoerde beroepsgrond, die er kort
gezegd op neer komt dat eiser rechtmatig in Nederland verblijft en
dat er gelet op de bedoeling van de Koppelingswet
om
niet-rechtmatig verblijf tegen te gaan derhalve geen grond is om
hem een bijstandsuitkering te weigeren, kan niet slagen.
In de eerste plaats staat het voor de rechtbank
niet vast dat
eiser rechtmatig verblijf houdt in Nederland als bedoeld in
artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Het dossier van eiser
bevat immers geen stukken waaruit blijkt dat eiser op 7 januari
1999 een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft
aangevraagd en dat hij de beslissing op deze aanvraag in Nederland
mag afwachten hoewel deze aanvraag eerst is ingediend nadat zijn
vergunning reeds was verlopen. Doch ook indien wordt aangenomen
dat eiser op die grond rechtmatig verblijf houdt in Nederland kan
deze beroepsgrond niet slagen. Met de Koppelingswet heeft de
wetgever niet alleen bedoeld vreemdelingen die hier te lande geen
rechtmatig verblijf houden uit te sluiten van aanspraken op
collectieve voorzieningen, maar ook om de aanspraken van
vreemdelingen die wel rechtmatig verblijf houden te laten
verschillen al naargelang de aard van het (rechtmatig) verblijf.
Uitgangspunt is blijkens de parlementaire geschiedenis dat
vreemdelingen die onvoorwaardelijk zijn toegelaten meer aanspraken
kunnen maken dan vreemdelingen die nog niet onvoorwaardelijk zijn
toegelaten, nu voor deze laatsten geldt dat de besluitvorming niet
doorkruist mag worden door een te ruim voorzieningenbeleid. In de
zogenaamde materiewetten, waaronder de Abw, zijn de uitgangspunten
zoals neergelegd in de artikelen 8b en 8c van de Vw nader
uitgewerkt en worden onder bepaalde voorwaarden aan bepaalde in
artikel 1b van de Vw onderscheiden categorieën van rechtmatig in
Nederland verblijvende vreemdelingen aanspraken toegekend.
Met betrekking tot het beroep dat door eisers gemachtigde is
gedaan op hetgeen de
Staatssecretaris van Justitie tijdens de
parlementaire behandeling van de Koppelingswet
heeft verklaard
naar aanleiding van een vraag van Tweede-Kamerlid Rijpstra
overweegt de rechtbank
als volgt. De vraag van de heer Rijpstra
had betrekking op de opschorting van betaling van uitkeringen
ingevolge socialeverzekeringswetten. De
Staatssecretaris heeft in
het antwoord niet meer gezegd dan dat vreemdelingen die de
behandeling van een ingediend verzoek tot het treffen van een
voorlopige voorziening in Nederland mogen afwachten rechtmatig
verblijf houden in Nederland als bedoeld in artikel 1b, aanhef en
onder 3, van de Vw en dat, nu op grond van de desbetreffende
bepalingen in de (sociale)verzekeringswetten opschorting van
betaling slechts plaatsvindt ingeval geen sprake is van
rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b van de Vw, in een
dergelijk geval dus geen opschorting plaatsvindt. De rechtbank merkt hierbij op dat
één en ander niet strookt met de tekst van
artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, nu uit die tekst volgt
dat dit artikelonderdeel slechts betrekking heeft op vreemdelingen
op wier aanvraag nog niet is beslist. Doch afgezien hiervan is de
rechtbank van oordeel dat uit dit antwoord van de Staatssecretaris
van Justitie niet de conclusie kan worden getrokken, zoals eiser
veronderstelt, dat vreemdelingen die de behandeling van een
ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening
in Nederland mogen afwachten recht hebben op continuering van
bijstandverlening. Anders dan in de socialeverzekeringswetten,
waarop het antwoord van de Staatssecretaris van Justitie doelt en
waarin is bepaald dat de betaling van de uitkering doorgang vindt
zolang er sprake is van rechtmatig verblijf van de vreemdeling in
de zin van (één van de onderdelen van) artikel 1b van de
Vw, is
in de hier van belang zijnde bepalingen van de Abw
en het
Besluit gelijkstelling
bepaald dat slechts voor bijstandverlening in
aanmerking komen vreemdelingen die rechtmatig verblijf houden in
Nederland in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw (artikel
7, tweede lid, van de Abw), alsmede vreemdelingen die, na
rechtmatig verblijf te hebben gehouden in Nederland in de zin van
artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, tijdig een aanvraag om
voortgezette toelating hebben verzocht (artikel
7, derde lid,
aanhef en onder b, van de Abw
juncto artikel
1, eerste lid, aanhef
en onder a, van het
Besluit gelijkstelling). Reeds hierom wordt
deze grief van eiser verworpen.
Wat betreft het door eisers gemachtigde gedane beroep op artikel
26 van het IVBPR - dat bepaalt dat allen gelijk zijn voor
de wet en zonder discriminatie aanspraak hebben op gelijke
bescherming door de wet - wil de rechtbank
opmerken dat het haar
niet volledig duidelijk is geworden welke groepen van personen
hier door die gemachtigde met elkaar vergeleken worden. De
rechtbank meent aan de bedoeling van eisers gemachtigde het meest
recht te doen door het op artikel 26 van het IVBPR betrekking hebbende argument te belichten vanuit twee
verschillende premisses: a. ondanks de pas na 27 december 1998
gedane aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning wordt
toch beslist dat eisers uitzetting achterwege dient te blijven
totdat op de aanvraag is besloten; b. er wordt beslist dat die
uitzetting niet achterwege dient te blijven.
In de onder a genoemde premisse is eisers verblijf in Nederland
(ook) sedert 27 december 1998 rechtmatig krachtens het bepaalde in
artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Indien hij in die
situatie dan toch niet (ook) vanaf 27 december 1998 bijstand
ontvangt, wordt hij anders behandeld dan de vreemdeling wiens
verblijf in Nederland om dezelfde reden als rechtmatig wordt
beschouwd, doch die vanwege zijn nationaliteit (anders dan eiser)
valt onder de bescherming van het Europees verdrag betreffende de
sociale en medische bijstand. Uit hoofde van de artikelen 1 en 11,
onderdeel a, van dat verdrag heeft die andere vreemdeling dan immers
recht op bijstand (vergelijk het vonnis in kort geding van de
president van de arrondissementsrechtbank te
Den Haag van 7
oktober 1998, nr. 98/1056, gepubliceerd in JV 1998/198). Die
ongelijke behandeling vloeit dus niet voort uit de wet, maar uit
een verdrag. Artikel 26 van het IVBPR (dat spreekt over
gelijkheid "voor de wet" en gelijke bescherming
"door de wet") heeft daarop geen betrekking. Een ander
standpunt zou overigens tot de onaanvaardbare conclusie leiden dat
elk bovennationaal voorschrift omtrent bevoor- of benadeling van
bepaalde personen, staten of instanties zou moeten worden getoetst
aan artikel 26 van het IVBPR.
Voorts kan - nog steeds in de onder a genoemde premisse - worden
gezegd dat eiser dan anders wordt behandeld dan de vreemdeling
wiens verblijf rechtmatig wordt geacht op grond van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vw (welke andere vreemdeling immers
krachtens artikel 7, tweede lid, van de Abw
recht heeft op
bijstand). Dan is er sprake van een onderscheid tussen
vreemdelingen naargelang de aard van de verblijfsstatus. De rechtbank
acht dat onderscheid objectief gerechtvaardigd. Als
middel ter effectuering van een restrictief vreemdelingenbeleid is
het namelijk redelijk en effectief om vreemdelingen wier
verblijfsstatus weinig fundament en bestendigheid bezit van
bepaalde sociale voorzieningen uit te sluiten. Van discriminatie
in de zin van artikel 26 IVBPR kan hier dan ook niet worden
gesproken.
In de onder b genoemde premisse verblijft eiser sedert 27
december 1998 onrechtmatig in Nederland, gezien het bepaalde in
artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Indien hij dan geen
bijstand ontvangt, wordt hij anders behandeld dan de vreemdeling
wiens verblijf rechtmatig wordt geacht op grond van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vw. Ook dat verschil in behandeling is
gerechtvaardigd te achten vanuit het oogpunt van het effectueren
van een restrictief vreemdelingenbeleid.
Gezien hetgeen in de voorgaande vier alinea's is overwogen, kan het
beroep op artikel 26 van het IVBPR dan ook niet slagen.
Resteert de vraag of de verwijtbaarheid van het niet tijdig
indienen van een aanvraag om voortgezette toelating een rol dient
te spelen bij de toepassing door verweerder van artikel
7, derde
lid, aanhef en onder b, van de Abw
in samenhang met artikel
1,
eerste lid, aanhef en onder a, van het
Besluit gelijkstelling.
De
Staatssecretaris van Justitie, het bestuursorgaan dat is belast
met de uitvoering van de Vw, heeft - bij gebreke van een
wettelijke bepaling op dit punt - in hoofdstuk A4/6.7.2 van de
Vreemdelingencirculaire 1994 bepaald dat een aanvraag om
verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning
vanaf 1 juli 1998 moet worden ingediend vóór het tijdstip waarop
de vergunning haar geldigheid verliest. In datzelfde hoofdstuk is
bepaald dat indien geoordeeld wordt dat de termijnoverschrijding
verschoonbaar is, de aanvraag dient te worden aangemerkt als een
aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ingediend vóór het
verstrijken van de geldigheidsduur. Bij de te nemen beslissing op
eisers aanvraag om voortgezette toelating zal de IND derhalve
dienen te beoordelen in hoeverre de te late indiening van de
aanvraag eiser kan worden verweten.
Verweerder is het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering
van de Abw. In welke gevallen en onder welke voorwaarden een
vreemdeling in aanmerking komt voor bijstandverlening is
vastgelegd in de Abw en het
Besluit gelijkstelling. In artikel
7,
derde lid, aanhef en onder b, van de Abw
is bepaald dat
voortgezette toelating "tijdig" moet zijn gevraagd. In
het op basis van dit artikel gegeven
Besluit gelijkstelling
is in artikel
1, eerste lid, aanhef en onder
a, bepaald dat een aanvraag
om voortgezette toelating moet zijn ingediend "voor de beëindiging
van het verblijf". Deze wettelijke bepalingen in onderlinge
samenhang gelezen bieden verweerder volstrekte duidelijkheid
omtrent het tijdstip waarop een aanvraag moet zijn ingediend. De
wetgever heeft verweerder geen ruimte gelaten om tot een eigen
invulling van het begrip "tijdig" te komen, zoals de
Staatssecretaris van Justitie dat voor de uitvoering van de Vw
heeft gedaan in de Vreemdelingencirculaire. Het al dan niet
verschoonbaar zijn van een termijnoverschrijding als de
onderhavige is dus voor de toepassing van de Abw, anders dan in
het vreemdelingenrecht, van geen belang. De rechtbank
miskent niet
dat hierdoor de situatie kan ontstaan dat aan een vreemdeling die
geheel buiten zijn schuld niet vóór het verstrijken van de
geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning een aanvraag om
voortgezette toelating heeft gedaan, waardoor deze
termijnoverschrijding vreemdelingrechtelijk bezien zonder gevolgen
blijft, niettemin een bijstandsuitkering moet worden geweigerd
omdat niet tijdig een aanvraag is gedaan. Dit valt des te meer op
omdat tot 1 juli 1998 een aanvraag om voortgezette toelating nog
kon worden ingediend tot zes maanden na het verstrijken van de
geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en er geen
overgangsregeling is getroffen. De rechtbank ziet hierin evenwel
onvoldoende grond om te oordelen dat verweerder bij de uitvoering
van de Abw en het Besluit gelijkstelling zou dienen af te wijken
van de - niets aan duidelijkheid te wensen overlatende - tekst van
deze regelgeving door zich te buigen over de vraag of bij een niet
tijdig ingediende aanvraag om voortgezette toelating wellicht
sprake is van verschoonbaarheid. Deze vraag ligt ter beantwoording
voor aan de Staatssecretaris van Justitie, die daarbij toepassing
geeft aan de ter uitvoering van de vreemdelingenwetgeving
uitgevaardigde beleidsregels, neergelegd in de
Vreemdelingencirculaire 1994.
De rechtbank
is daarom van oordeel dat ook eisers beroep op
verschoonbaarheid van de overschrijding van de termijn voor
indiening van een aanvraag om voortgezette toelating niet kan
slagen.
Ook overigens is de rechtbank
niet gebleken dat het bestreden
besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met geschreven of
ongeschreven rechtsregels.
Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou
moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte
proceskosten, is de rechtbank
niet gebleken.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. A. Stehouwer, als voorzitter van de
meervoudige kamer en mr. A.W. Govers en mr. J.L.M. Schell als
leden van die kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Hofman als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 6 september 1999.
Afschrift verzonden:
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum
van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3611 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
98/869
NABW Z en 98/1126 NABW Z |
| Datum
uitspraak: |
21
juni 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
39 Abw (= 35
Wwb) / 1:3,
6:2, 7:10,
8:41 en
8:74 Awb |
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten kinderopvang; niet tijdig genomen besluit;
vergoeding griffierecht |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van kinderopvang,
omdat de echtgenoot, ondanks zijn gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid, het kind kan verzorgen bij afwezigheid
van zijn echtgenote. Het beroep tegen een niet tijdig genomen
besluit is niet-ontvankelijk, nu alsnog is beslist op de
aanvraag; het betaalde griffierecht dient door de gemeente te
worden vergoed. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Maastricht 98/869
NABW Z en 98/1126 NABW Z
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit:
- het als een besluit in de zin van artikel
6:2, aanhef en onder b,
van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) aan te merken niet tijdig
beslissen op het door eiser gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig
beslissen op een aanvraag om vergoeding van kosten voor
kinderopvang;
- het besluit van verweerder van 14 augustus 1998.
Datum van behandeling ter zitting: 11 mei 1999.
I.
Ontstaan en loop van het geding
Bij brief van 21 juni 1998 heeft eiser bij deze rechtbank beroep
ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door
"de gemeente Gulpen c.q.
gemeente
Meerssen".
Bij brief van 26 augustus 1998 heeft het college van burgemeester
en wethouders van de gemeente Gulpen
(hierna: B&W van Gulpen)
een verweerschrift ingediend. Daarbij is onder andere overgelegd
een beslissing van 14 augustus 1998, waarbij het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente
Meerssen
(hierna:
B&W van Meerssen) afwijzend heeft beschikt op een door eiser
gedaan verzoek om vergoeding van kosten van kinderopvang.
Op 31 augustus 1998 heeft de rechtbank
eiser verzocht aan te geven
of met de beslissing van 14 augustus 1998 geheel aan zijn bezwaren
is tegemoet gekomen.
Bij brief, met bijlagen, van 2 september 1998 heeft eiser de rechtbank
meegedeeld het niet eens te zijn met de beslissing van
14 augustus 1998.
Op 4 september 1998 heeft de rechtbank
een aantal door B&W van Gulpen
ingediende stukken in afschrift aan eiser gezonden.
Op 14 september 1998 heeft de rechtbank
eiser en B&W van Gulpen
meegedeeld dat de beslissing d.d. 14 augustus 1998 van
B&W van Meerssen
in de met het beroepschrift van 21 juni 1998
aangevangen procedure wordt betrokken.
Bij brief van 1 oktober 1998 hebben B&W van Gulpen
nog een
gedingstuk ingediend. Dit is op 4 november 1998 in afschrift aan
eiser verzonden.
Bij brief van 16 april 1999 heeft de rechtbank
B&W van
Meerssen
ambtshalve in de gelegenheid gesteld als partij aan het
geding deel te nemen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank
op 11 mei
1999.
Eiser is niet ter zitting verschenen.
Namens B&W van Gulpen is verschenen de heer H.G.M. Laheije.
Namens B&W van
Meerssen
is verschenen de heer R.A.G.M. Platte.
II. Overwegingen
II.1. Eiser, die de Nederlandse nationaliteit bezit, is sedert
1995 gehuwd met een Poolse vrouw. Sedert hun huwelijk wonen ze in
Nederland. In mei 1997 is hun kind geboren. De echtgenote van
eiser heeft een inburgeringscontract gesloten met de gemeente Gulpen. Teneinde in te burgeren, dient ze een taalcursus Nederlands
te volgen en een inleiding oriëntatie gedurende een aantal
ochtenden per week. Die cursussen kan ze volgen via het Heuvelland
integratieprogramma. Eiser stelt niet op zijn kind te kunnen
passen als zijn echtgenote de lessen volgt, omdat hij deels
arbeidsongeschikt is.
II.2. Op 29 september 1997 heeft eiser zich tot B&W van Gulpen
gewend met een aanvraag om bijzondere bijstand, die onder meer
betrekking heeft op kosten voor de opvang van het kind.
Bij brief van 3 november 1997 heeft eiser zich opnieuw tot B&W
van Gulpen gewend met een verzoek om vergoeding van de kosten van
de oppas.
Bij besluit van 3 december 1997 hebben B&W van Gulpen
het door
eiser op 29 september 1997 gedane verzoek om bijzondere bijstand
gedeeltelijk ingewilligd. B&W van Gulpen hebben echter
besloten eiser bijzondere bijstand in de kosten voor kinderopvang
te weigeren, onder de overweging dat voor deze kosten een
voorliggende voorziening van toepassing is. Daarbij is eiser
verwezen naar de door het algemeen maatschappelijk werk
uitgevoerde regeling kinderopvang in het kader van het Heuvelland
integratieprogramma.
Tegen het besluit van 3 december 1997 heeft eiser geen bezwaar
gemaakt, zodat dit in rechte onaantastbaar is geworden.
II.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is
voldoende aannemelijk geworden dat B&W van
Meerssen
kort na 3
december 1997 op de hoogte zijn geraakt van eisers aanvraag om
vergoeding van de kosten van kinderopvang. Dit blijkt met name uit
het feit dat, zoals ter zitting van de zijde van B&W van Gulpen
en B&W van Meerssen is bevestigd, B&W van Gulpen op
verzoek van B&W van Meerssen op 11 maart 1998 de GGD Oostelijk
Zuid-Limburg (hierna: GGD) hebben benaderd met het verzoek te
beoordelen of eiser om medische redenen niet in staat is voor zijn
kind te zorgen als zijn echtgenote niet thuis is. De GGD heeft op
6 mei 1998 aan B&W van Gulpen advies uitgebracht, welk advies
vervolgens is doorgezonden aan B&W van Meerssen. B&W van
Meerssen hebben dit advies ten grondslag gelegd aan de thans
bestreden beslissing van 14 augustus 1998.
Intussen had eiser bij brief van 18 maart 1998 bezwaar gemaakt
tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om
vergoeding van de kosten van kinderopvang. Vermoedelijk - ook ter
zitting bleek dit niet met zekerheid te achterhalen - heeft eiser
deze brief toegezonden aan de gemeente
Meerssen, gelet op het
noemen van de heer Platte in kop van de brief.
Nu B&W van
Meerssen, gelet op het voorgaande, kennelijk kort
na 3 december 1997 op de hoogte zijn geraakt van eisers aanvraag
en deze vervolgens kennelijk in behandeling hebben genomen, zij
het met tussenkomst van B&W van Gulpen, en B&W van
Meerssen uiteindelijk ook de door eiser bestreden reële
beslissing van 14 augustus 1998 hebben genomen, acht de rechtbank
het aangewezen B&W van Meerssen aan te merken als het
verwerende orgaan. B&W van Meerssen zullen in het vervolg van
deze uitspraak dan ook worden aangeduid als verweerder.
IIA. Gelet op hetgeen in de vorige rubriek is overwogen, acht de rechtbank
het voorts aangewezen eisers brief van 18 maart 1998 aan
te merken als een bezwaarschrift tegen het niet tijdig beslissen
door verweerder op eisers aanvraag om vergoeding van de kosten van
kinderopvang.
Het door eiser op 21 juni 1998 ingediende beroepschrift merkt de
rechtbank aan als te zijn gericht tegen het niet tijdig beslissen
door verweerder op het op 18 maart 1998 ingediende
bezwaarschrift.
II.5. De vraag doet zich nu voor of de rechtbank
bevoegd is van
dit beroep kennis te nemen. Deze vraag zal slechts bevestigend
beantwoord kunnen worden als het reële besluit van 14 augustus
1998 beschouwd kan worden als een besluit in de zin van artikel
1:3 van de Awb, waartegen op grond van
artikel 8:1 van de Awb
beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.
Uit de gedingstukken blijkt dat het Heuvelland integratieprogramma
voorziet in de uitvoering op regionaal niveau van door het kabinet
met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gemaakte
afspraken over de inburgering van nieuwkomers.
Onder nieuwkomers wordt verstaan: toegelaten vluchtelingen,
houders van een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden,
houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf,
gezinsherenigers of -vormers en Nederlanders afkomstig van de
Nederlandse Antillen of Aruba. Niet in geding is dat eisers
echtgenote als nieuwkomer kan worden aangemerkt.
Het Heuvelland integratieprogramma voorziet in een
inburgeringsprogramma waarvoor gelden ter beschikking worden
gesteld door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen. Deze
gelden worden door de centrale overheid weliswaar uitbetaald aan
de afzonderlijke gemeenten die in het project deelnemen, maar
worden vervolgens doorgesluisd naar de gemeente
Meerssen, die is
aangemerkt als centrumgemeente voor de uitvoering van het
programma. Blijkens de stukken hebben de door de centrale overheid
aldus verstrekte gelden mede betrekking op de kosten van
kinderopvang.
Op grond van hetgeen in de voorgaande alinea is overwogen, is de rechtbank
van oordeel dat een beslissing van verweerder tot het al
dan niet toekennen van een vergoeding in de kosten van
kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma,
dient te worden aangemerkt als het vervullen van een
publiekrechtelijke taak, ter uitvoering waarvan door de overheid
gelden ter beschikking zijn gesteld. Hierin acht de rechtbank
voldoende aanleiding gelegen om een beslissing op de aanvraag van
kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma
aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de
Awb, waartegen ingevolge de Awb
bezwaar kan worden gemaakt en
beroep kan worden ingesteld. Mitsdien kan op grond van artikel
6:2, aanhef en onder b, van de Awb, ook tegen het uitblijven van
een beslissing op de aanvraag bezwaar worden gemaakt en tegen het
uitblijven van een beslissing op dit bezwaar beroep worden
ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank acht zich dan ook bevoegd
van de beroepen kennis te nemen.
II.6. Eiser heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat
verweerder niet tijdig op het bezwaarschrift heeft beslist. Op
grond van artikel 7:10, eerste lid, van de
Awb
dient binnen zes
weken - of indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de
Awb
is ingesteld - binnen tien weken op het bezwaarschrift te
zijn beslist. Het bezwaarschrift is ingediend op 18 maart 1998,
terwijl verweerder eerst op 14 augustus 1998 heeft beslist. Nu van
een opschorting van de termijn voor het beslissen op bezwaar als
bedoeld in het tweede lid van artikel
7:10 van de Awb
en van een
verdaging als bedoeld in het derde lid niet is gebleken en eiser
evenmin heeft ingestemd met verder uitstel van de beslissing op
bezwaar, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat te laat
op het bezwaarschrift is beslist.
Nu verweerder op 14 augustus alsnog heeft beslist op de aanvraag
van eiser is de rechtbank, gelet op vaste jurisprudentie, van
oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van
het tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift gerichte
beroep. Eiser is dan ook in dit beroep niet-ontvankelijk. Dit
neemt niet weg dat verweerders gemeente gehouden is het door eiser
ter zake van de indiening van zijn beroepschrift van 21 juni 1998
betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.
Van door eiser in verband met de behandeling van zijn tegen het
niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift ingediende beroep
gemaakte en op grond van de Awb
te vergoeden proceskosten is de rechtbank
niet gebleken.
II.7. Ten aanzien van eisers beroep tegen het besluit van 14
augustus 1998 overweegt de rechtbank
als volgt.
Zoals hiervoor is aangegeven, heeft verweerder, met tussenkomst van
B&W van Gulpen, de GGD verzocht hem te adviseren over de vraag
of eiser om medische redenen niet in staat is voor zijn kind te
zorgen als zijn echtgenote niet thuis is.
In een uitgebreid gemotiveerd advies van 6 mei 1998 heeft de GGD
aangegeven dat eiser op grond van het door de GGD zelf uitgevoerde
onderzoek, alsmede op grond van aanvullende informatie van de
verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige van GAK
Nederland BV, weliswaar beperkt arbeidsongeschikt is te achten,
maar dat zijn beperkingen niet zover gaan dat hij niet in staat
zou zijn om zijn tien maanden oude kind te verzorgen.
Nu van de zijde van eiser geen medische gegevens zijn aangereikt
die op het tegendeel duiden, is de rechtbank
van oordeel dat
verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser in
afwezigheid van zijn echtgenote zelf voor zijn kind kan zorgen en
mitsdien niet in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten
van kinderopvang in het kader van het Heuvelland
integratieprogramma. Het beroep tegen het besluit van 14 augustus
1998 is dan ook ongegrond.
Gelet op het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72 en 8:74 van de
Awb
wordt dan ook als volgt beslist.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. verklaart het beroep tegen het als een besluit in de zin van
artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb
aan te merken niet
tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 18 maart 1998
niet-ontvankelijk;
2. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 augustus 1998
ongegrond;
3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten
bedrage van ƒ55,- wordt vergoed door de
gemeente
Meerssen.
Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr.
M.J.H.T. Peters, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 1999
door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde
griffier.
w.g. R. Peters
w.g. R.E. Bakker
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op:
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze
uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep
bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een
belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de
mogelijkheid open om de President van de Centrale Raad van Beroep te benaderen met een verzoek om voorlopige
voorziening op grond van artikel 8:81 van de
Awb.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3687 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
98/141 ABW V12 en AWB 98/246 ABW V12 |
| Datum
uitspraak: |
12
oktober 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
3,
65,
69, 78, 81
en 138 Abw
(= 3, 17,
54, 58, 58
en 79 Wwb)
/ 6:2,
8:41,
8:52, 8:53,
8:74
en 8:75
Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning;
onderhuurder; ex-partner; schending inlichtingenverplichting; opschorting bijstand; beëindiging;
terugvordering; fraude; niet tijdig genomen besluit; versnelde behandeling; gewone
behandeling; vergoeding griffierecht |
| Essentie: |
Terechte
opschorting, beëindiging en terugvordering bijstand wegens
gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige. Dat
belanghebbende en de onderhuurder eerder voor de verlening van
bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, levert een onweerlegbaar
rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding op. Het beroep
tegen een niet tijdig genomen besluit is niet-ontvankelijk, nu
alsnog is beslist op het bezwaar; het betaalde griffierecht
dient door de gemeente te worden vergoed. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB 98/141 ABW
V12 en AWB 98/246 ABW V12
U I T S P R
A A K
inzake de geschillen tussen:
[eiseres], wonende te
[woonplaats],
eiseres,
gemachtigde: mr. R. van Asperen, advocaat en procureur te
Groningen,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen, verweerders.
1. Procesverloop
Verweerders hebben eiseres op 2 oktober 1997 mondeling medegedeeld
dat de aan haar toegekende uitkering op grond van de Algemene bijstandswet
(Abw) met ingang van 1 september 1997 feitelijk is beëindigd.
Eiseres heeft op 6 oktober 1997 op grond van artikel 7:1
van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) een bezwaarschrift ingediend tegen de
feitelijke beëindiging van haar bijstandsuitkering met ingang van 1
september 1997.
Bij beroepschrift van 13 januari 1998 heeft eiseres beroep
ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit door
verweerders op haar bezwaarschrift van 6 oktober 1997.
Bij brief van 16 januari 1998 heeft de rechtbank
partijen
meegedeeld dat de zaak verder met toepassing van afdeling 8.2.3
Awb
versneld wordt behandeld.
Bij uitspraak van 6 februari 1998, reg.nr. AWB 98/67 ABW V04,
heeft de rechtbank dit beroep
gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet
beslissen door verweerders op het bezwaarschrift van eiseres van 6
oktober 1997 vernietigd. Voorts is bepaald dat verweerders binnen
vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een
beslissing dienen te nemen op het bezwaarschrift van eiseres van 6
oktober 1997.
Bij besluit van 16 oktober 1997, cliëntnummer ATT01974875K,
hebben verweerders de uitkering van eiseres ingevolge de Abw
vanaf 1 juli 1997 ingetrokken, onder de overweging dat eiseres
niet, niet volledig en/of correct heeft voldaan aan de in artikel 65
Abw neergelegde verplichting tot
het verstrekken van inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het
vaststellen van het recht op uitkering. Voorts hebben verweerders
bij dit besluit van eiseres een bedrag van
ƒ3408,62
teruggevorderd over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31
augustus 1997.
Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 oktober 1997 op grond van
artikel 7:1 Awb
een
bezwaarschrift ingediend.
Eiseres heeft tegen het uitblijven van een beslissing op haar
bezwaar bij beroepschrift van 2 februari 1998 op nader in het
beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld (reg.nr. AWB
98/141 ABW V12).
De rechtbank heeft partijen op
4 februari 1998 meegedeeld het beroep met toepassing van afdeling 8.2.3
Awb
versneld
te behandelen.
Verweerders hebben op 12 februari 1998 de op de zaak betrekking
hebbende stukken toegezonden, alsmede een verweerschrift
ingediend.
Verweerders hebben bij besluit van 3 maart 1998 de
bezwaarschriften van eiseres van 6 en 24 oktober 1997 gericht
tegen de feitelijke beëindiging van haar uitkering ingevolge de Abw
per 1 september 1997 respectievelijk tegen voornoemd besluit van
16 oktober 1997 ongegrond verklaard.
Daarbij is ten aanzien van de vaststelling van de gezamenlijke
huishouding verwezen naar artikel 3,
derde lid, onderdeel a en c, Abw.
Voorts is bepaald dat de aflossing zal plaatsvinden middels 10%
inhouding van de voor eiseres geldende bijstandsnorm
inclusief de vakantietoeslag.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij beroepschrift van 10 maart
1998, op nader in het aanvullend beroepschrift van 31 maart 1998
aangegeven gronden, beroep ingesteld (reg.nr. AWB 98/246 ABW V12).
Bij brief van 11 maart 1998 heeft de rechtbank
partijen bericht het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 98/141
ABW V12, op de gewone wijze te behandelen.
Verweerders hebben op 28 april 1998 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank
toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 17 juni 1998 heeft eiseres van repliek gediend.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
De geschillen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de
enkelvoudige kamer van de rechtbank
van 1 oktober 1999. Eiseres is aldaar in persoon verschenen,
bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerders hebben zich doen
vertegenwoordigen door H. Blokzijl.
Eiseres en haar gemachtigde hebben afgezien van het ter zitting
(doen) horen van de door de gemachtigde van eiseres bij faxbericht
van 23 september 1999 aangezegde getuige X.
2. Rechtsoverwegingen
De feiten
Eiseres ontving sedert 29 januari 1984 een uitkering krachtens de
Algemene Bijstandswet (hierna: ABW). Na een kennismakingsperiode
van drie maanden hebben eiseres en X gedurende de periode van mei
1993 tot april 1994 een duurzame gezamenlijke huishouding gevoerd.
Bij besluit van 19 april 1994 is eiseres met ingang van 1 april
1994 een uitkering krachtens de ABW verstrekt naar de norm voor
een eenoudergezin.
Op de door haar op 21 juli 1997 ondertekende maandverklaring van
de maand juli 1997 heeft eiseres verklaard dat zij met ingang van
1 juli 1997 een huurder had. Uit de gemeentelijke
basisadministratie bleek dat deze huurder een ex-partner van
eiseres betrof, te weten X. Vervolgens is de Abw-uitkering
van eiseres per 1 september 1997 feitelijk geblokkeerd in
afwachting van een nader onderzoek.
Tegen dit besluit heeft eiseres op 6 oktober 1997 een
bezwaarschrift ingediend bij verweerders.
Eiseres is op 2 oktober 1997 uitgenodigd voor een gesprek. In dit
gesprek heeft zij verklaard dat de huurder X is en dat hij
inkomsten uit arbeid ontvangt.
Bij besluit van 16 oktober 1997 hebben verweerders de uitkering
van eiseres ingevolge de Abw
vanaf 1 juli 1997 ingetrokken, onder de
overweging dat eiseres niet, niet volledig en/of correct heeft voldaan aan de in
artikel
65 Abw
neergelegde verplichting tot het verstrekken van inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering.
De over de periode van 1 juli tot en met 31 augustus 1997 aan
eiseres verstrekte uitkering, een bedrag van ƒ3408,62,
is bij dit besluit van haar teruggevorderd.
Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 oktober 1997 een
bezwaarschrift ingediend bij verweerders. Daarbij heeft zij
ontkend onvolledige of onjuiste inlichtingen te hebben verstrekt.
Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerders ten onrechte ervan
zijn uitgegaan dat zij met ingang van 1 juli 1997 is gaan
samenwonen met X.
De bezwaren van eiseres zijn behandeld in de vergadering van de
Commissie voor de bezwaarschriften Wet boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid van 23 februari 1998. De
Commissie heeft verweerders geadviseerd de bezwaren ongegrond te
verklaren, onder aanvulling van de motivering.
Verweerders hebben eerst op 3 maart 1998 op deze bezwaarschriften
beslist. Verweerders hebben zich, onder verwijzing naar het
rapport van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (SOZAWE)
van 8 januari 1998 en overeenkomstig het advies van de Commissie
op het standpunt gesteld dat eiseres heeft nagelaten aan hen mee
te delen dat zij met ingang van 1 juli 1997 een gezamenlijke
huishouding voert met X. Daarbij hebben verweerders verwezen naar artikel 3,
derde lid, onderdeel a en c, Abw. Voorts hebben
verweerders ter zake van de terugvordering bepaald
dat de aflossing zal plaatsvinden door middel van een inhouding van 10%
op de aan eiseres toegekende Abw-uitkering
naar de voor haar geldende bijstandsnorm
inclusief de vakantietoeslag.
Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft naar voren
gebracht dat zij tijdig melding heeft gemaakt van het inwonen van
X. Hieraan kan, aldus eiseres, niet afdoen dat deze onderhuur tot
gevolg heeft dat eiseres (juridisch) een gezamenlijke huishouding
voert met X. Eiseres heeft verder betoogd dat artikel 3,
derde lid, Abw
in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is
eiseres van mening dat de terugvordering achterwege dient te
blijven, aangezien SOZAWE niet adequaat heeft gereageerd op de
door eiseres verstrekte inlichtingen.
Het van toepassing zijnde recht
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw
wordt van overheidswege aan iedere Nederlander die hier te lande
in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij
niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien bijstand verleend.
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, Abw
bepaalt dat in deze wet en de daarop
berustende bepalingen als partners geregistreerden worden
gelijkgesteld met gehuwden. Krachtens artikel
3, tweede lid, onderdeel a, worden als gehuwd of als
echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad. Op grond van artikel 3,
derde lid, Abw,
is van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het tweede lid,
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding
dan wel anderszins.
Krachtens het vierde lid van voornoemd artikel 3
wordt - voor zover hier van belang - een gezamenlijke huishouding
in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de
verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage
aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.
Artikel 65, eerste lid, Abw
bepaalt - voor zover hier van belang - dat de belanghebbende aan
burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging
onverwijld mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
kunnen zijn op het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de
bijstand of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt
betaald. Op grond van het tweede lid dient de belanghebbende
gebruik te maken van een door burgemeester en wethouders verstrekt
formulier. Op grond van het derde lid is de belanghebbende
verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de
medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
uitvoering van deze wet.
Krachtens artikel 69, derde lid, Abw
herzien burgemeester en wethouders, onverminderd het elders in deze
wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een
besluit tot toekenning van bijstand, een dergelijk besluit of
trekken zij dit in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel
14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een
verplichting als bedoeld in
artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te
hoog bedrag is verleend.
Ingevolge artikel 78, eerste lid, Abw
worden kosten van bijstand
door de gemeente
teruggevorderd in de gevallen en naar de regels aangegeven in paragraaf
2 van hoofdstuk VI.
Op grond van artikel 78, derde lid, Abw, kunnen burgemeester en
wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien
indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Krachtens artikel 81, eerste lid, Abw
wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14
of 69,
derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend van de belanghebbende teruggevorderd.
Voorts is in artikel 138 Abw
bepaald dat voor de toepassing van
artikel 8:1, eerste lid, Awb
met een besluit wordt gelijkgesteld het nalaten van een handeling
die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening of
terugvordering van bijstand of het verrichten van een handeling
die afwijkt van dat besluit.
Beoordeling van het geschil
Met betrekking tot reg.nr. AWB 98/246 ABW V12
De rechtbank stelt allereerst
vast dat verweerders zich bij het bestreden besluit onder meer
hebben gebaseerd op artikel
3, derde lid, onderdeel a en c, Abw.
Dit artikellid is evenwel met ingang van 1 januari 1998 gewijzigd.
Het oude derde artikellid is per laatstgenoemde datum vernummerd
tot vierde lid. Aangezien geen inhoudelijke wijziging van dit
artikellid heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding
om reeds hierom te oordelen dat het bestreden besluit niet in
stand zal kunnen blijven. De rechtbank zal het besluit dan ook
toetsen aan de op het moment van de bestreden beslissing geldende
regelgeving.
De rechtbank overweegt voorts
als volgt.
De herziening van de uitkering
Uit het door eiseres op 21 juli 1997 ondertekende
inlichtingenformulier over de maand juli 1997 blijkt dat zij
melding heeft gemaakt van het feit dat zij met ingang van 1 juli
1997 een huurder heeft. Eiseres heeft evenwel op dat formulier
niet vermeld dat de huurder een ex-partner van haar was. Zij stelt
in beroep dit wel te hebben gemeld aan de balie van de Dienst.
Gelet op het bepaalde in artikel 3,
vierde lid, onderdeel
a, Abw
is dit gegeven van invloed op haar recht op uitkering. Immers, vaststaat
dat eiseres en X in de periode mei 1993 tot april 1994 voor de
bijstandverlening als gehuwden zijn aangemerkt. Voor de
beoordeling van het recht van eiseres op een bijstandsuitkering is
dan ook van doorslaggevend belang het antwoord op de vraag of
eiseres en X gezamenlijk hun hoofdverblijf hebben in dezelfde
woning. Gelet op de door eiseres op haar inlichtingenformulier
verstrekte informatie kan niet anders worden geconcludeerd dan dat
op grond van het bepaalde in artikel 3,
vierde lid, onderdeel a, Abw
sprake is van een gezamenlijke
huishouding. Dat, zoals eiseres heeft betoogd, er geen sprake is van een
gezamenlijke huishouding omdat zij geen blijk hebben gegeven zorg te dragen
voor elkaar kan hieraan niet afdoen. Eiseres doelt hier kennelijk
op artikel 3, derde lid, Abw,
doch dit artikellid is niet op eiseres van toepassing. Het feit
dat eiseres en X eerder voor de bijstandverlening als gehuwden
zijn aangemerkt, levert reeds een onweerlegbaar rechtsvermoeden
op, hetgeen de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is
geweest.
Eiseres heeft voorts naar voren gebracht dat het hanteren van een
dergelijk rechtsvermoeden in strijd is met artikel 6 EVRM. De rechtbank
overweegt dienaangaande als volgt.
Het EVRM verbiedt in beginsel geen feitelijke of wettelijke
rechtsvermoedens. Verdragsstaten moeten daarbij wel redelijke
grenzen in acht nemen, zodat met de betrokken belangen rekening
wordt gehouden en de rechten van de verdediging in stand blijven.
In de onderhavige zaak betreft het niet een vervolging wegens een
strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM,
doch het vaststellen van de burgerlijke rechten en verplichtingen
van eiseres in het kader van het geldend maken van een aanspraak
op een uitkering ingevolge de Abw,
zodat in casu wel artikel 6, eerste lid, EVRM van toepassing is,
maar niet het tweede lid van dat artikel. Uit artikel
3, vierde lid, Abw volgt slechts
dat er sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden in het
geval voldaan wordt aan één van de onder a tot en met d
genoemde situaties en de belanghebbenden tevens hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning. Het vermoeden moet derhalve gedragen
worden door twee objectief vast te stellen feiten. Om die reden
kan naar het oordeel van de
rechtbank niet gezegd worden dat met
het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden de grenzen van het
redelijke worden overschreden, noch dat anderszins sprake is van
strijdigheid met het verdrag. Deze grief van eiseres dient daarom
te falen.
Naar het oordeel van de rechtbank
hebben verweerders zich dan ook op goede gronden op het standpunt
gesteld dat eiseres niet volledig heeft voldaan aan de op haar
rustende, in artikel
65, eerste lid, Abw
neergelegde
inlichtingenverplichting. Zij heeft immers op het daartoe bestemde formulier geen melding
gemaakt van het feit dat de huurder haar ex-partner was. Dat zij mogelijk
daarvan melding heeft gemaakt aan de balie kan daaraan niet afdoen, nu daarvan uit
de beschikbare stukken niet is gebleken en zij op grond van artikel
65, tweede lid, Abw
verplicht is één en ander te melden op het daartoe verstrekte
formulier.
Nu er sprake is van een gezamenlijke huishouding en door eiseres
niet bestreden is dat X een inkomen heeft dat hoger is dan de voor
een echtpaar geldende bijstandsnorm,
hebben verweerders terecht geoordeeld dat er per 1 juli 1997 geen
recht op een uitkering ingevolge de Abw
bestaat.
Verweerders hebben de uitkering van eiseres dan ook op goede
gronden herzien. Het beroep van eiseres moet in zoverre dan ook
ongegrond worden verklaard.
De terugvordering
Verweerders waren, nu eiseres haar inlichtingenverplichting niet
is nagekomen, dan ook op grond van artikel
78, eerste lid, in samenhang met
artikel 81, eerste lid, Abw
gehouden over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte aan
eiseres betaalde bijstand.
Niet gebleken is van dringende redenen om van terugvordering af te
zien.
Verweerders hebben de uitkering over de maanden juli en augustus
1997 dan ook terecht van eiseres teruggevorderd.
Eiseres heeft met betrekking tot de wijze waarop de terugvordering
plaatsvindt geen grieven aangevoerd, terwijl de rechtbank
- ambtshalve oordelend - ook geen aanleiding ziet om de wijze
waarop wordt verrekend met de lopende uitkering voor onjuist te
houden. Het beroep van eiseres is in zoverre dan ook ongegrond.
De opschorting
De rechtbank is van oordeel
dat verweerders, gelet op de gegevens uit de gemeentelijke
basisadministratie ter zake van de huurder van eiseres, de
uitbetaling van eiseres uitkering met ingang van 1 september 1997
konden opschorten. Op dat moment was er immers grond voor het
vermoeden dat voor eiseres het recht op uitkering niet meer
bestond.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden
verklaard.
Met betrekking tot reg.nr. AWB 98/141 ABW V12
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een
besluit door verweerders op haar bezwaarschrift van 24 oktober
1997. Zij heeft verzocht het met een besluit gelijk te stellen
niet tijdig beslissen door verweerders op haar bezwaarschrift te
vernietigen en verweerders te veroordelen tot vergoeding van de
proceskosten.
De rechtbank stelt vast dat
verweerders bij besluit van 3 maart 1998 alsnog hebben beslist op
het bezwaarschrift van eiseres van 24 oktober 1997, tegen welk
besluit eiseres afzonderlijk beroep heeft ingesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank
heeft eiseres geen processueel belang meer bij een beoordeling van
haar beroep.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep
van 4
februari 1997 (RSV 97/297) overweegt de
rechtbank dat een belang bij
gegrondverklaring van het ingestelde beroep niet uitsluitend gelegen kan
zijn in het verkrijgen van een vergoeding van de gemaakte proceskosten
dan wel het griffierecht.
Ook in andere gevallen dan die waarin het beroep gegrond wordt verklaard,
kent de wet de bestuursrechter de bevoegdheid daartoe over te gaan.
Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op
haar bezwaarschrift dient derhalve niet-ontvankelijk te worden
verklaard.
Griffierecht en proceskosten
Wel ziet de rechtbank aanleiding om
te bepalen dat het door eiseres gestorte griffierecht op grond van artikel
8:74, tweede lid, Awb, door de gemeente
Groningen
aan eiseres wordt vergoed.
De rechtbank acht verder termen
aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75,
eerste lid, Awb,
te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van
het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs door eiseres zijn
gemaakt en wijst de gemeente
Groningen
aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden. De
rechtbank volgt niet de redenering van verweerders dat er geen ruimte is
voor een proceskostenveroordeling nu over hetzelfde aspect door eiseres
reeds eerder is geprocedeerd en waarbij zij in het gelijk is gesteld,
onder veroordeling van verweerders in de kosten van die procedure.
Immers, in de door verweerders bedoelde zaak (AWB 98/67 ABW) was sprake
van beroep tegen het niet tijdig beslissen op het d.d. 6 oktober 1997
ingediende bezwaarschrift, terwijl in de onderhavige procedure het niet
tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 24 oktober 1997 speelt. Dat
het bij beide bezwaarschriften om dezelfde kwestie gaat, doet daaraan
niet af. Het indienen van twee bezwaarschriften en het vervolgens
tweemaal instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen op die
bezwaarschriften vloeit veeleer voort uit de werkwijze van verweerders
(eerst feitelijke beëindiging van de uitkering, vervolgens een
intrekkingsbesluit uitreiken), terwijl verweerders - door tijdig te
beslissen op bezwaarschriften - zelf het instellen van beroep wegens
niet tijdig beslissen op bezwaar kunnen voorkomen.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht bepaalt de rechtbank
deze kosten op ƒ1065,-,
zoals aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het
bezwaarschrift van eiseres van 24 oktober 1997 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart
1998 ongegrond;
- bepaalt dat de gemeente
Groningen
eiseres het betaalde
griffierecht ad
ƒ55,- vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de door eiseres gemaakte
proceskosten, welke zijn vastgesteld op
ƒ1065,-,
en bepaalt dat de gemeente Groningen deze kosten aan eiseres dient
te betalen.
Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar
door haar uitgesproken op 12 oktober 1999, in tegenwoordigheid van
A.M. van der List-van Winden als griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 12 oktober 1999.
Bijlage: Staat van kosten.
De rechtbank wijst erop dat
partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van
verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen
instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA
in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3716 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummer: |
98/1720
NABW Z SCC en 98/1875 NABW Z SCC |
| Datum
uitspraak: |
28
september 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
6,
17 en 39 Abw
(= 5, 15
en 35 Wwb)
/ 3:2
en
7:12 Awb
|
| Trefwoorden: |
bijzondere
bijstand; kosten griffierecht en eigen bijdrage
rechtsbijstand; advocaat; toevoeging; Raad voor Rechtsbijstand;
voorliggende voorziening |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van griffierecht
en eigen bijdrage toegevoegd advocaat, ongeacht of sprake is van
procederen tot vermindering van bijstandsafhankelijkheid of dat
de kosten zouden behoren tot de (incidentele) algemene kosten
van het bestaan. Het gemeentelijk beleid ter zake is dan ook
onrechtmatig. De noodzaak van de (kosten van de) procedure is
reeds getoetst door de Raad voor Rechtsbijstand en daaraan zijn B&W gebonden. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Maastricht 98/1720
NABW Z SCC en 98/1875 NABW Z SCC
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder.
Datum en aanduiding van de bestreden besluiten:
1. het besluit van verweerder van 13 oktober 1998, kenmerk soza/gh/63888,
en van 5 januari 1999, kenmerk soza/gh/64440;
2. het besluit van verweerder van 8 december 1998, kenmerk soza/gh/63941.
Datum van behandeling ter zitting: 6 juli 1999.
I. Ontstaan en loop van de gedingen
Bij brieven van 7 oktober 1998, van 2 december 1998 en van 3
december 1998 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van ten
aanzien van hem genomen besluiten inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet
(Abw).
Bij brieven van respectievelijk 20 november 1998, 16 december 1998
en 4 februari 1999 is namens eiser door mr. P.H.A. Brauer,
advocaat te Heerlen, tegen die besluiten beroep bij deze rechtbank
ingesteld.
De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42
van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) ingezonden stukken alsmede
de verweerschriften zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser
gezonden.
De namens eiser naar aanleiding van de verweerschriften ingezonden
reacties zijn in afschrift aan verweerder verzonden.
De beroepen zijn, tezamen met het beroep in de zaak 98/1831 ter
zake van het geschil tussen eiser en verweerder, gevoegd
behandeld ter openbare zitting van de rechtbank
op 6 juli 1999,
alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.P.P.
Roeden, kantoorgenoot van mr. Brauer, voornoemd.
Verweerder is, na daartoe ambtshalve te zijn opgeroepen,
verschenen bij gemachtigde G.J.H.M. Herberighs, ambtenaar bij de Productgroep
Sociale Zaken van verweerders
gemeente.
In de zaak 98/1831 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. Overwegingen
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank
de volgende feiten en omstandigheden.
II.1. Met betrekking tot het geding 98/1720
Eiser ontvangt sedert 1 april 1984 een periodieke
bijstandsuitkering vanwege verweerders
gemeente.
Op 23 juli 1998 is door eiser een aanvraag bij verweerder
ingediend om toekenning van bijzondere bijstand ter zake van de
kosten van griffierechten ad ƒ75,- in verband met een procedure bij
het gerechtshof te
's-Hertogenbosch omtrent hertaxatie in het kader van
de Wet waardering onroerende zaken (WOZ).
Bij besluit van 18 augustus 1998 heeft verweerder voornoemde
aanvraag afgewezen. Daarbij is aangegeven dat de desbetreffende
kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan, te voldoen uit eigen
middelen door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf.
Op 30 juli 1998 is door eiser voorts bij verweerder een aanvraag
ingediend voor toekenning van bijzondere bijstand ter zake van de
door eiser verschuldigde eigen bijdrage voor rechtsbijstand ad
ƒ110,-, welke verband houdt met een bezwaarschriftprocedure inzake
de Abw.
Bij besluit van eveneens 13 augustus 1998 is laatstbedoelde
aanvraag afgewezen, op dezelfde grondslag als de eerder bedoelde
aanvraag van 23 juli 1998.
Namens eiser is bij schrijven van 21 augustus 1998 bezwaar gemaakt
tegen voornoemde besluiten van 18 augustus 1998.
Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat eiser geen mogelijkheid
heeft om gelden te reserveren, noch om een lening af te sluiten,
dat de verzochte bijzondere bijstand betrekking heeft op kosten
die bijzonder én noodzakelijk zijn en dat het door verweerder
gevoerde beleid ter zake discriminerend en willekeurig is.
Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift is eiser in de
gelegenheid gesteld het bezwaarschrift op een hoorzitting op 24
september 1998 nader toe te lichten, van welke gelegenheid eiser
en zijn gemachtigde gebruik hebben gemaakt. Van het horen is
verslag opgemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 13 oktober 1998, verzonden op 14
oktober 1998, eisers bezwaren tegen het niet toekennen van
bijzondere bijstand voor de kosten van griffierechten ongegrond
verklaard.
Verweerder heeft bij besluit van 5 januari 1999, verzonden op
dezelfde dag, eisers bezwaren tegen het niet toekennen van
bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor
rechtsbijstand eveneens ongegrond verklaard.
Aan deze besluiten heeft verweerder het volgende ten grondslag
gelegd.
Nu eiser zelf heeft gekozen om de desbetreffende procedures te
beginnen, dienen de daarmee gepaard gaande kosten voor zijn
rekening te komen, welke voldaan moeten worden uit de hem
toegekende periodieke Abw-uitkering; daarvan kan slechts worden
afgeweken indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen.
Zodanige omstandigheden zijn evenwel niet gebleken, waarbij -
samengevat - het standpunt is ingenomen dat:
- het feit dat op eisers inkomen beslag is gelegd tot de van
toepassing zijnde beslagvrije voet niet afdoet aan het gegeven dat
eiser de beschikking heeft over een inkomen dat toereikend is om
te kunnen voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan;
- het door verweerder legitiem en op basis van een eigen keuze
gevoerde beleid, waarbij slechts bijzondere bijstand kan worden
verstrekt waar het gaat om kosten die verband houden met
procedures die de behoefte aan bijstand verminderen, zich tegen
bijzonderebijstandverlening in het onderhavige geval verzet,
gelet op de door eiser gevoerde procedures;
- niet gezegd kan worden dat de procedures, ook al is er een
toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand verleend, noodzakelijk
moeten worden geacht, nu er daarbij andere criteria worden
gehanteerd dan bij de vraag of bijzondere bijstand moet worden
toegekend;
- de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) als een voorliggende
voorziening als bedoeld in artikel 17 van de
Abw
moet worden
aangemerkt en het niet past om het in de Wrb neergelegde stelsel
te doorkruisen door in het kader van de Abw bijstand te
verstrekken voor de opgelegde eigen bijdrage.
Blijkens de tegen voornoemde besluiten op bezwaar ingediende
beroepschriften kan eiser zich niet met die besluiten verenigen.
Daartoe is namens eiser verwezen naar het gestelde in het
bezwaarschrift van 21 augustus 1998. Samengevat komen eisers
grieven neer op het volgende:
- eiser kan de verzochte kosten niet uit eigen middelen voldoen;
- de voor eiser wat betreft de rechtsbijstand overblijvende kosten
zijn naar hun aard bijzondere kosten en deze zijn noodzakelijk ter
waarborging van zijn rechten;
- de noodzaak is, wat de rechtsbijstand betreft, voorts reeds
getoetst door de Raad voor Rechtsbijstand, welke
immers een
toevoeging heeft verstrekt; blijkens vaste jurisprudentie komt de gemeente
aan een toets van de noodzaak dan niet meer toe;
- het beleid van verweerder om in bepaalde gevallen wel kosten te
vergoeden, is volstrekt willekeurig, heel strikt en onjuist: er
wordt immers in zaken als de onderhavige niet gekeken naar
bijzondere individuele omstandigheden, die in casu wel aanwezig
zijn. Eiser zit al sedert bijna twintig jaar in de bijstand, heeft
verschillende malen grote schade geleden, terwijl jarenlang niet de
volledige uitkering aan eiser werd uitbetaald. Verder is verwezen
naar bij verweerder aanwezige stukken waaruit blijkt dat de
gemeentelijke kredietbank eisers schulden niet wenst te saneren.
II.2. Met betrekking tot het geding 98/1875
Op 27 augustus 1998 is door eiser een aanvraag bij verweerder
ingediend om toekenning van bijzondere bijstand ter zake van de
door eiser verschuldigde eigen bijdrage voor rechtsbijstand ad ƒ110,-, welke verband houdt met een bezwaarschriftprocedure tegen
de verlening van een vergunning aan eisers buurman.
Bij besluit van 8 september 1998 heeft verweerder voornoemde
aanvraag afgewezen. Daarbij is aangegeven dat de desbetreffende
kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan, te voldoen uit eigen
middelen door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf.
Namens eiser is bij schrijven van 23 september 1998 bezwaar
gemaakt tegen dat besluit. Daarbij heeft eisers gemachtigde wat de
gronden betreft verwezen naar het bezwaarschrift van 21 augustus
1998, dat in de hierboven onder II.1 genoemde zaak is ingediend.
Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift is eiser in de
gelegenheid gesteld het bezwaarschrift op een hoorzitting nader
toe te lichten. Bij schrijven van 10 november 1998 is namens eiser
aan verweerder bericht dat daaraan geen behoefte bestaat onder
verwijzing naar de op 24 september 1998 gehouden hoorzitting
inzake de hierboven onder II.1 genoemde zaak.
Verweerder heeft bij besluit van 8 december 1998, verzonden op 10
december 1998, de bezwaren ongegrond verklaard. In dit besluit
heeft verweerder hetzelfde standpunt ingenomen als in zijn
besluiten op bezwaar van 13 oktober 1998 en 5 januari 1999, zoals
hierboven weergegeven onder II.1, waarnaar de rechtbank
kortheidshalve verwijst.
Blijkens het beroepschrift van 16 december 1998 kan eiser zich
niet met dit besluit verenigen en wel op dezelfde gronden als
aangevoerd in de onder II.1 genoemde beroepschriften, waarnaar de rechtbank
kortheidshalve verwijst.
II.3
In de onderhavige gedingen dient de rechtbank
de vraag te
beantwoorden of de bestreden besluiten van 13 oktober 1998, van 5
januari 1999 en van 8 december 1998 in rechte stand kunnen houden.
Daarbij staat de vraag centraal of verweerder terecht en op goede
gronden heeft kunnen besluiten om eiser niet in aanmerking te
brengen voor bijzondere bijstand ter zake van kosten van eigen
bijdragen van rechtsbijstand en ter zake van griffierechten.
De rechtbank
overweegt dienaangaande als volgt.
II.3.1. Artikel 6, aanhef en onder b, van de
Abw
bepaalt dat onder
bijzondere bijstand wordt verstaan: de bijstand die wordt
verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele
geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de
algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te
boven gaan.
Artikel 39, eerste lid, van de Abw
bepaalt dat onverminderd
hoofdstuk II de alleenstaande of het gezin recht heeft op
bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen
om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het
oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan
uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en
3, en
de aanwezige draagkracht.
Blijkens de toelichting bij artikel 39 van de
Abw
zal beoordeeld
moeten worden of zich in het individuele geval zodanige bijzondere
omstandigheden voordoen dat bijzondere bijstand moet worden
verleend.
Voor zover de betrokkene voor dergelijke kosten geen beroep kan
doen op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17 van
de Abw
en die kosten evenmin uit de eigen middelen kan voldoen,
kan daarvoor bijzondere bijstand worden verstrekt.
II.3.2. De rechtbank
stelt vast dat aan eiser door de Raad voor Rechtsbijstand
te 's-Hertogenbosch een tweetal toevoegingen
ingevolge de Wrb zijn afgegeven ten behoeve van rechtsbijstand
door zijn advocaat ter zake van tegen verweerder aangespannen
bezwaarschriftprocedures. Daarbij is, gelet op eisers draagkracht,
door voornoemde Raad tevens bepaald dat eiser een eigen bijdrage
van (steeds) ƒ110,- aan zijn advocaat dient te voldoen. Voorts
staat vast dat aan eiser ter zake van de bij het gerechtshof te
's-Hertogenbosch gevoerde WOZ-procedure een griffierecht ad ƒ75,- in rekening is gebracht.
Gelet op de in artikel 12, tweede lid, van de Wrb neergelegde
criteria op grond waarvan rechtsbijstand niet wordt verleend -
welke criteria nader zijn uitgewerkt in het Besluit
rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Besluit van 11 januari 1994, Stb. 1994, 32) - moet worden vastgesteld dat de
Raad voor Rechtsbijstand, nu hij wél is overgegaan tot het aan eiser
verlenen van rechtsbijstand op basis van toevoegingen, reeds heeft
geoordeeld dat het verlenen van rechtsbijstand noodzakelijk wordt
geacht. In de nota van toelichting bij laatstbedoeld besluit wordt
in dit verband opgemerkt dat de (bureaus rechtsbijstandvoorziening
van de) Raad voor Rechtsbijstand zich er van geval tot geval van
moeten vergewissen of aan het verzoek om rechtsbijstand een
wezenlijk belang ten grondslag ligt waarvoor een toevoeging
werkelijk noodzakelijk is.
Het voorgaande strookt ook met jurisprudentie van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals tot uiting komend
in haar uitspraak van 29 april 1994 (JABW 1994, 217) en van de Centrale Raad van
Beroep
in zijn uitspraken van 28 november 1994
(JABW
1995, 86) en 20 april 1995 (JABW 1995, 310), waarin is geoordeeld
dat, indien op grond van een toevoeging krachtens de Wet
rechtsbijstand on- en minvermogenden (Wrom) rechtsbijstand is
verleend, in beginsel de noodzaak voor het verlenen van
rechtsbijstand kan worden aangenomen. De rechtbank
ziet geen
aanleiding om die jurisprudentie niet evenzeer van toepassing te
laten zijn op de Wrb, welke met ingang van 1 januari 1994 in de
plaats is gekomen van de Wrom.
Blijkens vaste jurisprudentie behoren de kosten van eigen
bijdragen en griffierechten onder omstandigheden tot de bijzondere
noodzakelijke kosten van het bestaan, die redelijkerwijs niet uit
de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht kunnen worden
voldaan. Daartoe verwijst de rechtbank
onder meer naar de
bovengenoemde uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep
van 20
april 1995.
De rechtbank kan, gelet op het voorgaande, verweerders standpunt
in de bestreden besluiten dat ten aanzien van de hier in geding
zijnde kosten geen sprake is van bijzondere kosten van het bestaan
dan ook niet delen. Daarbij overweegt de rechtbank verder dat zij
evenmin verweerders standpunt deelt dat er voor eiser geen enkele
noodzaak bestond om in de twee onderhavige
bezwaarschriftprocedures gebruik te maken van rechtsbijstand;
daarbij verwijst de rechtbank nogmaals op de door de Raad voor Rechtsbijstand
ter zake verleende toevoegingen.
II.3.3. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat de vraag
naar de aanwezigheid van noodzakelijke kosten slechts getoetst kan
worden aan het daarmee gemoeide bijstandsbelang van verweerders
gemeente overweegt de rechtbank
het volgende.
Blijkens de bestreden besluiten, de verweerschriften en het
verhandelde ter zitting voert verweerder het beleid dat alleen dan
bijzondere bijstand wordt verstrekt in de kosten van de eigen
bijdrage en van griffierecht indien het gaat om procedures die
strekken tot vermindering of beëindiging van de
bijstandsuitkering, bijvoorbeeld procedures inzake alimentatie- en
loonvorderingen.
Naar het oordeel van de rechtbank
is een dergelijk beleid - dat
leidt tot een categoriale beperking van het recht op bijzondere
bijstand - in strijd met het bepaalde in artikel
39, eerste lid,
van de Abw. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de
Centrale Raad van
Beroep van 30 maart 1999 (JABW 1999, 77, en AB
1999, 245), waarin is geoordeeld dat een beleid als hier aan de
orde miskent dat de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand
in beginsel ook kan worden aangenomen indien op grond van de Wrb
een toevoeging is verleend ter zake van andere in de Nederlandse
rechtssfeer liggende rechtsbelangen dan het verwerven of behouden
van inkomen. Hoewel deze uitspraak betrekking heeft op de
inmiddels vervallen Algemene Bijstandswet en het eveneens
vervallen (artikel 18a van het) Bijstandsbesluit landelijke
normering (Bln), ziet de rechtbank geen aanleiding het daarin
uitgesproken oordeel niet ook van toepassing te achten ten aanzien
van het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de
Abw
nu deze
laatste bepaling (nagenoeg) overeenkomt met artikel 18a van het
Bln.
Voor zover verweerder op grond van zijn eerder bedoeld - en
onrechtmatig te achten - beleid bij de thans betreden besluiten de
weigering om eiser bijzondere bijstand toe te kennen, heeft
gehandhaafd, dienen deze besluiten te worden vernietigd wegens
strijd met het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de
Abw.
II.3.4. Voorts overweegt de rechtbank
het volgende.
Gelet op de aard van de procedures in de kosten waarvan bijstand
is gevraagd, acht de rechtbank
- mede onder verwijzing naar het eerder overwogene - ook in de onderhavige gevallen sprake van
noodzakelijke kosten.
Vervolgens dient in het kader van de toepassing van artikel
39,
eerste lid, van de Abw
antwoord te worden gegeven op de vraag of
die noodzakelijke kosten in de onderhavige gevallen redelijkerwijs
kunnen worden voldaan uit de verstrekte uitkering en de aanwezige
draagkracht.
De rechtbank
overweegt dat uit de bestreden besluiten niet blijkt
dat verweerder deze vraag, toegespitst op het concrete geval,
heeft beantwoord. Volstaan is slechts met het standpunt dat eiser
over een toereikend inkomen beschikt om te voorzien in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan en dat daaraan de
omstandigheid dat daarop beslag is gelegd niet afdoet.
Gelet evenwel op het feit dat namens eiser in de
bezwaarschriftprocedures uitdrukkelijk is gewezen op eisers
financiële positie en op het ontbreken van de mogelijkheden om te
reserveren dan wel te lenen, moet worden geoordeeld dat verweerder
door daaraan in de bestreden besluiten voorbij te gaan in strijd
heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:2 van de
Awb, waarin
is neergelegd dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een
besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te
wegen belangen vergaart, en met het bepaalde in artikel
7:12,
eerste lid, van de Awb, waarin is voorgeschreven dat de beslissing
op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.
II.3.5. Ten slotte overweegt de rechtbank
ten aanzien van het
standpunt van verweerder dat de Wrb als een voorliggende
voorziening als bedoeld in artikel 17 van de
Abw
moet worden
aangemerkt en het niet past om het in de Wrb neergelegde stelsel
te doorkruisen door in het kader van de Abw
bijstand te
verstrekken voor de opgelegde eigen bijdrage het volgende.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de
Abw
bestaat geen recht op
bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een
voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt
geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
In artikel 6, aanhef en onder c, van de
Abw
is bepaald dat onder
voorliggende voorziening wordt verstaan elke voorziening buiten de
Abw
waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel
een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter
bekostiging van specifieke uitgaven.
De rechtbank
is van oordeel dat voor de kosten van
rechtsbijstandsvoorziening de Wrb in beginsel dient te worden
beschouwd als een aan de Abw
voorliggende, toereikende en passende
voorziening. Daarbij overweegt de rechtbank dat dit uitgangspunt
met name betrekking heeft op de kosten van rechtsbijstand, welke
in geval van een toevoeging ingevolge de Wrb door de (centrale)
overheid worden gedragen. Ten aanzien van de in het kader van een
verleende toevoeging opgelegde eigen bijdrage
kan naar het oordeel
van de rechtbank evenwel niet worden gesproken van een
voorliggende voorziening, nu daarbij geen sprake is van
bekostiging van specifieke uitgaven, maar juist van het opleggen
van een financiële verplichting. Gezien het onder II.3.2
overwogene kunnen dergelijke kosten voor vergoeding door middel
van toekenning van bijzondere bijstand in aanmerking komen. Het
standpunt van verweerder dat sprake zou zijn van een doorkruising
kan dan ook niet worden gedeeld.
II.3.6. Gelet op hetgeen is overwogen, kunnen de bestreden
besluiten in rechte geen stand houden. De beroepen zijn derhalve
gegrond.
II.3.7. Voorts acht de rechtbank
termen aanwezig om verweerder met
toepassing van
artikel 8:75
van de Awb te veroordelen in de
kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen
bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft in de eerste plaats betrekking
op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld
overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel
2, eerste
lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten
bestuursrecht.
De rechtbank
kent daarbij ter zake van de verrichte
proceshandelingen 3 punten met een waarde van
ƒ710,- per punt toe
voor de indiening van de beroepschriften en het verschijnen ter
zitting bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de
inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt
derhalve 3 x ƒ710,- x 1 = ƒ2130,-.
De proceskostenveroordeling heeft voorts betrekking op de
reiskosten van eiser wegens het bijwonen van de zitting op 6 juli
1999.
Het bedrag daarvan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel
2, eerste
lid, onderdeel c, van het Besluit proceskosten
bestuursrecht en
artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in
strafzaken door de rechtbank
vastgesteld op ƒ6,27, zijnde de
reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.
Nu aan eiser ter zake van het beroep in de zaak 98/1720 een
toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand,
dient het bedrag van de kosten ingevolge
artikel 8:75, tweede lid,
van de Awb
te worden betaald aan de griffier van deze
rechtbank.
Op grond van het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74 en
8:75
van de Awb
wordt als volgt beslist.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 13
oktober 1998, van 8 december 1998 en van 5 januari 1999;
2. draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de
bezwaarschriften van 21 augustus 1998 en van 23 september 1998 met
inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten
bedrage van ƒ110,- wordt vergoed door de gemeente
Meerssen;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij
de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op
ƒ2136,27
(waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand
ƒ2130,-); daarvan
dient de gemeente Meerssen
ƒ1065,- te betalen aan de griffier
van de arrondissementsrechtbank te Maastricht en
ƒ1071,27 aan
eiser.
Aldus gedaan door mr. W.L.J. Voogt in tegenwoordigheid van mr. C.
Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28
september 1999 door mr. Voogt voornoemd in tegenwoordigheid van
voornoemde griffier.
w.g. C. Schrammen
w.g. W.L.J. Voogt
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
verzonden op: 14 oktober 1999.
Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze
uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep
bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en
belanghebbende tevens de mogelijkheid open om de Voorzitter van de
Centrale Raad van Beroep te adiëren met een verzoek tot het
treffen van een voorlopige voorziening.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|