| |
St-AB.nl
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
vorige
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3717 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Amsterdam |
| Zaaknummer: |
Awb
99/9094 NABW |
| Datum
uitspraak: |
6
oktober 1999 |
| Soort
procedure: |
voorlopige
voorziening |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
7
en 11 Abw
(= 11
en 16 Wwb)
/ 8:86 Awb |
| Trefwoorden: |
vreemdeling;
beëindiging bijstand; geen gelijkstelling met Nederlander;
Marokkanen |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging van de bijstand, omdat de betrokken vreemdeling
ingevolge de Abw c.a. niet kan worden gelijkgesteld met een
Nederlander. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
voorzieningenrechter Rechtbank
Amsterdam Awb
99/9094 NABW
U I T S P R
A A K
als bedoeld in artikel 8:84 van de
Algemene wet bestuursrecht
inzake:
[verzoeker A] en
[verzoekster B], wonende te [woonplaats],
verzoekers
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Amsterdam, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 3 september 1999, nr. EST 1999/2829 (3538.469) A.
2.
Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 29 juni 1999 heeft verweerder de aan verzoekers toegekende uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) met ingang van 1 juli 1999 beëindigd, omdat zij niet rechtmatig
in Nederland verblijven.
Tegen dit besluit heeft mr. Th.P.M. Moons, advocaat te Amersfoort,
namens verzoekers op 19 juli 1999 een bezwaarschrift ingediend.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, doch het besluit van 29 juni
1999 herzien in die zin
dat de uitkering met ingang van 8 juli 1999 wordt beëindigd.
Tegen dit besluit heeft mr. N. Woudwijk, advocaat te Amersfoort,
namens verzoekers op 14 september 1999 beroep bij de rechtbank ingesteld.
Bij brief van eveneens 14 september 1999 heeft mr. N. Woudwijk voornoemd zich namens verzoekers tot de
president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden.
Het verzoek is op 1 oktober 1999 ter zitting behandeld. Verzoekers
zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeentelijke sociale dienst.
3. Motivering
Ingevolge artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de
betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening
vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging
van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde
voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de
onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor
zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over
het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig
karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de
bodemprocedure.
Feiten en omstandigheden
Verzoeker A, geboren op [...] 1958 en van Marokkaanse
nationaliteit, is op 11 maart 1981 Nederland ingereisd, maar heeft
zich nimmer bij de vreemdelingendienst gemeld. Verzoeker is
verscheidene malen uit Nederland verwijderd, laatstelijk op 27
november 1987. Verzoeker is nimmer in het bezit geweest van een
geldige vergunning tot verblijf.
Op 30 januari 1995 heeft verzoeker bij de korpschef van de
politieregio Amsterdam-Amstelland een aanvraag om een vergunning
tot verblijf ingediend met als doel het verrichten van arbeid in
loondienst. Bij besluit van 18 juni 1996 heeft de Staatssecretaris
van Justitie aan verzoeker meegedeeld de aanvraag niet in te
willigen. Tegen dit besluit heeft hij bezwaar gemaakt, doch dit
bezwaar is bij besluit van 26 juli 1996 ongegrond verklaard. De rechtbank
te Den Haag, zittingsplaats
Amsterdam, heeft het tegen dit besluit ingediende beroep bij
uitspraak van 20 januari 1997 ongegrond verklaard.
Verzoekster B, geboren op [...] 1970 en van Marokkaanse
nationaliteit, is op of omstreeks 30 mei 1990 Nederland ingereisd
en heeft op 23 juli 1997 bij de korpschef van de politieregio
Amsterdam-Amstelland een aanvraag om een vergunning tot verblijf
met als doel verblijf bij Marokkaanse echtgenoot A ingediend. Op
deze aanvraag is afwijzend beslist bij besluit van 3 oktober 1997.
Bij brief van 14 oktober 1997 heeft verzoekster een aanvraag
ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf zonder
beperking en is verzocht het doel te wijzigen in klemmende redenen
van humanitaire aard. Eerder genoemde korpschef heeft deze brief
doorgestuurd in aanvulling op de aanvraag van 23 juli 1997 en het
bezwaarschrift van 24 november 1997. Het bezwaar is bij besluit
van 17 december 1998 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1
september 1999 is het tegen dit afwijzende besluit ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft op 13 november 1997 andermaal een aanvraag
ingediend om een vergunning tot verblijf, thans met als doel
klemmende redenen van humanitaire aard dan wel medische redenen.
Op deze aanvraag is nog niet onherroepelijk beslist.
Sedert 1 december 1997 ontvingen verzoekers ter voorziening in de
noodzakelijke kosten van het bestaan een bijstandsuitkering naar
de norm voor een gezin.
In het kader van een onderzoek naar het recht op ongewijzigde
continuering van de bijstandsuitkering heeft verweerder op 17 juli
1998 de gemeentelijke basisadministratie (GBA) geraadpleegd.
Hierin is ten aanzien van de verblijfsstatus van verzoekers
opgenomen: 18. Bij besluit van 12 augustus 1998 is aan verzoeker
meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 1 september 1998
wordt beëindigd, omdat hij niet rechtmatig in Nederland
verblijft. Namens verzoeker is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 13 november 1998 het bezwaar
gegrond verklaard, nu uit nadere informatie van de Dienst
Vreemdelingenpolitie is gebleken dat verzoekers ingevolge artikel
1b, onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw) rechtmatig in
Nederland verblijven.
Verweerder heeft op 16 juni 1999 opnieuw de GBA geraadpleegd. Ten
aanzien van de verblijfsstatus van verzoeker is hierin opgenomen:
"Verblijfsstatus: 18 GEMELD BIJ VD, GEEN VERZOEK TOELATING
ALS VLUCHTELING, GEEN UITZETTING van 13nov1997 tot 17dec1998".
Ten aanzien van de verblijfsstatus van verzoekster is opgenomen:
"GEEN VERBLIJFSSTATUS BEKEND". Uit op 16 juni 1999
opgevraagde informatie van de Dienst Vreemdelingenpolitie is
verweerder gebleken dat verzoeker status 18 heeft en geen historie
met betrekking tot de verblijfstitel, alsmede dat verzoeker
ingevolge artikel 1b, onder 3, van de Vw rechtmatig in
Nederland verblijft.
Vervolgens heeft verweerder het besluit van 29 juni 1999 genomen.
Tegen dit besluit is namens verzoekers bezwaar gemaakt bij bezwaar
schrift van 19 juli 1999. In bezwaar hebben verzoekers aangevoerd
dat zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 1b,
onder 3, van de Vw. Voorts hebben zij aangevoerd dat de
beëindiging van de bijstandsuitkering schending oplevert van
artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten (IVBPR).
Verzoekers zijn op 17 augustus 1999 in de gelegenheid gesteld te
worden gehoord. Tijdens de hoorzitting hebben verzoekers nog
aangevoerd dat zij gelijk dienen te worden gesteld aan Turkse
onderdanen die op grond van het Europees verdrag betreffende
sociale en medische bijstand (EVSMB) wel recht hebben op bijstand
en voorts dat er ingevolge artikel 9 van het Internationaal verdrag
inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) recht
bestaat op bijstand. Tevens heeft verzoeker aangevoerd dat
verzoekster zwanger is en onder voortdurende medische controle
staat in verband met haar suikerziekte. Verzoeker dient in
Nederland te blijven, omdat verzoekster niet kan reizen.
Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.
Standpunten van partijen
Verzoekers kunnen zich met dit besluit niet verenigen en hebben in
dat verband herhaald hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Voorts
hebben verzoekers blijkens de gedingstukken, samengevat,
aangevoerd dat verzoeker nog in afwachting is van een beslissing
op een aanvraag om toelating en dat uitzetting achterwege dient te
blijven totdat op de aanvraag is beslist. Tevens hebben verzoekers
aangevoerd dat het gevolg van de uitspraak van de Rechtbank 's-Gravenhage
van 7 oktober 1998 is dat er in Nederland een situatie van
rechtsongelijkheid is ontstaan, doordat een Turk die in afwachting
is van een beslissing op zijn aanvraag tot toelating wel in
aanmerking komt voor sociale voorzieningen en een Marokkaan niet,
omdat Marokko geen partij is bij het EVSMB. Voorts is naar het
oordeel van verzoekers met de uitspraak van de Rechtbank
's-Gravenhage de doelstelling van de Koppelingswet
achterhaald, nu immers een belangrijke groep vreemdelingen aan wie
met de inwerkingtreding van de Koppelingswet collectieve
voorzieningen waren ontzegd, hier nu toch recht op blijken te
kunnen doen gelden. Ten slotte hebben verzoekers aangevoerd dat er
alles voor te zeggen is om de wet opzij te zetten, nu het
resultaat van de wetstoepassing dermate onbillijk is dat dit
resultaat niet door de wetgever kan zijn gewenst.
Verzoekers vorderen thans als voorlopige voorziening dat
verweerder wordt opgedragen dat hen in afwachting van de
beroepsprocedure bijstand wordt verleend.
Verweerder stelt zich blijkens de gedingstukken, samengevat, op
het standpunt dat de bijstandsuitkering van verzoekers is
beëindigd omdat zij niet rechtmatig in Nederland verblijven. Met
de inwerkingtreding van de Koppelingswet
is de Abw
gewijzigd en is verlening van bijstand aan een vreemdeling
uitsluitend nog mogelijk aan degene die hier te lande rechtmatig
verblijft in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van
de Vw. Ten aanzien van verzoekers staat vast dat geen sprake is
van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 1, van de Vw. Primair kunnen zij dan ook niet gelijk worden
gesteld met de in
artikel 7, tweede lid, van de Abw
bedoelde vreemdeling, terwijl zij voorts evenmin gelijk kunnen
worden gesteld met de in artikel 1 van
het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw,
Ioaw en Ioaz bedoelde vreemdeling. Het in de Koppelingswet
voorziene overgangsrecht is volgens verweerder voorts ook niet van
toepassing in de situatie van verzoekers. Verder is verweerder van
mening dat de stelling van verzoekers dat de weigering van de
bijstandverlening in strijd is met bovengenoemde
internationaalrechtelijke bepalingen niet opgaat.
Overwegingen
Verweerder heeft het bestreden besluit gegrond op de overweging
dat de aan verzoekers toegekende bijstandsuitkering met ingang van
8 juli 1999 is ingetrokken - kort samengevat - omdat zij niet
rechtmatig in Nederland verblijven.
Met de inwerkingtreding per 1 juli 1998 van de Koppelingswet
(Stb. 1998, 203 en 204) zijn
onder meer de aanspraken op bijstandverlening van hier te lande
verblijvende vreemdelingen gewijzigd in die zin dat deze zijn
gekoppeld aan rechtmatig verblijf hier te lande.
Als gevolg van de Koppelingswet is per 1
juli 1998 in de Vw een nieuw artikel 1b opgenomen. Voor
zover van belang luidt dit artikel 1b als volgt:
"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig
verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van
toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan
verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een
regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap;
2. (...);
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating,
voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze
wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op
grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager
achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. (...);
5. (...)."
In artikel 7, eerste lid, van de Abw,
zoals dit artikel vanaf 1 juli 1998 luidt, is bepaald dat iedere
Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert
of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft
op bijstand van overheidswege. In het tweede lid van dit
wetsartikel is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het
eerste lid, gelijk wordt gesteld de hier te lande verblijvende
vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin
van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.
In artikel 8a, tweede lid, van de Vw is bepaald dat de minister
aan de vreemdeling, bedoeld in artikel 1b, onder 1, 2, 3 en
5, een document of schriftelijke verklaring verschaft waaruit het
rechtmatig verblijf blijkt. In de Regeling bescheiden rechtmatig
verblijf van 4 juni 1998 van de Staatssecretaris
van Justitie (hierna: de regeling) zijn de bescheiden
vastgesteld waaruit dat rechtmatige verblijf blijkt.
In artikel 7, derde lid, van de Abw
is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur hier te lande
verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vw, voor de toepassing van de wet met
een Nederlander gelijk kunnen worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van
een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin
de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van
de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft
aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft
ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating,
totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.
Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het besluit).
Krachtens artikel 1, eerste lid, van het
besluit wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling
die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de
zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, vóór de
beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om
voortgezette toelating of tegen de intrekking van die toelating
binnen de daarvoor gestelde termijnen bezwaar heeft gemaakt of
beroep heeft ingesteld. Op grond van het tweede lid van artikel
1 van het besluit eindigt deze
gelijkstelling zodra onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of
het beroep is beslist of de uitzetting van de vreemdeling is
gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een
rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.
In artikel 8b, eerste lid, van de Vw is ten slotte bepaald
dat vreemdelingen die niet het in artikel 1b van de Vw
bedoelde rechtmatige verblijf genieten geen aanspraak kunnen maken
op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij
wege van een beschikking van een bestuursorgaan.
Bij de beantwoording van de in het onderhavige geschil
voorliggende vraag ligt - zo blijkt uit de hiervoor opgesomde (in
casu van belang zijnde) wetsartikelen - primair de vraag voor of
verzoekers rechtmatig in de zin van artikel 1b, aanhef en
onder 1, van de Vw in Nederland verblijven. In dat kader overweegt
de president het volgende.
Verzoekers zijn geen gemeenschapsonderdanen; verzoekers zijn
derhalve niet uit dien hoofde in Nederland toegelaten. Verder
staat vast dat ten aanzien van verzoeker sinds zijn verblijf hier
te lande vanaf 11 maart 1981 nog nimmer een besluit tot
(onvoorwaardelijke) toelating is genomen, terwijl in het kader van
de door hem aanhangig gemaakte procedure ter verkrijging van een
vergunning tot verblijf nog geen onherroepelijk besluit is
genomen. Verzoeker verbleef en verblijft derhalve sedertdien niet
op grond van een besluit tot toelating in Nederland. Ook ten
aanzien van verzoekster staat vast dat sinds haar verblijf hier te
lande vanaf medio 1990 nog nimmer een besluit tot
(onvoorwaardelijke) toelating is genomen. Ook verzoekster verbleef
en verblijft derhalve sedertdien niet op grond van een besluit tot
toelating in Nederland.
Waar verzoekers niet door middel van de bescheiden als bedoeld in
artikel 8a, tweede lid, van de Vw en de regeling hebben
kunnen aantonen dat zij rechtmatig - dat wil zeggen rechtmatig in
de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw - in
Nederland verblijven, moet het er onder deze omstandigheden dan
ook voor worden gehouden dat er ten aanzien van verzoekers geen
sprake is van rechtmatig verblijf hier te lande in de zin van
artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.
Gezien deze overwegingen moet dan ook worden geoordeeld dat
verzoekers als gevolg hiervan in het kader van de toepassing van
de Abw
geen aanspraak kunnen ontlenen aan gelijkstelling met een
Nederlander als bedoeld in voornoemd artikel
7, tweede lid, van die wet.
Verzoekers kunnen voorts een dergelijke gelijkstelling evenmin
ontlenen aan het bepaalde in het besluit.
De daaruit voortvloeiende gelijkstelling geldt immers slechts voor
de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van
de Vw, voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft
ingediend om voortgezette toelating of tegen de intrekking van die
toelating binnen de daarvoor gestelde termijnen bezwaar heeft
gemaakt of beroep heeft ingesteld. Waar verzoekers de
rechtmatigheid van het eerdere verblijf niet hebben kunnen
aantonen, moet reeds hierom worden geoordeeld dat het bepaalde in
het besluit niet op hen van toepassing is.
Voorts wordt geoordeeld dat verzoekers geen aanspraken kunnen
ontlenen aan het in artikel XXIII,
tweede lid, van de Koppelingswet
voorziene overgangsrecht. Voor zover verzoekers stellen dat aan
verzoekster die aanspraken toekomt omdat de in artikel 25 van de
Vw bedoelde situatie op haar van toepassing is, is deze status ten
aanzien van haar niet vastgesteld.
Voorts wordt door de president overwogen dat artikel
11, eerste lid, van de Abw,
gelet op het tweede lid van die bepaling, voor verzoekers evenmin
recht op uitkering doet ontstaan.
Ten aanzien van verzoeksters stelling dat de op de
inwerkingtreding van de Koppelingswet
gebaseerde weigering van de bijstandverlening discriminatie naar
nationaliteit teweeg brengt, hetgeen in strijd is met artikel 26
van het IVBPR, zij het volgende overwogen.
Genoemde bepaling luidt als volgt:
"Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie
aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband
verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een
ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op
welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal,
godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of
maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere
status."
De president is, gelijk deze rechtbank
in
haar uitspraken ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet van 4 augustus 1999 (onder andere AKW
99/11/109 en 99/13/109), van oordeel dat het hierboven weergegeven
samenstel van bepalingen een direct onderscheid naar nationaliteit
in het leven roept. Immers, door deze bepalingen kunnen
uitsluitend vreemdelingen, dat wil zeggen niet-Nederlanders,
worden getroffen. Niet-Nederlanders kunnen weliswaar ook aanspraak
maken op bijstand, doch onder bepaalde voorwaarden. Onder directe
discriminatie dient te worden verstaan het maken van openlijk
onderscheid door verwijzing naar ras, geslacht, geloof,
nationaliteit, etc., of onverbrekelijk daaraan verbonden
kenmerken. Nu de voorwaarde van rechtmatig verblijf onverbrekelijk
is verbonden aan het niet hebben van de Nederlandse nationaliteit,
kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden
geconcludeerd dan dat er in de hier aan de orde zijnde bepalingen
sprake is van direct onderscheid naar nationaliteit. Het feit dat
niet alle vreemdelingen worden getroffen, kan hieraan niet afdoen.
Het voorgaande betekent echter niet zonder meer dat het gemaakte
onderscheid verboden is. Daarvan is eerst sprake indien voor het
gemaakte onderscheid geen rechtvaardigingsgronden kunnen worden
aangedragen. Dat direct onderscheid naar nationaliteit in het
geheel niet zou kunnen worden gerechtvaardigd, acht de president
niet aannemelijk. Zowel uit de jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de EG (o.a. HvJ EG 4 mei 1999 (Sürül), RSV-actueel
1999, nr. 6) als die van het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens (o.a. het arrest van 16 september 1996 (Gaygusuz), RSV
1997/234) kan worden opgemaakt dat voor onderscheid dat
uitsluitend is gebaseerd op nationaliteit in beginsel
rechtvaardigingsgronden kunnen worden aangevoerd. De president
ziet geen reden waarom dit voor de toepassing van het hier aan de
orde zijnde artikel 26 van het IVBPR anders zou zijn.
Volgens verweerder kan in het doel van de Koppelingswet
voldoende rechtvaardiging worden gevonden voor het gemaakte
onderscheid. Uit de toelichting van de wetgever blijkt dat met de
wijzigingen die door middel van de Koppelingswet in onder meer de Abw
zijn aangebracht enerzijds is beoogd te voorkomen dat illegale
vreemdelingen feitelijk, doordat zij verstrekkingen en uitkeringen
kunnen krijgen waarbij geen verblijfstoets wordt aangelegd, door
de administratie in staat worden gesteld tot voortzetting van hun
wederrechtelijke verblijf, anderzijds te voorkomen dat illegalen
en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit kunnen
verkrijgen. Met betrekking tot personen die nog niet zijn
toegelaten, gaat het er dan om dat zij in de loop van de procedure
gaandeweg in staat blijken een zodanige rechtspositie op te bouwen
dat zij na afloop van de procedure zo goed als onuitzetbaar
blijken. (Kamerstukken II 1994-1995, 24 233, nr. 3). Deze
beleidsdoelen zijn naar het oordeel van verweerder legitiem en het
middel dat daarvoor wordt gehanteerd, zoals in casu de
beëindiging van de bijstandsuitkering, is een geschikt en
genuanceerd middel.
De president merkt hieromtrent allereerst op dat de Koppelingswet
niet slechts "illegalen" en "wederrechterlijk in
Nederland verblijvenden" van het recht op bijstand uitsluit,
doch ook een aantal van de rechtmatig in Nederland verblijvende
vreemdelingen als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3,
4 en 5, van de Vw. Ook ten aanzien van deze vreemdelingen wordt
kennelijk beoogd te voorkomen dat zij recht op bijstand krijgen
zolang niet vaststaat dat zij een verblijfstitel zullen
verkrijgen. De president is van oordeel dat gelet op het
algemeen belang dat is gediend met een effectief toelatingsbeleid
ten aanzien van vreemdelingen het door de wetgever nagestreefde
doel in beginsel, en met name voor nieuwe gevallen, als
gerechtvaardigd moet worden aangemerkt.
De president onderkent evenwel categorieën vreemdelingen ten
aanzien van wie door de volledige toepassing van genoemd samenstel
van regels de grenzen van proportionaliteit worden overschreden.
Daarbij gaat het met name om vreemdelingen die tot 1 juli 1998
recht hadden op een bijstandsuitkering en van wie op die datum
(nog) niet gezegd kon worden dat zij blijvend kwamen te behoren
tot de groep vreemdelingen waarvan de Koppelingswet
beoogt te voorkomen dat zij recht krijgen op bijstand.
Deze groep vreemdelingen bestaat deels uit rechtmatig in Nederland
verblijvenden als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3,
van de Vw en deels uit vreemdelingen die hun beroep en/of verzoek
om een voorlopige voorziening tegen een afwijzende beslissing op
hun verzoek om toelating op één of andere wijze in Nederland
mogen afwachten.
Ten aanzien van de hier bedoelde vreemdelingen kan het beleidsdoel
er niet zozeer toe strekken te voorkomen dat zij een rechtspositie
opbouwen, doch wordt in feite een bestaande rechtspositie
afgebouwd. De president acht een zodanig afbouwen eerst
gerechtvaardigd vanaf het ogenblik waarop vaststaat dat de
vreemdeling inderdaad geen verblijfsstatus toekomt waaraan een
bijstandsuitkering is gekoppeld.
Het verzoek van verzoekster om een vergunning tot verblijf was op
3 oktober 1997 afgewezen; nadat het bezwaar bij besluit van 17
december 1998 ongegrond was verklaard, heeft zij hiertegen beroep
ingesteld bij de rechtbank te Den Haag,
zittingsplaats Amsterdam. De
beslissing op haar beroepschrift mocht zij in Nederland afwachten.
Verzoekster was derhalve, op de datum van beëindiging van de
bijstandsuitkering, 8 juli 1999, in afwachting van een
onherroepelijke beslissing op haar eerste aanvraag om een
vergunning tot verblijf. Onder deze omstandigheden behoorde zij
tot de categorie van vreemdelingen ten aanzien van wie de
president in de hierbovenstaande overwegingen heeft vastgesteld
dat de volledige toepassing van het door de Koppelingswet
geïntroduceerde stelsel van regels, in het licht van het
discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR disproportioneel
is.
Verzoeker is thans voor de tweede maal in procedure ten aanzien
van een afwijzende beschikking op zijn aanvraag om een vergunning
tot verblijf. Reeds hierom is het vorenoverwogene omtrent genoemde
disproportionaliteit niet op hem van toepassing. Verzoeker behoeft
immers geen rechtspositie af te bouwen, nu reeds eerder is
vastgesteld dat aan hem geen verblijfsstatus toekomt.
Het voorgaande brengt de president tot het oordeel dat het
bestreden besluit ten aanzien van het recht van verzoekster op
bijstand naar verwachting in de bodemprocedure geen stand zal
kunnen houden. Deze conclusie leidt echter niet tot toewijzing van
het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening. Ten tijde van
het instellen van dit verzoek, te weten op 14 september 1999, was
er door de Rechtbank
's-Gravenhage,
zittingsplaats Amsterdam, reeds uitspraak gedaan op het namens
verzoekster ingestelde beroep. Bedoeld beroep is bij uitspraak van
1 september 1999 ongegrond verklaard. Met ingang van
laatstgenoemde datum staat derhalve vast dat aan verzoekster geen
verblijfsstatus toekomt waaraan een bijstandsuitkering is
gekoppeld.
In hetgeen overigens nog is aangevoerd zijn evenmin
aanknopingspunten gevonden voor toewijzing van het onderhavige
verzoek.
De president ziet geen aanleiding gebruik te maken van de hem in
artikel 8:86, eerste lid, van de Awb
gegeven bevoegdheid om onmiddellijk
uitspraak te doen in de hoofdzaak. In deze kwestie zijn namelijk rechtsvragen aan de orde die zich bij uitstek lenen voor
beantwoording door een meervoudige kamer. Naar verwachting zal een meervoudige
kamer van deze rechtbank
zich
op afzienbare termijn buigen over de relatie tussen Koppelingswet
en Abw.
Ten slotte wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van
de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een
grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden
vergoed.
Beslist wordt als volgt.
4.
Beslissing
De president:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening
af.
Gewezen door mr. H.C. Naves, fungerend president, in
tegenwoordigheid van mr. A. de Visser, griffier, en uitgesproken
in het openbaar op [6 oktober 1999, red.] door mr. H.C.
Naves, in tegenwoordigheid van de griffier.
De
griffier,
De president,
Afschrift verzonden op:
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / Wwb / IWwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3763 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Roermond |
| Zaaknummer: |
98/539
BZ K1 |
| Datum
uitspraak: |
21
juli 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
8 en 116
Abw (= 7
IWwb
en
7 Wwb) / 6:4,
7:12, 8:72
en 10:13 Awb |
| Trefwoorden: |
zelfstandige;
bedrijfskapitaal; levensvatbaarheid bedrijf; IMK Intermediair;
buitenlandse rechtspersoon; Limited; Ltd.; delegatie;
delegataris |
| Essentie: |
Terechte
afwijzing bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf,
maar vernietiging van het bestreden besluit omdat B&W
onbevoegdelijk op het bezwaar hebben beslist, daar niet zij het
primaire besluit hebben genomen, maar een delegataris. Ook op
een bedrijfsvorm naar buitenlands recht (i.c. een Ltd.) kan onder
voorwaarden het Bbz van toepassing zijn. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank
Roermond
98/539 BZ K1
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Weert,
verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 27
april 1998, kenmerk 04WA450 SZ/BV/vR/9708304.
Datum van terechtzitting: 10 juni 1999.
I.
Ontstaan en loop van het geding
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft
verweerder eisers bezwaar tegen een weigering hem in aanmerking te
brengen voor een bedrijfskrediet in het kader van het op de Algemene bijstandswet
(Abw) gebaseerde Besluit bijstandverlening
zelfstandigen (Bbz), ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift
zijn in afschrift aan eiser gezonden.
Bij uitspraak van 13 november 1998 heeft de president van deze rechtbank
eisers verzoek om een voorlopige voorziening ter zake
van het thans in geding zijnde besluit afgewezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank
op 10 juni
1999, waar eiser in persoon is verschenen en waar verweerder -
opgeroepen te verschijnen in de persoon van de verantwoordelijke
wethouder - zich heeft doen vertegenwoordigen door P.E.H. Coonen,
medewerker sociale zaken, en wethouder A.J.L. Heymans.
II. Overwegingen
Op 2 juli 1997 heeft eiser zich tot verweerders sociale dienst
gewend met het verzoek in aanmerking te worden gebracht voor een
bedrijfskrediet van naar schatting ƒ50.000,-, waarbij hij
aangeeft dat hij twee bedrijven exploiteert, te weten X BV en Y Ltd. Eiser geeft bij de aanvraag aan dat het twee gezonde
bedrijven zijn, maar dat de crediteurenpost teruggebracht moet
worden om zijn bedrijf gezonder te maken. Verweerder zendt de
aanvraag voor advies door naar de Stichting IMK Intermediair
(verder te noemen: IMK). Het IMK adviseert in zijn rapport van 17
oktober 1997 negatief inzake de verstrekking van een
bedrijfskrediet, omdat eiser zijn bedrijfsactiviteiten uitoefent
in de vorm van een rechtsfiguur naar buitenlands recht en
kredietverlening derhalve niet mogelijk is, en voorts omdat,
indien eiser zijn bedrijfsactiviteiten onderbrengt in een
onderneming naar Nederlands recht, het ontbreken van
levensvatbaarheid van eisers bedrijf aan kredietverlening in de
weg staat.
Uit het rapport van het IMK blijkt dat eiser sedert 1993 een
bedrijf heeft onder de naam Y Ltd., welke onderneming de
bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen van X BV, inhoudende het
zagen en verkopen van mastiekhoeken en -schroten en cannelurevullingen van steenwol. Het IMK schat de kredietbehoefte op ten
minste ƒ83.700,- en verwacht niet dat X BV aan de daarbij
behorende aflossingsverplichtingen zal kunnen voldoen. Bij de
bepaling van de kredietbehoefte is het IMK ervan uitgegaan dat
eiser(s bedrijf) kan profiteren van een behoorlijke kwijtingswinst.
Eiser stelt namelijk dat er een crediteurenakkoord is gesloten,
maar bewijsstukken daaromtrent ontbreken, zodat niet met zekerheid
kan worden gesteld dat en in welke mate eiser de kwijtingswinst
kan realiseren. Resultaten van dat crediteurenakkoord zijn ook
niet in de boekhouding verwerkt. Het IMK stelt zich op het
standpunt dat bijstandverlening in de onderhavige omstandigheden
een te groot risico voor verweerder inhoudt.
Bij besluit van 13 november 1997, afkomstig van de directeur
sociale zaken, wordt het verzoek om een bedrijfskrediet van ƒ50.000,- afgewezen, omdat eiser niet behoort tot de doelgroep van
het Bbz en (subsidiair) omdat eisers bedrijf, ook bij
bijstandverlening, niet levensvatbaar kan worden geacht. Bij
brief van 15 december 1997, bij verweerder ingekomen op 23
december 1997, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing,
waarbij hij aanvoert dat er krediet is aangevraagd om X BV
schuldenvrij te maken en dat het in de bedoeling ligt om Y Ltd. op
te heffen zodra krediet daarvoor wordt verleend. Eiser stelt in
dat verband dat er bij zijn advocaat een - getekend - crediteurenakkoord voorhanden is. Voorts brengt eiser naar voren
dat het IMK bij de waardering van de omzet over 1996 niet in
aanmerking heeft genomen dat eiser in dat jaar twee maanden niet
heeft kunnen werken, bij de waardering van de omzet over 1997 ten
onrechte uitgaat van een omzetdaling en bij de prognose voor 1998
geen rekening heeft gehouden met een nieuw product.
Bij brief van 21 januari 1998 is er van de zijde van het IMK
als
volgt gereageerd op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd:
- noch ten tijde van de advisering, noch ten tijde van het bezoek op
20 januari 1998 heeft eiser bewijsstukken omtrent de bereidheid
van crediteuren om een bedrag van ƒ129.000,- kwijt te schelden
ter inzage kunnen verstrekken;
- ten tijde van de kredietaanvraag
werden de bedrijfsactiviteiten door Y Ltd. uitgeoefend en van de
berekende kredietbehoefte van ƒ83.700,- was een bedrag van
ƒ60.400,- benodigd om de schulden van Y
Ltd. te kunnen voldoen,
zodat het IMK bij zijn standpunt blijft dat eiser niet tot de
doelgroep van het Bbz behoorde;
- de door eiser in bezwaar gemelde
arbeidsongeschiktheid in 1996 is niet eerder gemeld, zodat daar
door het IMK nog geen rekening mee kon worden gehouden;
- ten
tijde van de advisering was niet bekend dat over het gehele jaar
1997 de omzet ten opzichte van 1996 was gestegen;
- voor zover
thans blijkt dat de omzet over 1997 is gestegen, is niet aangetoond
dat er sprake is van een verbetering van het exploitatiebeeld;
-
voor zover thans melding wordt gemaakt van een nieuw product
ontbreekt een ondernemingsplan of anderszins cijfermatige
onderbouwing van de financiële consequenties.
Samenvattend wordt
geconcludeerd dat kredietverlening in het kader van het Bbz thans
als te riskant aangemerkt dient te worden. Alvorens
kredietverlening naar de mening van het IMK aan de orde kan komen,
dient eiser aan te tonen dat hij een beter exploitatiebeeld kan
realiseren dan de afgelopen jaren het geval is geweest.
Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid ter hoorzitting op
1 april 1998 zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Hij brengt
daarbij naar voren over het eerste kwartaal van 1998 een
brutowinst te hebben behaald van ƒ43.000,-.
Bij het thans bestreden besluit is eisers bezwaarschrift ongegrond
verklaard. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat de
huidige kredietbehoefte grotendeels wordt veroorzaakt door
tekorten bij Y Ltd., een vennootschap naar buitenlands recht.
Onder verwijzing naar de limitatieve opsomming van bedrijfsvormen
in artikel 15 van het Bbz, waartoe niet behoort een vennootschap
naar buitenlands recht, is verweerder van mening dat reeds op die
grond kredietverlening in casu niet mogelijk is. Subsidiair stelt
verweerder zich op het standpunt dat voor zover eisers aanvraag
betrekking heeft op de situatie waarbij de bedrijfsactiviteiten
zijn overgenomen door X BV, moet worden gesteld dat op basis van
de gegevens van de rapportage (nog) geen sprake is van een
levensvatbaar bedrijf.
In beroep herhaalt eiser zijn in bezwaar aangevoerde grieven en
voert hij aan dat Y Ltd. sinds oktober 1997 is gewijzigd in Z PLC,
ook een rechtsfiguur naar Engels recht. Voorts voert eiser aan dat
hij in dienst is bij X BV en dat er over de eerste vijf maanden
van 1998 een brutowinst is behaald van ƒ73.000,-.
Bij verweerschrift stelt verweerder dat hetgeen bij beroepschrift
is aangevoerd niet afdoet aan de juistheid van de primaire
beslissing van 13 november 1997 en het besluit op bezwaar van 21
april 1998.
Bij brief van 27 juli 1998 geeft eiser een verklaring voor de in
1998 behaalde omzetstijging, te weten een speciale regeling met
een leverancier van grondstoffen. Voorts ontkent eiser enkele
passages uit het door het IMK opgestelde rapport en meldt hij dat
sinds 1 juli 1998 het bedrijf wordt uitgeoefend in de vorm van een
eenmanszaak. Bij brief van 7 oktober 1998 deelt eiser mee dat per
1 oktober 1998 de bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd door X BV
en legt hij nog omzet- en prognosecijfers met betrekking tot 1998
over.
Op 21 oktober 1998 schrijft eiser aan de rechtbank
dat er
faillissementsaanvragen dreigen, zowel privé als zakelijk en
vraagt hij een voorlopige voorziening te treffen.
Ter zitting van de president op 10 november 1998 brengt eiser nog
naar voren dat Y Ltd. inmiddels zou zijn opgeheven wegens het
achterwege blijven van afdrachten en dat Z PLC het bedrijf is dat
eigenaar is van het machinepark en de auto. Met verwijzing naar de
omzet- en winststijging in 1998 stelt eiser dat zijn bedrijf nu
wel levensvatbaar is, welk standpunt naar zijn zeggen thans ook
door de belastingdienst wordt gedeeld. Eiser stelt daarmee
aangetoond te hebben dat hij tot voldoende rendabel beheer in
staat is.
De rechtbank
dient te beoordelen of het bestreden besluit in
strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met
enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe wordt overwogen als volgt.
Beslissingsbevoegdheid
Het besluit dat bij de rechtbank
is
aangevochten, is onmiskenbaar een appellabel besluit in de zin van
de Awb. Het beroep daartegen kan dan ook worden ontvangen. De
rechtbank ziet zich echter geplaatst voor de vraag of verweerder
bevoegd is geweest op het bezwaar te beslissen.
Uit de gedingstukken, die met name zijn overgelegd naar aanleiding
van vragen van de rechtbank
over beslissingsbevoegdheid, blijkt
dat er sprake is van delegatie van beslissingsbevoegdheid aan de Commissie voor de verlening van bijstand. Uit een beslissing van 4
februari 1997 van verweerder blijkt dat aan die Commissie - onder
meer - is gedelegeerd "alle besluiten tot het verstrekken van
kredieten in het kader van het Bijstandsbesluit zelfstandigen". Bij de beantwoording van vragen is van de
zijde van verweerder uitdrukkelijk gesteld dat de Commissie
bevoegd was op de onderhavige aanvraag te beslissen op grond van
delegatie. Voorts is schriftelijk verklaard dat de directeur
sociale zaken het primaire besluit heeft ondertekend als
secretaris van de Commissie voor de verlening van bijstand, maar
dat er geen formele grondslag aanwezig is voor dat
ondertekeningsmandaat. Ter zitting van de rechtbank is in
afwijking met het bovenstaande door de verantwoordelijke wethouder
verklaard dat de beslissingsbevoegdheid bij besluiten inzake de
uitvoering van de bijstandswet is gelegen bij de directeur sociale
zaken en dat de Commissie voor de verlening van bijstand een
adviserende taak toekomt.
De rechtbank
gaat er voor de beoordeling van de onderhavige zaak
van uit dat de Commissie voor de verlening van bijstand het
primaire besluit heeft genomen op grond van delegatie en dat het
primaire besluit namens die Commissie is ondertekend door de
directeur sociale zaken. De rechtbank gaat van dat standpunt uit
nu er voor een dergelijke verdeling van bevoegdheden een basis
(wat daar ook van zij) is te vinden in de overgelegde
gedingstukken. Wat laatstvermelde verklaring van de wethouder ter
terechtzitting betreft, is de rechtbank overigens geen enkel stuk
bekend op grond waarvan verdedigd kan worden dat de directeur
sociale zaken bevoegd is geweest tot de thans in geding zijnde
primaire besluitvorming. Bovendien is niet aannemelijk geworden
dat verweerder op enigerlei wijze bij de primaire besluitvorming
is betrokken geweest.
Nu de rechtbank
heeft vastgesteld dat de Commissie voor de
verlening van bijstand op grond van delegatie heeft beslist op
eisers aanvraag is de vraag aan de orde of verweerder nog bevoegd
is geweest op eisers bezwaar te beslissen. Uit inmiddels vaste
jurisprudentie van zowel de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State als de Centrale Raad van
Beroep
blijkt dat de
systematiek van de Awb eraan in de weg staat dat het nemen van een
beslissing op bezwaar wordt overgedragen aan een ander
bestuursorgaan dan het bestuursorgaan dat het primaire besluit
heeft genomen. Nu in het onderhavige geval de Commissie voor de
verlening van bijstand het primaire besluit heeft genomen, is er
voor verweerder geen ruimte meer om op het bezwaar te beslissen.
De bevoegdheid van verweerder om in de plaats van het
bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen te
beslissen op bezwaar, behoeft een uitdrukkelijke tot afwijking van
de Awb strekkende grondslag. Die grondslag is in de door
verweerder aangehaalde artikelen van de Gemeentewet niet te
vinden. Daarin is immers niet uitdrukkelijk van de systematiek van
de Awb afgeweken voor zover de Awb ertoe dwingt dat het besluit op
bezwaar dient te worden genomen door hetzelfde bestuursorgaan dat
het primaire besluit heeft genomen. De Awb dwingt ertoe dat
delegatie van primaire beslissingsbevoegdheid ook meebrengt dat de
bevoegdheid op het beslissen op bezwaar is overgedragen op de
delegataris. Dat zulks anders is onder de figuur van mandaat is
thans niet aan de orde. Verweerder moet dan ook geacht worden
onbevoegd op het bezwaar van eiser te hebben beslist en het aan de
rechtbank voorgelegde bestreden besluit komt derhalve op die grond
reeds voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank
heeft te oordelen over de aan haar voorgelegde
besluiten op bezwaar en in beginsel niet over primaire
beslissingen. Gelet op dat uitgangspunt en gezien het vorenstaande
oordeel bovendien ten overvloede ziet de rechtbank aanleiding nog
enkele overwegingen te wijden aan de vraag of de thans aan de orde
zijnde delegatie van beslissingsbevoegdheid zich verdraagt met de
van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. In artikel 116 van de
Abw
is bepaald dat de uitvoering van deze wet berust bij
burgemeester en wethouders. Mandaatverlening van die
beslissingsbevoegdheid is op grond van artikel 120 van de
Abw
mogelijk, maar in de onderhavige besluitvorming niet aan de orde.
Uitgangspunt voor rechtsgeldige delegatie is dat voor het
doorbreken van het wettelijke bevoegdhedenpatroon een wettelijke
grondslag nodig is. De Abw
legt de beslissingsbevoegdheid bij
burgemeester en wethouders en uit de parlementaire behandeling
komt naar voren dat de aan burgemeester en wethouders verleende
taak van medebewind een zware bestuurlijke verantwoordelijkheid
meebrengt, die verder reikt dan het uitsluitend in technische zin
uitvoering geven aan wettelijke en nadere regels; zij omvat mede
de zorg voor de inschakeling van voorliggende voorzieningen, voor
de afstemming van de bijstand in het individuele geval, voor het
herstel van de zelfstandige bestaansvoorziening van
bijstandsgerechtigden en in zekere mate ook voor hun
maatschappelijk functioneren. De Abw geeft meer dan voorheen
burgemeester en wethouders de ruimte om maatwerk te leveren en er
ligt dus een zwaardere claim op hen. Noch in de tekst, noch in de
toelichting bij artikel 116 van de Abw
is naar het oordeel van de
rechtbank expliciet de mogelijkheid geschapen om de aan
burgemeester en wethouders toebedeelde beslissingsbevoegdheid te
delegeren, zodat op grond van de tekst en de toelichting niet
duidelijk is of de wetgever in materiële zin heeft ingestemd met
een overdracht van beslissingsbevoegdheid. Tegelijkertijd dient
ook te worden geconstateerd dat de Abw als zogenoemde
medebewindswet niet uitdrukkelijk afwijkt van het bepaalde in de
Gemeentewet (welke afwijking op grond van het bepaalde in artikel
115 van de Gemeentewet bijzonder aangewezen moet worden geacht
voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang).
Het is dan ook vervolgens de vraag of in de Gemeentewet een
grondslag kan worden gevonden voor doorbreking van het wettelijk
bevoegdhedenpatroon zoals daarvan blijkt uit de Abw. Op grond van
de artikelen 82 en 84 van de Gemeentewet kunnen commissies worden
ingesteld en kunnen daaraan bevoegdheden van het college van
burgemeester en wethouders worden toegekend. Bij de toekenning van
collegebevoegdheden aan een commissie dient de gemeenteraad het
bepaalde in artikel 165 van de Gemeentewet in aanmerking te nemen.
Bij de toepassing van dat artikel is het in de visie van de
rechtbank nog maar de vraag of dat artikel (mede) ziet op
overdracht van bevoegdheden in het kader van medebewindstaken als
hier aan de orde. In artikel 165 van de Gemeentewet is immers
uitdrukkelijk een taak benoemd voor de gemeenteraad die de
rechtbank in het licht van artikel 128 van de
Grondwet ziet als
uitsluitend, of in elk geval juist, bedoeld voor autonome taken.
De Commissie voor de verlening van bijstand als delegataris heeft
naar het oordeel van de rechtbank dan ook te bezien of de thans
aan de orde zijnde overdracht van beslissingsbevoegdheid de toets
aan de wettelijke bepalingen kan doorstaan. Indien en voor zover
tot de conclusie wordt gekomen dat de in artikel 116 van de
Abw
aan burgemeester en wethouders gegeven beslissingsbevoegdheid kan
worden gedelegeerd aan de Commissie voor de verlening van
bijstand, dient voorts de wijze waarop aan de Commissie is
gedelegeerd aan een nader onderzoek te worden onderworpen. Daarbij
is de rechtbank opgevallen dat het overgelegde delegatiebesluit
niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 165 van de
Gemeentewet: delegatie dient immers te geschieden door de
gemeenteraad (op voorstel van het college van burgemeester en
wethouders) en niet door burgemeester en wethouders. Voorts zijn
zowel het besluit waarmee de Commissie voor de verlening van
bijstand is ingesteld als het overgelegde delegatiebesluit niet,
althans niet volledig en niet correct, aangepast aan het inmiddels
geldende recht.
Gelet op het vorenstaande dient eisers beroep gegrond te worden
verklaard en komt verweerders besluit op bezwaar, nu dat
onbevoegdelijk is genomen, voor vernietiging in aanmerking.
Vervolgens heeft de rechtbank
nog bezien of er aanleiding is met
toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de
Awb de
rechtsgevolgen geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Daartoe
overweegt de rechtbank ten aanzien van het inhoudelijke
geschilpunt nog als volgt. Uitgegaan dient te worden van de
gegevens omtrent de bedrijfsvoering ten tijde van de aanvraag en
de primaire besluitvorming. Gewijzigde omstandigheden die zich
hebben voorgedaan tijdens de heroverwegingsprocedure en de verdere
besluitvormingsprocedure kunnen slechts een rol spelen voor zover
die nieuwe feiten of omstandigheden een ander licht werpen op het
aan de besluitvorming ten grondslag liggende feitencomplex.
Hieruit volgt dat de door eiser aangevoerde wijziging van de
rechtsvorm waarin de bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend - wat
daar overigens ook van zij - wijziging in de aanlevering van
grondstoffen eind 1997 en wijziging van de aard van de
grondstoffen in 1998, voor de beoordeling van de rechtmatigheid
van de thans voorliggende besluitvorming niet in aanmerking kunnen
worden genomen.
In artikel 15, eerste lid, van het Bbz
is bepaald dat bijstand ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan de
zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in de
vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma, een
commanditaire vennootschap, een besloten vennootschap of een
coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid, slechts
wordt verleend indien hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit de
bijstandverlening voortvloeiende verplichtingen wordt aanvaard
(...). Uit de aanvraag en uit het rapport van het IMK
blijkt dat
eiser krediet heeft gevraagd voor zijn twee bedrijven: X BV en Y Ltd. Ter zitting van de
rechtbank
heeft eiser verklaard dat er
ten tijde van de advisering door het IMK geen sprake (meer) was
van een Ltd. Aan die stelling gaat de rechtbank echter voorbij nu
daarvoor geen enkele onderbouwing is gegeven en deze bovendien
haaks staat op hetgeen bij de aanvraag door eiser zelf is vermeld.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in dit artikel
gegeven opsomming van rechtsvormen een limitatieve is en dat
eiser, voor zover hij zijn bedrijfsactiviteiten verricht in een
bedrijf naar buitenlands recht, niet voor bijstandverlening als
hier aan de orde in aanmerking kan komen, aangezien rechtspersonen
naar buitenlands recht niet in de limitatieve opsomming van artikel 15, eerste lid, van het
Bbz zijn opgenomen. Verweerder
heeft niet met argumenten aangegeven waarop het standpunt dat het
hier om een limitatieve opsomming gaat, is gebaseerd, maar slechts
aangegeven dat zulks in de praktijk wordt aangenomen. Met de
president is de rechtbank van oordeel dat noch de tekst van de
hier aan de orde zijnde bepaling, noch de plaats van het
onderhavige artikel in het Bbz zonder meer dwingt tot een uitleg
als door verweerder wordt voorgestaan. De ratio van het hier aan
de orde zijnde artikel is naar het oordeel van de rechtbank dat de
geldstromen in een bedrijf waaraan bijstand wordt verleend
zichtbaar en met name ook beheersbaar blijven, vanwege het belang
dat de uitvoeringsorganisatie bij de uitvoering van de
bijstandswet heeft. Bij een bedrijf dat wordt gerund onder de
vigeur van een buitenlandse rechtsvorm is wellicht het toezicht
bemoeilijkt, maar de rechtbank is niet gebleken van argumenten op
grond waarvan gezegd moet worden dat daardoor het toezicht
feitelijk onmogelijk is gemaakt. In dat kader zouden aan de
betrokkene ook voorwaarden kunnen worden opgelegd. Aangezien de
aanvraag niet alleen is gedaan voor Y Ltd., maar ook voor X BV,
oordeelt de rechtbank voorts dat het bepaalde in artikel 15,
eerste lid, van het Bbz geen afwijzingsgrond kan zijn voor de
gehele aanvraag. Voor zover eisers bezwaar tegen de primaire
afwijzingsgrond ongegrond is verklaard, oordeelt de rechtbank dat
het besluit op bezwaar wegens strijd met het bepaalde in artikel
7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.
De rechtbank
komt vervolgens toe aan beoordeling van de
subsidiaire afwijzingsgrond. Het thans bestreden besluit is immers
subsidiair gebaseerd op de stelling dat eisers bedrijf niet
levensvatbaar is. Levensvatbaar betekent in dit verband dat ten
tijde van de besluitvorming de verwachting moet bestaan dat de
zelfstandige met de inkomsten die hij uit het bedrijf of
zelfstandig beroep kan verwerven het bedrijf kan voortzetten en
(weer) in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien.
Bestaat die verwachting niet of kan deze niet aannemelijk worden
gemaakt, dan bestaat er geen aanspraak op bijstand en mag van een
bestuursorgaan als verweerder niet verwacht worden dat
bijstandsgelden ter beschikking worden gesteld zonder dat met een
redelijke mate van zekerheid gezegd kan worden dat betrokkene met
de inkomsten die hij uit het bedrijf of zelfstandig beroep kan
verwerven het bedrijf kan voortzetten en (weer) in de
noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien.
Een beslissing op een aanvraag om bijstand als hier aan de orde
mag in beginsel worden gebaseerd op het door een ter zake
deskundige instantie als het IMK
verstrekte advies, mits dat
advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en niet berust
op feitelijk onjuiste gegevens. Als hieraan is voldaan, zal, in een
geval als het onderhavige, het genomen besluit in het algemeen
slechts voor vernietiging in aanmerking kunnen komen indien
betrokkene aan de hand van het gemotiveerde oordeel (van een
deskundige) aannemelijk kan maken dat de conclusies van het IMK
betreffende de levensvatbaarheid van het bedrijf of beroep onjuist
zijn. Eiser heeft op geen enkel moment gemotiveerd aangetoond dat
het IMK ten tijde van zijn advisering de situatie met betrekking
tot de inschatting van de levensvatbaarheid van eisers bedrijf
onjuist heeft beoordeeld. Dat het verloop voor eisers bedrijf
feitelijk anders is geweest dan hetgeen het IMK had voorspeld,
toont nog niet aan dat de rapportage waarop de besluitvorming is
gebaseerd onzorgvuldig is geweest of anderszins onbetrouwbaar. Ook
overigens is de rechtbank
niet gebleken van voldoende concrete en
objectieve aanwijzingen dat in de periode van de besluitvorming de
verwachting van de levensvatbaarheid van eisers bedrijf
substantieel anders is geweest dan zoals ingeschat door het IMK.
De rechtbank heeft voorts geen reden te twijfelen aan de
deskundigheid van het IMK en oordeelt dat op goede gronden is
beslist dat eisers bedrijf ten tijde van de onderhavige
besluitvorming niet levensvatbaar moest worden geacht en dat de
aangevraagde bijstand, tegen die achtergrond, daarin geen
verandering zou brengen. In zoverre acht de rechtbank eisers
beroep dan ook ongegrond.
In het vorenstaande heeft de rechtbank
aanleiding gevonden te
bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand
blijven voor zover daarbij de bezwaren tegen de subsidiaire
afwijzingsgrond ongegrond zijn verklaard.
De rechtbank
acht verder termen aanwezig om, nu er aanleiding is
het bestreden besluit te vernietigen, verweerder op grond van het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de
proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in
verband met de behandeling van dit beroep, één en ander
overeenkomstig de normen van het
Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij is de rechtbank echter niet gebleken van
andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen dan de
reiskosten die eiser heeft gemaakt voor het bijwonen van de
zitting van de rechtbank. Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Roermond:
gelet op het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74 en
8:75 van
de
Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven voor zover daarbij eisers bezwaar tegen de subsidiaire
afwijzingsgrond ongegrond is verklaard;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de
rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op
ƒ18,90 (reiskosten
voor het bijwonen van de zitting) te vergoeden door verweerders
gemeente;
bepaalt dat verweerder aan eiser het door deze gestorte
griffierecht volledig vergoedt.
Aldus gedaan door mr. E.J.A.M. Bakermans, in tegenwoordigheid van
C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21
juli 1999.
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op:
Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze
uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep
bedraagt zes weken
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / IHABW / Wwb |
x
LJN: |
x
AA3771 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Groningen |
| Zaaknummer: |
AWB
97/1524 ABW V12 |
| Datum
uitspraak: |
26
maart 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
65 en 69 Abw
(= 17 en 54
Wwb) /
4
en 5
IHABW |
| Trefwoorden: |
bank-
en giroafschriften; weigering inzage; beëindiging
bijstand; schending inlichtingenverplichting; uitgaven; autokentekens; woonlasten; privacy;
eerbiediging persoonlijke levenssfeer |
| Essentie: |
Terechte
beëindiging bijstand wegens schending van de
inlichtingenverplichting nu eiser weigert bank- en
giroafschriften te overleggen waarop zijn uitgaven zichtbaar
zijn, zulks in verband met onderzoek naar vier op zijn naam
staande autokentekens en het niet kunnen aantonen van
woonlasten. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Groningen AWB
97/1524 ABW V12
U I T S P R
A A K
inzake het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, verweerders.
1. Procesverloop
Verweerders hebben bij besluit van 18 september 1997, nr. BB/NG
58041008, het bezwaar van eiser van 30 september 1996 tegen hun
besluit van 26 september 1996, waarbij de uitkering van eiser
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1
september 1996 is beëindigd, ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 27 oktober
1997 beroep ingesteld en bij brief van 5 december 1997 de gronden
van het beroep ingediend.
Verweerders hebben op 9 januari 1998 de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een
verweerschrift ingediend.
Bij brief van 30 januari 1998 heeft eiser van repliek gediend.
Verweerders hebben van dupliek gediend bij brief van 12 februari
1998.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen
ingediend, aan partijen verzonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van
de rechtbank van 23 maart 1999. Eiser is aldaar in persoon
verschenen. Verweerders hebben zich ter zitting niet doen
vertegenwoordigen.
2. Rechtsoverwegingen
Het van toepassing zijnde recht
Op 1 januari 1996 is de nieuwe Algemene bijstandswet
(Wet van 12
april 1995, Stb. 1995, 199, verder aan te duiden als Abw) in
werking getreden. Op grond van artikel 3 van de
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Wet van 12 april 1995,
Stb.
1995, 200, verder aan te duiden als IHABW) wordt de Algemene
Bijstandswet (Wet van 13 juni 1963, Stb. 1963, 284, verder aan te
duiden als ABW), zoals die wet tot 1 januari 1996 luidde, per die
datum ingetrokken.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, IHABW, blijft de ABW gedurende
ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de Abw
van
toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand, december
1995, recht had op algemene bijstand, en wiens recht op de
peildag, 31 december 1995, niet is geëindigd.
Ingevolge artikel
4, tweede lid, IHABW, eindigt de in het eerste
lid van dat artikel bedoelde toepassing van de ABW: a. zodra
burgemeester en wethouders naar aanleiding van een onderzoek als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, IHABW een nieuw besluit als
bedoeld in artikel 5, derde lid, IHABW hebben genomen;
b. zodra
een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin
optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk
IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de
Abw
tot toepassing van een andere
bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders een
nieuw besluit inzake de verlening van algemene bijstand hebben
genomen; dan wel c. zodra gedurende ten minste één kalendermaand
geen recht op bijstand heeft bestaan.
Ingevolge artikel
4, derde lid, IHABW blijven besluiten van
burgemeester en wethouders inzake de verlening van bijstand
ingevolge de ABW van kracht zolang het eerste lid van dat artikel
van toepassing is.
Verweerders hebben door middel van een herbeoordelingsgesprek op 9
augustus 1996 op grond van artikel 5, eerste lid,
IHABW een
onderzoek ingesteld naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing
van de Abw
zal leiden inzake het recht op bijstand en de daaraan
verbonden verplichtingen. Het besluit waartegen het onderhavige
beroep is gericht, is een besluit op bezwaar tegen een besluit als
bedoeld in artikel 5, derde lid, IHABW. Dit betekent dat het thans
voorliggende beroep dient te worden beoordeeld aan de hand van de
Abw.
De feiten
Verweerders hebben bij besluit van 2 september 1996 de uitkering
van eiser met ingang van die datum op grond van artikel
65, eerste
lid, juncto artikel 69, eerste lid, van de
Abw
opgeschort en eiser
in de gelegenheid gesteld de gevraagde bescheiden alsnog over te
leggen. Bij besluit van 26 september 1996 hebben verweerders
vervolgens de uitkering van eiser op grond van artikel
69, derde
lid, van de Abw
beëindigd, omdat de verstrekte inlichtingen
dermate onvolledig zijn dat het recht op bijstand niet langer kan
worden vastgesteld.
Eiser heeft tegen dit besluit op 30 september 1996 een
bezwaarschrift ingediend, waarbij hij heeft aangevoerd dat
verweerders ten onrechte afschriften hebben gevraagd van zijn
bank-/giroafschriften en van een huurovereenkomst. Hij heeft
gesteld geen huurovereenkomst te hebben en hij acht het overleggen
van afschriften van zijn bankafschriften een inbreuk op zijn
privacy voor zover het gaat om het geven van inzicht in zijn
uitgaven.
Door de Geschillencommissie van de gemeente Veendam
is vervolgens
op eisers bezwaarschrift beslist. Tegen dat besluit heeft eiser
beroep ingesteld bij de rechtbank, die bij uitspraak van 17 april
1997 het beroep gegrond heeft verklaard.
Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit, opnieuw
beslissend op eisers bezwaarschrift, deze bezwaren deels gegrond,
deels ongegrond verklaard. Naar het oordeel van verweerders kan
niet van eiser verwacht worden dat hij kopieën van
bankafschriften overlegt, maar wel dat hij inzage verleent in zijn
bank-/giroafschriften van de afgelopen drie maanden. Eiser wordt in
de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen.
Eiser kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren
gebracht dat het vragen van inzage in zijn bank-/giroafschriften
een inbreuk op zijn privacy vormt en dat verweerders voldoende
mogelijkheden hebben om gegevens te verkrijgen die nodig zijn om
het recht op uitkering vast te stellen. Hij heeft verwezen naar
een informatieblad van de Registratiekamer waaruit naar zijn
mening blijkt dat het verlangen van volledige inzage van bank-/giroafschriften niet is toegestaan.
Ten aanzien van het geschil
Omvang van het geschil
Bij het bestreden besluit is eisers bezwaar deels gegrond
verklaard, deels ongegrond. De rechtbank
gaat er bij de
beoordeling van het beroep van uit dat eiser zich in dat besluit
niet kan vinden voor zover zijn bezwaar ongegrond verklaard is.
Beoordeling
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw
wordt van
overheidswege aan iedere Nederlander die hier te lande in
zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij
niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien bijstand verleend.
Artikel 65, eerste lid, Abw bepaalt
- voor zover hier van belang -
dat de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of
uit eigen beweging onverwijld mededeling doet van al hetgeen van
belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting
daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.
Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de belanghebbende
gebruik dient te maken van een door burgemeester en wethouders
verstrekt formulier. Het derde lid bepaalt dat de belanghebbende
verplicht is aan burgemeester en wethouders desgevraagd de
medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
uitvoering van deze wet.
In artikel 69, eerste lid, Abw
is bepaald dat indien de
belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde
gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of
onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel
indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking
verleent aan het onderzoek, burgemeester en wethouders het recht
op bijstand opschorten: a. vanaf de eerste dag van de periode
waarop het verzuim betrekking heeft, of b. vanaf de dag van het
verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit
verzuim betrekking heeft. Ingevolge het tweede lid doen
burgemeester en wethouders mededeling van de opschorting aan
belanghebbende en nodigen hem uit binnen een door hen te stellen
termijn het verzuim te herstellen. In het derde lid is bepaald dat
indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de
daarvoor gestelde termijn, de bijstand wordt beëindigd met ingang
van de eerste dag van de periode waarover de bijstand is
opgeschort.
Uit de rapportages van 9 augustus 1996 en 17 september 1996 van R.J.
Kroese, die ten grondslag hebben gelegen aan het bestreden besluit,
blijkt dat eiser weigert (leesbare) afschriften van
bankafschriften over te leggen, dat eiser vier kentekens op zijn naam
heeft, waarvan er drie zijn geschorst en dat eiser niet kan
aantonen dat hij woonlasten heeft.
Eiser heeft gesteld dat het verlangen van inzage in zijn bank-/giroafschriften een inbreuk op zijn privacy vormt. Met eiser
is de rechtbank van oordeel dat in het algemeen het controleren
van bank- en giroafschriften een inbreuk vormt op de persoonlijke
levenssfeer, doch in het onderhavige geval acht zij die inbreuk,
anders dan eiser, gerechtvaardigd. Daarbij heeft de rechtbank van
belang geacht hetgeen is bepaald in artikel 8 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens [Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundametele
vrijheden, red.]: "1. Een ieder heeft recht op
respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn
woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig
openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan
voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische
samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale
veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van
het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten,
de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de
bescherming van de rechten en vrijheden van anderen".
De inbreuk op eisers persoonlijke levenssfeer die het gevolg zou
zijn van de inzage door verweerders in eisers bank-/giroafschriften
vindt zijn wettelijke basis in artikel 65, eerste lid, van de
Abw,
waarin de verplichting tot informatieverschaffing over al hetgeen
van belang kan zijn in het kader van de bijstandverlening is
neergelegd.
Het gaat hier dus om een uitdrukkelijk bij wet voorziene
inmenging, die naar het oordeel van de rechtbank
voorts dient te
worden aangemerkt als noodzakelijk in de zin van artikel 8, tweede
lid, EVRM.
Eisers standpunt dat de Registratiekamer van oordeel is dat het
verlangen van inzage in bank-/giroafschriften niet is toegestaan, is
onjuist.
De Registratiekamer
geeft in het door eiser bedoelde
informatieblad aan dat inzage mag worden gevraagd in bijvoorbeeld
dagafschriften van bank- of girorekeningen, maar dat de sociale
dienst per geval de belangen behoort af te wegen voordat inbreuk
wordt gemaakt op de privacy.
In het onderhavige geval hebben verweerders naar het oordeel van
de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom zij inzicht verlangen in
het uitgavenpatroon van eiser. Daarbij acht de rechtbank met name
van belang dat niet vast staat of eiser woonlasten heeft en dat
eiser vier kentekens op zijn naam heeft.
Eiser heeft herhaaldelijk geweigerd de gevraagde informatie te
verstrekken en heeft daarmee zijn inlichtingenplicht op grond van
artikel 65 Abw
geschonden. Daardoor hebben verweerders niet kunnen
vaststellen of eiser nog recht had op bijstand.
Voor de beoordeling daarvan is immers onder meer inzicht in eisers
bestedingspatroon vereist en dat inzicht hebben verweerders in
onvoldoende mate kunnen krijgen als gevolg van eisers herhaalde
weigering om de gevraagde bescheiden ter inzage te geven.
Verweerders hebben de uitkering van eiser dan ook op goede gronden
beëindigd.
Het beroep van eiser moet dan ook ongegrond worden verklaard.
3. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Groningen, sector Bestuursrecht,
enkelvoudige kamer,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op
26 maart 1999, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Struys als griffier.
De griffier, wnd.,
De rechter,
Afschrift verzonden op: 26 maart 1999.
De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden
binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van
Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- Abw / IWwb |
x
LJN: |
x
AA3772 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Roermond |
| Zaaknummer: |
99/69 BZ K1 |
| Datum
uitspraak: |
23
juli 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt. 8 en 22 Abw
(= 7 en 7
IWwb) |
| Trefwoorden: |
zelfstandige;
bedrijfskapitaal; krediethypotheek; hypothecair verband; rente;
bedrijfsbeëindiging; liquidatie |
| Essentie: |
Ten
onrechte in rekening gebrachte rente over onder hypothecair
verband verstrekte leenbijstand ter voorziening in de behoefte
aan bedrijfskapitaal na bedrijfsbeëindiging. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Roermond 99/69 BZ K1
U I T S P R
A A K
Inzake:
[eiser A] en [eiseres
B], wonende te [woonplaats],
eisers,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Broekhuizen [zie gemeente Horst
aan de Maas, red.], gevestigd te Broekhuizenvorst,
verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 21
december 1998, kenmerk 98184.
Datum van terechtzitting: 21 juni 1999.
I.
Ontstaan en loop van het geding
Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit d.d. 21
december 1998 heeft verweerder besloten het bezwaarschrift van
eisers, gericht tegen het eerder besluit van verweerder van 7
september 1998, ongegrond te verklaren.
Tegen dat besluit is beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42
van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de
gemachtigde van eisers gezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank
op 21 juni 1999, alwaar zijn verschenen dhr. P. Delissen als
gemachtigde van eisers en waar verweerder zich heeft doen
vertegenwoordigen door mw. mr. J. v.d. Kolk.
II. Overwegingen
Bij besluit van 14 november 1994 heeft verweerder met toepassing
van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
(Bbz) aan eisers ter financiering van het liquidatietekort ad
ƒ114.000,-
bij de exploitatie van hun land- en tuinbouwbedrijf een lening tot
dit bedrag verstrekt, zulks onder de navolgende voorwaarden en
bedingen:
"....... 2. De lening draagt een rente van 7% per jaar, te
voldoen maandelijks. .... 5. Het bedrag der lening dient terstond
en in zijn geheel te worden terugbetaald bij het niet nakomen van
de verplichting tot betaling van rente en aflossing indien zij
niet overeenkomstig de bestemming is aangewend, in geval van
overlijden of faillissement dan wel bij bedrijfsbeëindiging of
wijziging van de juridische bedrijfsvorm. 6. Alle vennoten stellen
zich hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van alle uit deze
bijstandverlening voortvloeiende verplichtingen. Tot meerdere
zekerheid van rente en aflossing dient door alle vennoten recht
van hypotheek te worden verleend op alle onroerende goederen van
deze vennoten."
Als zekerheid hebben eisers (en de ouders van A) ten behoeve van
verweerder onder meer het recht van hypotheek gevestigd op het
woonhuis.
Op 31 mei 1996 hebben eisers hun bedrijf beëindigd en is de
liquidatiebalans opgemaakt.
Bij brief van 28 februari 1997 verzoekt notariskantoor De Laat
& Wilbers aan verweerder onder meer het volgende:
"Hiermee verzoek ik u mij de aflossingsnota (a.u.b. met
opgave van de dagrente) toe te zenden van de hypotheek ten laste
van de heer X en mevrouw Y (en maatschap Z), welke hypotheek rust
op een loods aan de P-weg (Q sektie [...] nr. [...]) en twee
percelen bouwland aan de V te W (W sektie [...] nrs. [...]).
Afgelost zal worden in verband met verkoop van deze onderpanden.
De overige onderpanden waar de hypotheek op was gevestigd, zijn
reeds eerder verkocht; hiervoor is de hypotheek reeds gedeeltelijk
geroyeerd. Thans worden de laatste percelen verkocht. De akte zal
op vrijdag 7 maart a.s. worden gepasseerd".
Bij brief van 3 maart 1997 deelt de Intergemeentelijke Sociale
Dienst Maasdorpen aan voormeld notariskantoor mede dat met
betrekking tot de geldlening Bbz
nog een bedrag resteert van in totaal
ƒ86.482,67.
Dit bedrag heeft verweerder van genoemd notariskantoor op 12 maart
1997 ontvangen. In genoemd bedrag is mede in aanmerking genomen de
verschuldigde (door eisers te betalen rente) van 1 juni 1996 tot
en met 10 maart 1997.
Bij brief van 28 april 1997 wendt de gemachtigde van eisers zich
tot verweerder. Hij maakt bezwaar tegen het feit dat verweerder
nog rente in rekening heeft gebracht over de periode na liquidatie
van het bedrijf van eisers. Hij acht dit niet in overeenstemming
met artikel 23 van het Bbz.
Op 7 september 1998 rapporteert de aan de Intergemeentelijke
Sociale Dienst Maasdorpen verbonden functionaris J.
Reutelingsperger. In die rapportage wordt onder meer geadviseerd,
nu op grond van artikel 23, eerste
lid, Bbz
de Bbz-lening
onder verband van hypotheek is verstrekt, de lening rentedragend
te achten tot het moment dat de volledige aflossing heeft
plaatsgevonden.
Conform dit advies heeft verweerder besloten bij besluit van 7
september 1998.
Daartegen wordt bezwaar gemaakt bij schrijven van 16 oktober 1998.
Op 14 december 1998 vindt een hoorzitting plaats, waarna het thans
bestreden besluit van 21 december 1998 aan eisers is gezonden.
Tegen dit besluit is door eisers op 21 januari 1999 beroep
ingesteld.
Op hetgeen van de zijde van eisers in beroep is aangevoerd,
reageert verweerder bij verweerschrift van 18 februari 1999.
Het oordeel van de
rechtbank
De rechtbank
dient te beoordelen of het bestreden besluit in
strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met
enig algemeen rechtsbeginsel. Dienaangaande wordt het volgende
overwogen.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het
Bbz
wordt aan een
zelfstandige bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal verleend met toepassing van paragraaf 2 van
hoofdstuk II van het Bbz. In deze paragraaf zijn bepalingen
opgenomen met betrekking tot de hoogte van de geldlening en de
daarover te betalen rente en de gevallen waarin rente wordt
kwijtgescholden.
In artikel 23
van het Bbz
zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de terugbetaling van
de geldlening bij bedrijfsbeëindiging. Deze bepalingen luiden als
volgt:
-1. Bij beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep dient
de lening, behoudens in het geval artikel
22 van toepassing vindt, volledig te worden terugbetaald.
Gestelde zekerheden worden volledig uitgewonnen. In afwijking
daarvan blijft, op verzoek van de betrokkene en voor zover
mogelijk, een lening onder hypothecair verband, verbonden aan de
eigen woning met bijbehorend erf, gehandhaafd of wordt deze tot de
onbelaste waarde van deze woning gevestigd. De artikelen
4, 5, 6,
eerste, tweede en vierde lid, en 8 van
het Besluit krediethypotheek bijstand
zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep
een deel van de lening resteert en deze niet met toepassing van
het vorige lid onder hypothecair verband is verleend, wordt het
resterende deel van de lening vanaf de beëindiging renteloos.
Gedurende de periode van vijf jaar na beëindiging van het bedrijf
of zelfstandig beroep dient 50 procent van het netto-inkomen boven
de bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk
IV, afdeling 1, van de wet
besteed te worden voor aflossing van de lening.
Vaststaat dat het door eisers geëxploiteerde land- en
tuinbouwbedrijf op 31 mei 1996 is geliquideerd en dat eisers de
eigen woning niet voor eigen bewoning hebben willen behouden. Op
deze datum had verweerder een vordering op eiser ten bedrage van ƒ76.910,-
(lening) en ƒ5398,46
(rente tot en met deze datum). Uitwinning van de gestelde
zekerheden ten behoeve van verweerders vordering heeft
plaatsgevonden op 7 maart 1997. Daarbij heeft verweerder met
toepassing van artikel 23
van het Bbz
tevens tot een bedrag van ƒ4174,21
rente in rekening gebracht over de periode na de liquidatiedatum,
te weten 1 juni 1996 tot 10 maart 1997. Kern van het onderhavige
geschil is of verweerder aldus een juiste toepassing heeft gegeven
aan dit artikel. De rechtbank
is
van oordeel dat dit niet het geval is. Zij baseert dit oordeel op
de navolgende overwegingen.
Verweerder heeft ter staving van zijn standpunt aangevoerd dat uit
de redactie van artikel 23 Bbz
blijkt dat de geldlening per datum bedrijfsbeëindiging alleen dan
renteloos wordt wanneer de lening niet met toepassing van het eerste
artikellid onder hypothecair verband is verstrekt. De zinsnede in het
tweede artikellid "niet met toepassing van het eerste lid"
slaat volgens verweerder niet enkel terug op het tweede gedeelte van het
eerste lid, maar op het hele artikellid. Wanneer de lening onder
hypothecair verband is verstrekt, dient dus na bedrijfsbeëindiging
altijd rente te worden betaald, ook als er geen woning wordt
aangehouden. Aldus komt het standpunt van verweerder erop neer dat
ingevolge artikel 23
van het Bbz
de vraag of het resterende deel van de geldlening na
bedrijfsbeëindiging renteloos wordt, dient te worden beantwoord
aan de hand van het soort geldlening dat destijds is verstrekt.
Hierin kan de rechtbank
verweerder niet volgen.
Uit de in artikel 23 van het Bbz
opgenomen bepalingen blijkt dat bij liquidatie van het bedrijf de lening
volledig dient te worden terugbetaald en dat daartoe gestelde zekerheden
worden uitgewonnen. Indien de zelfstandige echter een eigen woning voor
eigen bewoning wenst te behouden, blijft voor zover mogelijk een lening
onder hypothecair verband gevestigd of wordt deze tot de onbelaste
waarde van de woning gevestigd. De eigen woning wordt in dat geval niet
ten behoeve van de aflossing van de lening uitgewonnen. Uit het tweede
artikellid blijkt verder dat de wetgever het gewenst heeft geoordeeld om
de periode dat de ex-zelfstandige na liquidatie van het bedrijf kan
worden aangesproken overzienbaar te maken. Deze periode wordt daartoe
beperkt tot vijf jaar. In deze periode dient enerzijds zoveel mogelijk
aan de terugbetaling te worden voldaan. De helft van het netto-inkomen
dat boven de bijstandsnorm wordt behaald,
dient hiertoe te worden aangewend. Anderzijds is in verband met de
overzienbaarheid bepaald dat een eventuele resterende lening vanaf het
moment van liquidatie renteloos wordt. Dat geldt vanzelfsprekend niet
voor het resterende deel van de lening dat is aangewend met het doel om
de zelfstandige in de eigen woning te laten blijven wonen. In het tweede
artikellid is daarom bepaald dat het voor dit doel aangewende deel van
de lening wordt uitgezonderd van de rentevrijstelling. Dat blijkt met
name uit de zinsnede "Indien na beëindiging van het bedrijf (...)
een deel van de lening resteert en deze niet met toepassing van het
vorige lid onder hypothecair verband is verleend". In deze zinsnede
heeft het woord "deze" betrekking op het na
bedrijfsbeëindiging resterende deel van de lening. Indien dat
resterende deel niet is aangewend om de zelfstandige in de eigen woning
te laten blijven wonen, wordt het (resterende deel) renteloos vanaf de
bedrijfsbeëindiging. Voor de door verweerder gegeven uitleg zijn geen
aanknopingspunten te vinden in de bepalingen van het Bbz.
Verweerder gaat er bij zijn uitleg voorts ten onrechte van uit dat de
aan de zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal
verstrekte lening met toepassing van het artikel 23,
eerste lid, is verleend. Ingevolge
artikel 2
van het Bbz is
de lening immers met toepassing van [hoofdstuk
II, red.,] paragraaf 2, de artikelen
5 tot en met 9, verleend. Het woord "deze" in de hiervoor
vermelde zinsnede kan dan ook geen betrekking hebben op de lening als
genoemd in de eerste regel van het eerste artikellid.
Het hiervoor overwogene leidt niet alleen tot de conclusie dat het
beroep gegrond moet worden verklaard, maar tevens tot de conclusie, nu
na bezwaar geen ander besluit kan worden genomen dan gegrondverklaring
van het bezwaar, dat het primaire besluit zal dienen te worden
herroepen, voor zover daarin is beslist om met toepassing van artikel 23
van het Bbz
ook na de bedrijfsbeëindiging
rente in rekening te brengen.
De rechtbank
acht verder termen aanwezig om verweerder op grond
van het bepaalde in artikel 8:75 van de
Awb
te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben
moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, één en
ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten
bestuursrecht.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Roermond:
gelet op het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74 en
8:75 van
de
Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit van 7 september 1998, voor zover
daarin is beslist om met toepassing van artikel 23
van het Bbz
ook
na de bedrijfsbeëindiging voor de door verweerder aan eisers verstrekte lening rente in rekening te brengen;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de
rechtbank,
aan de zijde van eisers begroot op nihil; bepaalt dat aan eisers
het door dezen gestorte griffierecht volledig vergoedt.
Aldus gedaan door mr. W.M. Callemeijn, in tegenwoordigheid van
C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23
juli 1999.
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
verzonden op:
Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze
uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep
bedraagt zes weken.
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
| JURISPRUDENTIE
--- ABW / Abw / IHABW / Wwb / Awb |
x
LJN: |
x
AA3943 |
| Instantie:xxxxxxx |
Rechtbank
Maastricht |
| Zaaknummers: |
97/1778
NABW Z DRM, 97/1779 NABW Z DRM en 97/1780 NABW Z DRM |
| Datum
uitspraak: |
23
maart 1999 |
| Soort
procedure: |
beroep |
| Bron: |
Rechtspraak.nl |
| Wetsartikelen: |
artt.
5a ABW (= 3 Abw)
(= 3 Wwb) / 4
en
5 IHABW /
3:2,
4:6, 7:2,
7:12 en
8:72
Awb |
| Trefwoorden: |
gezamenlijke
huishouding; samenwoning; ex-echtgenoot; opschorting bijstand; beëindiging;
herhaalde aanvraag; nieuwe feiten of omstandigheden;
getuigenverklaring; hoorzitting; horen; sociale recherche |
| Essentie: |
Onterechte
afwijzing herhaalde bijstandsaanvragen op de grond dat van geen
nieuwe feiten of omstandigheden zou zijn gebleken ter zake van
vermeende gezamenlijke huishouding met de ex-echtgenoot, zonder
dat daarnaar na het opschortingsbesluit onderzoek is gedaan.
Eiseres is ten onrechte niet gehoord. Het na het
beëindigingsbesluit en vóór het besluit op bezwaar verrichte
onderzoek (op basis van onderzoek door de sociale recherche) is
onzorgvuldig. |
Transponeringstabel
Abw naar Wwb
|
|
|
Uitspraak
enkelvoudige kamer
Rechtbank
Maastricht 97/1778
NABW Z DRM, 97/1779 NABW Z DRM en 97/1780 NABW Z DRM
U I T S P R
A A K
inzake:
[eiseres], wonende te
[woonplaats], eiseres,
tegen
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Maastricht, Dienst Sociale en Economische Zaken, gevestigd te
Maastricht, verweerder.
Datum en aanduiding van de bestreden besluiten:
- het besluit van verweerder van 12 juni 1997,
bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 987358;
- het besluit van verweerder van 20 juni 1997,
bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697;
- het besluit van verweerder van 12 juni 1997,
bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 991555.
Datum van behandeling ter zitting: 9 februari 1999.
I.
Ontstaan en loop van het geding
In zaak 97/1778:
Bij besluit van 27 juni 1996 heeft verweerder de op 10 juni 1996
door eiseres ingediende aanvraag om bijstand afgewezen.
Tegen dit besluit is namens eiseres door mr. A.A.T. Vonken,
advocaat te Maastricht, een bezwaarschrift ingediend.
Dit bezwaarschrift is bij besluit van 20 juni 1997
(bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697; hierna: besluit
II)ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde bij brief van 25
juli 1997 namens eiseres beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Algemene wet bestuursrecht
(Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift
zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van
eiseres gezonden.
In zaak 97/1779:
Bij besluit van 8 mei 1996 heeft verweerder de op 13 maart 1996
door eiseres ingediende aanvraag om bijstand afgewezen.
Tegen dit besluit is namens eiseres door voornoemde gemachtigde
een bezwaarschrift ingediend.
Bij brief van 24 mei 1996 is namens eiseres bij de president van
deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Dit
verzoek heeft de president bij uitspraak van 11 juni 1996
afgewezen.
Dit bezwaarschrift is bij besluit van 12 juni 1997
(bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 987358; hierna: besluit
I)ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde namens eiseres op
25 juli 1997 beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Awb ingezonden stukken zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de
gemachtigde van eiseres gezonden.
In zaak 97/1780:
Bij besluit van 12 november 1995 heeft verweerder eiseres
meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet
(Abw) met ingang van 1 februari 1996 is beëindigd.
Tegen dit besluit is namens eiseres door voornoemde gemachtigde
een bezwaarschrift ingediend.
Dit bezwaarschrift is bij besluit van 12 juni 1997
(bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 991555; hierna: besluit III)
ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde namens eiseres op
25 juli 1997 beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de
Awb ingezonden stukken zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de
gemachtigde van eiseres gezonden.
In alle zaken:
Bij brief van 13 november 1997 heeft de gemachtigde van eiseres
een aantal gedingstukken, houdende schriftelijke
getuigenverklaringen, overgelegd. Hiervan is op 14 november 1997
een afschrift aan verweerder gezonden.
Bij brief van 8 januari 1998 is nog een aantal stukken namens
eiseres overgelegd. Deze zijn op 14 januari 1998 in afschrift aan
verweerder verzonden.
De gedingstukken uit de dossiers met registratienummers 96/367,
96/1189 en 96/1386 zijn ad informandum aan de onderhavige zaak
toegevoegd.
De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank
op
9 februari 1999.
Daarbij is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H.
Pellinger, advocaat te Maastricht.
Namens verweerder is verschenen de heer L. Heuts, werkzaam bij de gemeente
Maastricht.
Voorts zijn verschenen de volgende door eiseres meegenomen
getuigen: B, C, D en E.
II. Overwegingen
II.I. Eiseres ontving sinds 4 september 1994 een
bijstandsuitkering van de gemeente
Maastricht. Naar aanleiding van
een mededeling dat eiseres weer zou samenwonen met haar ex-man de
heer F is van de zijde van verweerder een onderzoek ingesteld in
de vorm van een tweetal op 16 januari 1996 afgelegde huisbezoeken,
te weten aan het door F opgegeven huisadres en aan dat van
eiseres. Aan het huisadres van F werden de rapporteurs te woord
gestaan door de moeder en een broer van F. Naar het op 18 januari
door de desbetreffende rapporteurs C.P. de Visser en P.M.A. van
Ochten opgemaakte rapport vermeldt, heeft de moeder van F
verklaard dat haar zoon weer terug is bij zijn ex-vrouw aan de
[...]. Voorts heeft zij aangegeven dat F vanaf begin januari 1996
werkt. Het rapport vermeldt dat voornoemde rapporteurs zich
vervolgens hebben gewend tot het adres [...], waar zij werden
binnengelaten door eiseres en waar zij in de woonkamer F
aantroffen met een behangkwast in de hand. Daarbij deelde eiseres
mee dat zij en F samen de kamer aan het behangen waren.
Naar aanleiding van deze rapportage heeft de directeur van de
sociale dienst van verweerders gemeente de betaling van de
bijstandsuitkering van eiseres bij besluit van 12 februari 1996
met ingang van 1 februari 1996 opgeschort.
Tegen dit besluit heeft mr. Vonken voornoemd bij brief van 17
februari 1996 bezwaar gemaakt. Bovendien heeft de gemachtigde van
eiseres zich tot de president van de rechtbank
gewend met het
verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen.
Tegen het besluit van 12 februari 1996 is namens eiseres in
bezwaar aangevoerd dat er geen sprake van is dat de samenleving
met haar ex-echtgenoot zou zijn hersteld. Voorts is aangegeven dat
er wel sprake is van frequente contacten tussen de voormalige
echtelieden, zulks in verband met de effectuering van het
bezoekrecht van F aan zijn minderjarige, uit zijn huwelijk met
eiseres, geboren dochter. Verder is namens eiseres aangevoerd dat
voornoemde rapporteurs bij hun huisbezoeken op 16 januari 1996
bijzonder aanmatigend waren opgetreden. Meer in het bijzonder is
vermeld dat de moeder van eiseres is geforceerd om een verklaring
te ondertekenen, terwijl zij niet kan lezen, noch kan schrijven.
Verder is aangegeven dat de rapporteurs onvoldoende onderzoek in
de woning van de moeder van F hebben gedaan; uit de daar aanwezige
kleren en andere persoonlijke bezittingen van F had kunnen blijken
dat deze nog steeds bij zijn moeder woonde.
Bij uitspraak van 15 maart 1996 heeft de president van de rechtbank
het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Bij besluit van 3 april 1996 heeft verweerder het bezwaarschrift
tegen voornoemd besluit van 12 februari 1996 ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit is namens eiseres bij deze rechtbank
beroep
ingesteld.
Dit beroep is bij uitspraak van 19 november 1996 ongegrond
verklaard. Daarbij heeft de rechtbank
overwogen dat op grond van
voornoemde rapportage van 18 januari 1996 het gegronde vermoeden
kon ontstaan dat zich hier een situatie voordeed als bedoeld in
artikel 69 van de Abw en heeft verweerder op
grond hiervan terecht
besloten tot opschorting van de uitbetaling van de uitkering aan
eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank kon hieraan niet afdoen
dat de ouders van F blijkens de overlegde brief van 11 maart 1996,
later in een telefoongesprek aan de gemachtigde van eiseres zouden
hebben verklaard dat hun zoon nog steeds bij hen woonachtig was.
De rechtbank heeft hierbij aangetekend dat een opschorting van de
betaling een voorlopige maatregel is die gevolgd dient te worden
door een beëindigingsbeslissing indien uit nader onderzoek
blijkt dat op grond van gewijzigde omstandigheden niet langer een
recht op bijstand bestaat, dan wel door een besluit tot
ongedaanmaking van de opschorting indien uit het nader onderzoek
zou blijken dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.
Tegen deze uitspraak van de rechtbank
is namens eiseres hoger
beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 juli 1998 heeft de Centrale Raad van
Beroep
de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
In deze uitspraak heeft de Raad allereerst overwogen dat de
opschorting van de uitkering op grond van het in de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet (lw HABW) opgenomen overgangsrecht
moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de
Algemene Bijstandswet (ABW), zoals deze laatstelijk luidden vóór 1
januari 1996.
Vervolgens heeft de Raad overwogen dat de beantwoording van de
vraag of opschorting van een bijstandsuitkering in een geval als
dat van eiseres geoorloofd is, in het algemeen afhangt van de
vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel
is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben, dat het
recht op de uitkering niet meer bestaat dan wel slechts recht op
een lagere uitkering bestaat.
Uit de uitspraak blijkt voorts dat F ter zitting van de Raad
heeft
verklaard dat hij, sinds de verbreking van de samenwoning met
eiseres, bij zijn ouders heeft gewoond. Zijn moeder zou psychisch
erg verward zijn en haar verklaring op 16 januari 1996 onder druk
hebben afgelegd. F heeft voorts aangegeven dat hij zijn dochter zo
vaak mag bezoeken als hij wil. Op 16 januari 1996, toen de sociale
recherche hem 's avonds bij eiseres thuis aantrof, was hij niet
aan het behangen, maar hield hij even de kwast voor eiseres vast.
Namens eiseres is er ter zitting van de Raad op gewezen dat F
onder psychiatrische behandeling staat en door geheugenverlies veel
niet meer weet.
De Raad
was van oordeel dat de reeds eerder genoemde bezwaren van
eiseres en de zojuist aangehaalde verklaringen niet wegnemen dat
verweerder reeds op basis van de door de moeder van F op 16
januari 1996 ondertekende verklaring grond had voor het vermoeden
dat eiseres en F weer beiden hun hoofdverblijf aan [...] hadden
en daar weer een gezamenlijke huishouding voerden.
II.2. inmiddels had eiseres op 13 maart 1996 opnieuw een aanvraag
om bijstand bij verweerder ingediend.
Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 8 mei 1996
afgewezen, onder de overweging dat niet is gebleken van nieuwe
feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van de situatie
die aanleiding is geweest voor de opschortingbeslissing van 12
februari 1996 en de op bezwaar tegen deze beslissing genomen
besluit van 3 april 1996.
Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt.
In het kader van de bezwaarprocedure is namens eiseres bij brief
van 27 juni 1996 een op 24 juni 1996 gedateerde schriftelijke
verklaring van de ouders van F overgelegd, volgens welke F in het
ouderlijk huis inwonend is.
Bij brief van 4 november 1996 heeft de gemachtigde van eiseres er
bij verweerder op aangedrongen een aantal getuigen te horen.
Op 27 juni 1996 is in het kader van deze bezwaarprocedure een
hoorzitting gehouden. Naar aanleiding van het verhandelde tijdens
deze hoorzitting heeft de Unit Bezwaar en Beroep van verweerders
gemeente
de sociale recherche verzocht een nader onderzoek in te
stellen, welk onderzoek heeft geleid tot een ongedateerde (nadere)
rapportage.
Bij besluit van 12 juni 1997 (in rubriek I aangeduid als besluit
I) heeft verweerder het namens eiseres tegen het besluit van 8 mei
1996 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
II.3. Op 10 juni 1996 heeft eiseres een tweede aanvraag om
bijstand bij verweerder ingediend.
Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 27 juni 1996
afgewezen, onder de overweging dat er geen sprake is van nieuwe
feiten of gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven om het
door verweerder eerder, bij besluit van 12 februari 1996 en de
daaropvolgende overeenkomstige besluiten, ingenomen standpunt te
wijzigen. Ook tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt.
Bij brief van 9 september 1996 heeft verweerder eiseres meegedeeld
dat de afhandeling van het bezwaarschrift wordt aangehouden, in
afwachting van het in het kader van de bezwaarprocedure tegen het
besluit van 8 mei 1996 te verrichten nadere onderzoek.
Na afloop van dit onderzoek heeft verweerder bij besluit van 20
juni 1997 (in rubriek I aangeduid als besluit II) het tegen het
besluit van 27 juni ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.
II.4. Nadat de rechtbank bij de behandeling van het namens eiseres
ingestelde beroep tegen het besluit d.d. 12 februari 1996 tot
opschorting van de bijstand van eiseres op nadere besluitvorming
had aangedrongen, heeft verweerder bij besluit 12 november 1996 de
bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 februari 1996 beëindigd.
Ook tegen dit besluit is namens eiseres, onder verwijzing naar
voornoemde eerdere bezwaarschriften, bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 12 juni 1997 (in rubriek I aangeduid als besluit
III) heeft verweerder het namens eiseres tegen het besluit van 12
november 1996 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Daarbij is aangegeven dat is afgezien van het houden van een
hoorzitting, omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
II.5. Beoordeling van besluit I van 12 juni 1997.
Ter motivering van dit besluit heeft verweerder overwogen dat naar
aanleiding van de aanvraag van 13 maart 1996 bij de afdeling
Sociale Zaken en Welzijn van verweerders
gemeente een onderhoud
met eiseres heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van verweerder
heeft eiseres tijdens dit onderhoud desgevraagd geen nieuwe feiten
of omstandigheden kunnen vermelden die zouden kunnen leiden tot
een wijziging in haar aanspraak op een bijstandsuitkering. Daarbij
is overwogen dat eiseres tijdens het onderhoud louter heeft
herhaald wat zij al in een eerder stadium had meegedeeld, te weten
dat er nimmer sprake is geweest van enige samenwoning met haar
ex-echtgenoot. Gelet hierop kon de aanvraag op grond van het
bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de
Awb onder verwijzing
naar de eerdere afwijzende beschikking worden afgewezen, aldus
verweerder.
Gelet op het in artikel 3, derde lid, aanhef en onder
e, van de Abw
opgenomen onweerlegbare rechtsvermoeden had het volgens
verweerder bovendien op de weg van eiseres gelegen minimaal
aannemelijk te maken dat haar ex-echtgenoot niet meer zijn
hoofdverblijf in de woning van eiseres had.
Ten slotte is verweerder van oordeel dat eiseres bij de in het
kader van de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting geen enkele
medewerking heeft verleend, zodat verweerder van mening is dat
hetgeen namens eiser ter hoorzitting is gesteld niet kan leiden
tot de conclusie dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.
Onder verwijzing naar de reeds tegen het besluit van 12 februari
1996 ingebrachte bezwaargronden, die zijn weergegeven in rubriek
II.I, is namens eiseres het standpunt herhaald dat er geen sprake
is van samenwoning door haar en haar ex-echtgenoot.
Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit, waarbij
het besluit van 8 mei 1996 tot afwijzing van de door eiseres op 13
maart 1996 ingediende aanvraag is gehandhaafd, de rechterlijke
toets kan doorstaan.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder er ten onrechte
van is uitgegaan dat de aanvraag van eiseres kan worden afgewezen
met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de
Awb.
Naar het oordeel van de rechtbank
heeft verweerder miskend dat de
aanvraag van eiseres niet ziet op herziening van het besluit van
12 februari 1996 tot opschorting van haar uitkering met ingang van
1 februari 1996, maar op de verlening van bijstand op een datum
die gelegen is na het tijdstip met ingang waarvan de betaling van
de uitkering van eiseres was opgeschort. De aanvraag van eiseres
dient dan ook te worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag van
bijstand na de opschorting van de uitbetaling van de bijstand per
1 februari 1996. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep
van 16 april 1996
(JABW 1996/134)
overweegt de rechtbank vervolgens dat de opschorting van de
uitbetaling moet worden beschouwd als een voorlopige maatregel en
dient deze derhalve - zo de opschorting niet zonder meer wordt
ongedaan gemaakt - gevolgd te worden door een definitieve
beslissing omtrent de aanspraak op uitkering. Zoals in rubriek
II.4 is aangegeven, heeft deze definitieve beslissing in het geval
van eiseres eerst bij besluit van 12 november 1996 plaatsgevonden.
Gelet op hetgeen in de voorgaande alinea is overwogen, moet dan ook
worden geconcludeerd dat het door eiseres op 13 maart 1996
ingediende verzoek om opnieuw in aanmerking te worden gebracht
voor een bijstandsuitkering is gedaan op een moment waarop de
lopende uitkering nog niet was beëindigd.
Verweerder heeft dan ook in het bestreden besluit miskend dat het
met het besluit van 8 mei 1996 beoogde rechtsgevolg, te weten dat
eiseres geen recht had op uitkering, ten tijde van belang niet kón
intreden. Derhalve kan het bestreden besluit niet worden gedragen
door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat het beroep
voor gegrond moet worden gehouden en het bestreden besluit dient
te worden vernietigd. De rechtbank
acht het voorts aangewezen met
toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de
Awb te bepalen dat
het besluit van 8 mei 1996 wordt herroepen.
Daarbij tekent de rechtbank aan dat het op 13 maart 1996 door
eiseres ingediende verzoek niet, zoals de Centrale Raad van
Beroep
in voornoemde uitspraak van 16 april 1996 ten aanzien van het
aldaar in geding zijnde beroep had overwogen, kan worden
aangemerkt als een verzoek om alsnog tot definitieve vaststelling
van de aanspraak op bijstand kan worden aangemerkt, nu, mede gelet
op de door de gemachtigde van eiseres in haar brief van 14 maart
1996 gegeven toelichting buiten twijfel staat dat eiseres heeft
beoogd een nieuwe aanvraag om bijstand in te dienen met
inachtneming van de omstandigheden zoals deze per 13 maart 1996
golden.
11.6. Beoordeling van besluit II van 2 juni 1997.
Ter motivering van dit besluit heeft verweerder overwogen dat bij
de aanvraag van 10 juni 1996 opnieuw geen nieuw gebleken feiten en
veranderde omstandigheden zijn vermeld, zodat de aanvraag op grond
van het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de
Awb onder
verwijzing naar voornoemd besluit van 8 mei 1996 wordt afgewezen.
In beroep is de door verweerder aangenomen samenwoning van eiseres
en F, onder verwijzing naar de in de voorgaande procedures
ingediende stukken, opnieuw namens eiseres betwist, met de
nadrukkelijk vermelding dat zulks door middel van
getuigenverklaringen nader kan worden onderbouwd.
Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit, waarbij
het besluit van 27 juni 1996 tot afwijzing van de door eiseres op
10 juni 1996 ingediende aanvraag is gehandhaafd, de rechterlijke
toets kan doorstaan.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder er ten onrechte
van is uitgegaan dat de aanvraag van eiseres kan worden afgewezen
met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de
Awb. Hiertoe
overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit
heeft miskend dat ook het door eiseres op 6 juni 1996 ingediende
verzoek een nieuwe aanvraag betreft.
Voorts is ook de aanvraag van 10 juni 1996 ingediend op een moment
waarop de lopende uitkering nog niet was beëindigd.
Verweerder heeft dus ook in dit bestreden besluit miskend dat het
met het besluit van 27 juni 1996 beoogde rechtsgevolg, te weten
dat eiseres geen recht had op uitkering, ten tijde van belang niet
kon intreden. Derhalve kan ook dit bestreden besluit niet worden
gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat
het beroep voor gegrond moet worden gehouden en het bestreden
besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank
acht het voorts
aangewezen met toepassing van artikel
8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het besluit van 27 juni 1996 wordt herroepen.
Daarbij tekent de rechtbank aan dat ook het op 10 juni 1996 door
de eiseres ingediende verzoek niet, zoals de Centrale Raad van
Beroep
in voornoemde uitspraak van 16 april 1996 ten aanzien van
het aldaar in geding zijnde beroep had overwogen, als een verzoek
om definitieve vaststelling van de bijstand kan worden aangemerkt.
II.7. Beoordeling van besluit III van 12 juni 1997.
II.7.1. Zoals in rubriek II.4. is aangegeven, heeft verweerder bij
dit bestreden besluit het namens eiseres ingediende bezwaarschrift
tegen het besluit van 12 november 1996 ongegrond verklaard. Bij
dit laatste besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van
eiseres met ingang van 1 februari 1996 beëindigd.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 12 november 1996
dient te worden beschouwd als de definitieve beslissing omtrent de
aanspraak van eiseres op bijstand, nadat de uitbetaling hiervan
per 1 februari 1996 was opgeschort. Naar het oordeel van de
rechtbank ligt in de aard van een dergelijk besluit besloten dat
het bestuursorgaan gehouden is een nader onderzoek in te stellen
naar de feiten die tot de voorlopige maatregel tot opschorting van de
uitbetaling van de uitkering aanleiding hebben gegeven. Bij dit
onderzoek is het bestuursorgaan gehouden mede rekening te houden
met feiten en omstandigheden die na het besluit tot opschorting
van de uitbetaling zijn gebleken.
In het geval van eiseres betekent dit dat verweerder bij de
vaststelling van de definitieve aanspraken van eiseres op bijstand
mede rekening heeft dienen te houden met feiten en omstandigheden
die na het opschortingsbesluit zijn gebleken. Bij de beslissing op
bezwaar dienen ook de feiten en omstandigheden die zich na 12
november 1996 hebben voorgedaan te worden betrokken.
II.7.2. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat
niet kan worden voorbijgegaan aan de besluitvorming naar
aanleiding van voornoemde aanvraag van 13 maart 1996, waarbij niet
is gebleken van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van die
welke aanleiding waren tot het opschortingsbesluit van 12 februari
1996. Voorts is verweerder van oordeel dat eiseres geen
medewerking heeft verleend bij het door de sociale recherche
hangende het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 1996 uitgevoerde
nadere onderzoek.
Verder heeft verweerder overwogen dat geen sprake is van een beëindiging
van de uitkering met terugwerkende kracht, omdat eiseres op 16
januari 1996 is meegedeeld dat haar uitkering met onmiddellijke
ingang zal worden beëindigd.
Ten slotte is aangegeven dat is afgezien van het houden van een
hoorzitting, omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
II.7.3. Namens eiseres is in beroep herhaald dat er geen sprake is
van samenwoning door haar met haar ex-echtgenoot. Namens eiseres
is benadrukt dat eiseres haar huis slechts tezamen met haar veel
zorg behoevende dochter bewoont. Voor het overige is in beroep
volstaan met een verwijzing naar de in de diverse voornoemde
bezwaarprocedures aangevoerde gronden.
II.7.4. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder ten
onrechte heeft afgezien van het houden van een hoorzitting onder
de overweging dat het bezwaarschrift van eiseres kennelijk
ongegrond is.
Blijkens vaste jurisprudentie is van een kennelijk ongegrond
bezwaar immers eerst sprake indien uit het bezwaarschrift zelf
reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er
redelijkerwijs over die conclusie geen twijfel mogelijk is. Naar
het oordeel van de rechtbank is aan dit criterium in het geval van
eiseres niet voldaan. Verweerder heeft bij alle in deze uitspraak
aan de orde komende besluitvorming aanvankelijk slechts verwezen
naar de feiten en omstandigheden die het vermoeden van samenwoning
van eiseres en F wekten en verweerders bij besluit van 3 april
1996 gehandhaafde besluit van 12 februari 1996 tot opschorting van
de uitbetaling van de bijstand aan eiseres rechtvaardigden. Uit de
gedingstukken blijkt niet dat het besluit van 12 november 1996 op
enig nader onderzoek van de zijde van verweerder berust, terwijl
van de zijde van eiseres uitdrukkelijk was aangeboden de
betwisting van de (voorlopige) conclusies van verweerder door
middel van getuigenverklaringen nader te onderbouwen.
Het bestreden besluit moet dan ook in strijd worden geacht met
artikel 7:2 van de Awb, terwijl eiseres geacht moet worden door
deze schending in haar belangen te zijn geschaad. Reeds op deze
grond is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te
worden vernietigd.
II.7.5. De rechtbank
overweegt voorts als volgt.
De vraag doet zich voor naar welk recht het besluit tot beëindiging
van de bijstand van eiseres moet worden beoordeeld.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de
IHABW blijft de Algemene
Bijstandswet (ABW) gedurende ten hoogste twaalf maanden na de
inwerkingtreding van de nieuwe Abw
van toepassing ten aanzien van
degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens
recht op de peildag niet is geëindigd.
Het tweede lid van artikel 4, voornoemd, bepaalt dat de in het
eerste lid bedoelde toepassing van de ABW eindigt:
a. zodra burgemeester en wethouders in het betreffende
geval naar
aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel
5, eerste lid,
een nieuw besluit hebben getroffen;
b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het
gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk
IV,
afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de nieuwe
Abw
tot toepassing van
een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en
wethouders in het betreffende geval een nieuw besluit inzake de
verlening van bijstand hebben getroffen.
Uitgangspunt is dat eiseres ten tijde als hier van belang een
persoon was als omschreven in artikel 4, eerste lid, van de
IHABW.
Eiseres ontving in de peilmaand - december 1995 - algemene
bijstand ingevolge de ABW en haar recht is niet geëindigd op de
peildag (31 december 1995). De ABW blijft derhalve ten aanzien van
eiseres gelden gedurende ten hoogste twaalf maanden, tenzij de
toepassing van de ABW op een eerdere datum eindigt als gevolg van
één van de in het tweede lid van artikel 4
van de
IHABW
genoemde
omstandigheden.
Het onderzoek dat in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden,
was geen onderzoek als bedoeld in artikel
5, eerste lid, van de IHABW,
zodat de omstandigheid, genoemd in artikel
4, tweede lid, onderdeel
a.
zich hier niet voordoet. Naar de Centrale Raad van
Beroep
in zijn
in rubriek II.I genoemde uitspraak van 7 juli 1998 heeft
overwogen, is voor het intreden van het gevolg dat de toepassing
van de ABW eindigt op grond van de in artikel
4, tweede lid, onderdeel
b, genoemde omstandigheid niet alleen vereist dat zich een
wijziging in omstandigheden heeft voorgedaan die krachtens de
genoemde bepalingen van de Abw
tot toepassing van een andere bijstandsnorm
dient te leiden, maar dat ter zake ook een nieuw
besluit is getroffen.
Naar het oordeel van de rechtbank
kan het besluit van 18 november
1996 tot beëindiging van de uitkering van eiseres niet worden
beschouwd als een besluit tot verlaging van de bijstandsnorm
van
eiseres als bedoeld in hoofdstuk IV,
afdeling 1, paragraaf 2 en 3,
van de Abw. Een dergelijke uitleg is niet in overeenstemming met
de bewoordingen waarin deze wetsbepalingen zijn gesteld en evenmin
met de systematiek van de Abw, nu de genoemde bepalingen zien op
de situatie waarin krachtens de bepalingen van hoofdstuk I i [hoofdstuk
II, red.] van
de Abw
recht op bijstand bestaat.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit tot beëindiging
van de bijstandsuitkering moet worden beoordeeld naar de
bepalingen van de ABW.
II.7.6. Ingevolge artikel 5a, eerste lid, van de ABW wordt de
bijstand aan niet met elkaar gehuwde personen van verschillend of
gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren,
vastgesteld op overeenkomstige wijze als bedoeld in artikel 5 van
de ABW.
Ingevolge het tweede lid van artikel 5a van de ABW kan van een
gezamenlijke huisvesting slechts sprake zijn indien twee
ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en
bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de
huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging
voorzien. Blijkens de wetsgeschiedenis van dit artikel vindt
toetsing plaats door afweging van alle zich ten aanzien van
betrokkenen voordoende waarneembare feiten en omstandigheden die
niet van subjectieve aard zijn.
F stond ten tijde hier in geding ingeschreven op het adres van
zijn moeder, zodat mag worden aangenomen dat hij in beginsel over
eigen woonruimte kon beschikken.
Het aanhouden van afzonderlijke woonruimte behoeft op zichzelf het
gezamenlijk voorzien in huisvesting niet in de weg te staan. In
dat geval zal echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat
desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat
doordat slechts één van de beide ter beschikking staande woningen
wordt gebruikt, dan wel doordat op andere wijze een zodanig
gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenleven
moet worden gesproken.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het primaire besluit van 18 november 1996 om de uitkering van
eiseres te beëindigen, is gebaseerd op de bevindingen zoals die
zijn vermeld in het eerder vermelde rapport van de sociale
recherche van 18 januari 1996. Het bestreden besluit is
daarenboven gebaseerd op de bevindingen die zijn vermeld in een
ongedateerde rapportage van de sociale recherche die betrekking
heeft op een in de periode van 28 november 1996 tot en met 19 maart
1997 uitgevoerd aanvullend onderzoek.
Ter zitting heeft getuige B verklaard dat F in 1993 enige tijd
heeft verbleven in het psycho-medisch centrum Vijverdal en dat
eiseres aansluitend in 1994 van F is gescheiden. Voorts heeft
getuige B verklaard dat eiseres en F sindsdien niet meer hebben
samengewoond. Ten slotte heeft hij verklaard dat eiseres, sinds zij
geen bijstand meer ontvangt, financieel wordt ondersteund door
verschillende familieleden en kennissen. Getuige B heeft ten
slotte
verklaard haar zelf ƒ150,- tot ƒ250,- per maand te lenen.
Getuige C heeft ter zitting verklaard dat F na de echtscheiding
steeds bij zijn ouders heeft gewoond. Zij heeft voorts verklaard
dat zij eiseres regelmatig kleding schenkt, met name ten behoeve
van haar kind.
Getuige D, de moeder van F, heeft ter zitting verklaard dat F na
de echtscheiding steeds bij haar heeft gewoond. Zij heeft voorts
aangegeven dat zij bij voornoemd huisbezoek op 16 januari 1996
door de sociale recherche onder druk is gezet en niet goed begreep
wat er aan de hand was. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij de
door haar ten overstaan van de sociale recherche afgelegde
verklaring weliswaar heeft ondertekend, maar dat zij niet wist wat
zij tekende.
Getuige E heeft ter zitting verklaard dat zij D in de huishouding
helpt en dat F, voor zover haar bekend is, steeds bij zijn ouders
heeft gewoond.
Mede gelet op deze getuigenverklaringen is de rechtbank
van
oordeel dat voornoemde, op 18 januari 1996 opgemaakte, rapportage
van de sociale recherche, die aanleiding is geweest voor de
opschorting van de uitbetaling van de bijstand aan eiseres, op
zichzelf genomen geen voldoende grondslag vormt voor het besluit
tot beëindiging van de uitkering van eiseres. Zoals hiervoor
reeds is aangegeven, is de rechtbank niet gebleken dat ter
voorbereiding van het op 18 november 1996 genomen primaire besluit
tot beëindiging van de bijstand van eiseres enig aanvullend
onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorafgaand aan het bestreden
besluit heeft echter wel een aanvullend onderzoek door de sociale
recherche plaatsgevonden en wel voornoemd onderzoek met
betrekking tot de periode van 28 november 1996 tot en met 19 maart
1997. Blijkens het desbetreffende rapport had het onderzoek
betrekking op het inwinnen van inlichtingen bij de
werkgever van F, op een elftal observaties in de periode van 28
november 1996 tot en met 24 februari 1997 en een op 19 maart 1997
gehouden avondcontrole aan het adres van F en aan dat van eiseres.
De door de werkgever van F gegeven inlichtingen bieden naar het
oordeel van de rechtbank geen grond voor de conclusie dat eiseres
en F gezamenlijk zijn gehuisvest.
Uit de gehouden observaties en het huisbezoek volgt weliswaar dat
F eiseres regelmatig bezoekt, maar dit wordt door eiseres op
zichzelf ook niet ontkend. Tegen eiseres pleit echter dat F, bij
het voorgenomen huisbezoek van de sociale recherche op 17 maart
1997, vluchtgedrag vertoonde en eiseres weigerde de deur te
openen.
In het feit dat eiseres haar vaste lasten kan betalen, acht de rechtbank
echter weer onvoldoende grond gelegen voor de
veronderstelling dat deze lasten door F worden voldaan.
Al het voorgaande afwegend, waarbij de rechtbank
in het bijzonder
gewicht hecht aan het feit dat verweerder pas in een zeer laat
stadium nader onderzoek heeft doen verrichten naar de vermeende
samenwoning van eiseres met F en voorts in overweging nemend dat
ook dit nader onderzoek ruimte voor twijfel laat, is de rechtbank
van oordeel dat de door verweerder aan het bestreden besluit ten
grondslag gelegde gegevens onvoldoende grond bieden voor de
conclusie dat eiseres over de gehele periode van 1 februari 1996
tot aan de datum van het bestreden besluit gezamenlijk met F was
gehuisvest.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit
tevens wegens schending van de artikelen 3:2 en
7:12 van de Awb
voor vernietiging in aanmerking komt.
II.7.8. Voorts acht de rechtbank
termen aanwezig om verweerder met
toepassing van
artikel 8:75
van de Awb te veroordelen in de
kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep
bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het
bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel
2, eerste
lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten
bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte
proceshandelingen 4 punten met een waarde van ƒ710,- toe voor de
indiening van de drie beroepschriften en het verschijnen ter
zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en
de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt
derhalve 4 x ƒ710,- x 1.
Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend
krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de
kosten ingevolge
artikel 8:75, tweede lid, van de
Awb te worden
betaald aan de griffier van deze rechtbank.
Op grond van het bepaalde in de artikelen
8:70, 8:72, 8:74 en
8:75
van de Awb wordt als volgt beslist.
III. Beslissing
De arrondissementsrechtbank te
Maastricht:
1. verklaart het beroep tegen besluit I (besluit van 12 juni 1997,
bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 987358) gegrond en vernietigt dit
besluit;
2. herroept het besluit van 8 mei 1996;
3. verklaart het beroep tegen besluit II (besluit van 20 juni 1997,
bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697) gegrond en vernietigt dit
besluit;
4. herroept het besluit van 27 juni 1996;
5. verklaart het beroep tegen besluit I II (besluit van 12 juni
1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 991555) gegrond en
vernietigt dit besluit;
6. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het
bezwaarschrift van 18 november 1996 met inachtneming van deze
uitspraak;
7. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten
bedrage van 3 x ƒ55,-
= ƒ165,- wordt vergoed door de gemeente
Maastricht;
8. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij
de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op ƒ2840,-
wegens de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente
Maastricht aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te
Maastricht.
Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. M.
Driessen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 1999
door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde
griffier.
w.g. M. Driessen
w.g. R.E. Bakker
Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:
Verzonden op:
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze
uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes
weken. Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een
belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de
mogelijkheid open om zich tot de Voorzitter van de Centrale Raad
van Beroep te wenden met een verzoek om voorlopige voorziening
ingevolge artikel 8:81 van de Awb.
|
|
|
|
| |
|
|
|
home
| jurisprudentie
| jur. Abw |
Abw |
Wwb |
sz-wetten |
overige wetten |
zoeken
|
volgende
© Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden.
x |
|